Een dorp in een slapend landschap. Nispen is een knooppunt. Nog altijd, maar nu van fietsroutes. Nispen, zo Brabants als wat. Maïs groeit er tot in de dorpskom, maar je hebt hier veel fantasie nodig om de oude geschiedenis van deze ooit zo belangrijke nederzetting te doen herleven.
Nispen ligt aan het dal van de
Roosendaalse Beek. Dit stroompje heet verderop ook wel Watermolenbeek of
Wildertse Beek. Het dal van de beek loopt vrij recht. Het begint tussen
Kalmthout en Achterbroek in het zuiden en gaat vandaar noordwaarts tot
voorbij Roosendaal.
Op de flanken van het dal ligt een reeks oude en jongere nederzettingen.
Meestal zijn het gehuchten, maar er liggen ook enkele dorpen en Roosendaal
als stad. Nispen vinden we aan de westkant, ongeveer in het midden van
het dal en nog net in Nederland. Essen ligt iets zuidelijker, maar net
in België. Wat verder van het dal en zijn bewoonde 'hellingen': lagen
vroeger uitgestrekte heide- en veengebieden.
Het dal van de Roosendaalse of
Wildertse Beek moet al vroeg bewoond zijn geweest, terwijl het in de verdere
omgeving nog leeg was. In het dal leefden de mensen. Als bewoningsgebied
vormde het dal een eenheid, waarvan Nispen het kerkelijke centrum werd:
de parochie Nispen.
Van noord tot zuid strekte deze parochie zich uit over een afstand van
maar liefst 23 kilometer. De vorming van die parochie moeten we ons in
de twaalfde eeuw denken. In die tijd behoorden de voornaamste nederzettingen
in het dal aan verschillende eigenaren. Sommigen van hen droegen hun bezit
over aan de toen nog jonge abdij van Tongerlo.
In het dal van de Roosendaalse en Wildertse Beek verwierf de abdij Tongerlo
vooral oude cultuurlanden op de flanken van het beekdal met name in Essen
en Kalmthout, maar ook de parochierechten van Nispen en die van Klein-Zundert.
De parochierechten van Nispen bestrijken heel het beekdal. De gronden van
Tongerlo liggen gegroepeerd in een smalle strook langs de beek in Essen
en Kalmthout. Later zal de hertog van Brabant verklaren dat ook heel de
wildernis ter weerszijden van dit deel van het beekdal bezit van Tongerlo
is.
In die wildernis liet de abdij vanaf de jaren 1300 te Achterbroek actief
gronden ontginnen voor de landbouw, en vanaf 1360 ook voor de turfwinning.
Het dorp Nieuwmoer is daardoor ontstaan.
Merkwaardig aan de midden twaalfde-eeuwse overdrachten is dat, waar het
om het bezit van Kalmthout en Essen gaat, de hertog van Brabant garant
staat, maar bij die van de parochierechten van Nispen en Klein-Zundert
de heer van Breda. Al rond 1160 lijkt zich hier de landsgrens af te tekenen
tussen de 'landen' en invloedssferen van de beide heren. Op die manier,
eigenlijk al heel lang geleden, raakte de parochie Nispen op wereldlijk
gebied verdeeld door wat nu de rijksgrens is.
Overigens lagen er in Nispen nog hertogelijke enclaves: gronden die tot
het bezit van Gageldonk bij Roosendaal behoorden. Deze gronden omvatten
volgens een getuigenis uit 1551 de gehele 'singel' van het dorp Nispen
en de gronden die daaraan grensden.
Die begrenzing was nogal grillig. Nispen-Hertog strekte zich uit tot aan
Essen. Dit deel van Gageldonk moeten we dus onder meer in de dorpskern
van Nispen zoeken. Daarmee leren we dat er zo'n kern was. De enclaves van
Nispen werden in 1388 bij het land van Breda gevoegd.
De kern van Nispen ligt op een hoog plateau aan de beek. De parochiekerk
staat aan de rand van het dal. Dat is een bouwplaats voor kerken zoals
we die elders ook wel tegenkomen. Als het even kan, bouwen de middeleeuwers
hun kerk immers op een markante plek in het landschap.
Bij de kerk van Nispen kruisen
twee wegen: de ene loopt zowat evenwijdig aan de beek, de andere kruist
die weg en steekt wat verderop de beek over. Rond die kruising lijkt al
vroeg een compacte nederzetting te hebben bestaan. Daaromheen lag op het
plateau een grote open akker. Het kan niet uitgesloten worden dat onder
die akker nog sporen van vroeg-middeleeuwse bewoning te vinden zijn.
Verder stroomafwaarts langs de beek lagen nog wat gehuchten: Borteldonk,
Langdonk, Hulsdonk, Kalfsdonk, Haviksdonk, Boedonk (nu Boeiink) en Haagdonk
(nu Haiink). Een donk is een wat hogere, drogere plek in een moerassige
omgeving. Moeras was er in het beekdal, maar ook in de venen ten oosten
ervan en in De Wildert aan de westkant.
Mensen die zich hier vestigden, hebben eerst de droge plaatsen, de donken
dus, opgezocht. Daar zijn ze gaan wonen en daar hebben ze hun eerste akkertjes
ontgonnen. Hoe ze in Nispen en eigenlijk in heel westelijk Brabant in die
tijd wonen, vertelt een middeleeuwse bron: "Met uitzondering van de
kastelen van de edelen waren stenen huizen in de dorpen zeldzaam. De meeste
huizen werden gebouwd van hout. Andere huizen bestonden uit muren van aangestreken
leem en het dak met stro bedekt. Het voedsel bestond uit grof brood gemaakt
van rogge, gemengd met meel van gerst, haver of bonen. Wei was de algemene
drank. Daarnaast dronk men dun, slecht bier."
Deze passage moet wel wat worden genuanceerd. In de latere Middeleeuwen
en daarna bouwde men een boerderij in deze streken als een woon- en stalhuis
met een of meer schuren. Die vrij grote gebouwen werden gedragen door een
houten skelet, het gebint, dat op kleine stenen funderinkjes rustte: de
poeren. Het gebint droeg het dak, dat vaak tot erg laag aan de grond doorliep.
De wanden werden gemaakt uit met leem bestreken vlechtwerk van takken.
Ze sloten de overdekte ruimte rondom af.
Vanaf 1500 werden in toenemende mate de wanden van het woongedeelte in
steen opgetrokken. Eerst de brandmuur tussen stal en woning, later de andere
huiswanden. Tegen 1800 was de verstening van de woning voltooid en kwamen
stal- en schuurwanden aan de beurt. De benodigde stenen werden gebakken
in tal van verspreide steenbakkerijen. Die van de Lange Schouw (Schijf)
is daarvan een lang overlevend exemplaar geweest.
De bewoners van de noordelijke donkgehuchten vinden tegen 1265 dat ze voor
hun geestelijk welbevinden een eigen kapel nodig hebben. De kerk van Nispen,
op vijf kilometer afstand, was vaak moeilijk bereikbaar. Daarom stichtten
bewoners van de gehuchten Langdonk, Hulsdonk en Kalsdonk in 1268 een kapel
op een plek die centraal tussen de gehuchten lag. Dit keer verrees die
kerk niet op een donk maar in een zonk, een dal waar denkelijk veel riet
groeide. De plek heette voortaan Roosendaal.
Eerst was het alleen een kerkje,
maar al snel groeide er om het bedehuis een nederzetting. Dat nieuwe dorpje
was nu eens niet agrarisch gericht. In de schaduw van de kerk van dit embryonale
Roosendaal ontwikkelde zich een marktplaats.
Tegelijkertijd kwam rond 1270 ten oosten van Roosendaal een grootscheepse
turfgraverij op gang. Een van de turf-uitvoerhavens lag pal ten noorden
van de dorpskom. De bedrijvigheid ter plaatse zal ongetwijfeld op het kleine
Roosendaal afgestraald hebben. De verschillende ontwikkelingen maakten
Roosendaal tot een economisch aantrekkelijke plaats.
Toen tussen 1287 en 1290 het Land van Breda verdeeld moest worden, werden
rond Roosendaal de grenzen erg nauwkeurig en curieus uitgezet. Uit de getrokken
lijnen valt af te leiden dat zowel de Heer van Breda als die van Bergen
op Zoom werkelijk de helft van de waarde van dit gebied wilde hebben.
Enkele jaren later overvleugelt Roosendaal definitief het veel oudere Nispen.
Niet Nispen, maar de jonge marktplaats krijgt een schepenbank, een eigen
rechtspraak. Roosendaal groeit uit tot een regionaal centrum voor de turfhandel.
Die ontwikkeling wordt nog versterkt door het feit dat de turf steeds verder
uit het binnenland moet komen, waardoor het belang van de plaats alleen
maar toeneemt.
Nispen blijft ondertussen gewoon
een agrarisch dorp. De turf 'reist' er wel aan twee kanten langs, maar
Nispen heeft er eigenlijk niet veel mee van doen. Het vervoer van de brandstof
komt voor rekening van de turfcompagnieën die daarvoor eigen arbeiders
inhuren. In 1449 wordt ten oosten van de beek de turfvaart naar Nieuwmoer
aangelegd. Twee jaar later volgt de verbetering van de bevaarbaarheid van
de Roosendaalse Beek vanaf het Turfhoofd.
In Roosendaal zelf verrijst een nieuwe woonwijk: de Nieuwstad. In 1570
beginnen arbeiders met het graven van een vaart die pal langs Nispen zelf
kwam, maar die door de oorlogsperikelen van 1583 pas in 1610, aan het begin
van het Twaalfjarig Bestand, in gebruik kan worden genomen.
Dat turfkanaal is geen lang leven beschoren, want in 1680 is het al afgeschreven.
Stukjes ervan zijn nog altijd herkenbaar in Nispen. De commerciële
turfgraverij in de streek loopt omstreeks 1740 op zijn einde.
In 1809 ontvangt koning Lodewijk Napoleon, op dat moment vorst der Nederlanden,
een brief uit Nispen. "Sire, zeer gaarne zouden wij van Roosendaal
afgescheiden worden. De stad ligt een uur gaans, hetwelk veel ongerief
veroorzaakt." Een poging tot revolutie in Nispen? De moeder die haar
kind aan de deur zet. De koning geeft geen krimp: Nispen blijft bij Roosendaal.
Vijftig jaar later trekken plannenmakers
een nieuwe lijn langs Nispen. Dat wordt de spoorlijn van Antwerpen naar
Roosendaal. Tussen de kernen Essen en Roosendaal ontstaat een touwtrekken
over de vestiging van het grote grensstation. Bouw in Nispen is al helemaal
niet aan de orde. Aan het bestuurlijke gevecht om het station hebben zowel
Essen als Roosendaal een groot rail-emplacement overgehouden.
En het kleine Nispen? Daar raast de trein alleen maar langs. Het traject
van de spoorlijn krijgt rond 1880 nog wel een andere functie. Het wordt
aangewezen als een letterlijke waterscheiding tussen de invloedsferen van
de suikerfabrieken van Roosendaal en Bergen op Zoom. Immers, beide fabrieken
betrekken water uit de voormalige veengebieden, maar ze zitten elkaar behoorlijk
dwars. Uiteindelijk komt men tot de afspraak dat Bergen op Zoom het water
aan de westkant van de spoorlijn zal gebruiken en Roosendaal dat aan de
oostkant.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog sneuvelt de oude kerktoren van Nispen. Op
dezelfde plaats wordt een nieuwe toren gebouwd aan de al in 1931 vernieuwde
kerk. Tot in de jaren 1950 behoudt het dorp zijn kleine, compacte vorm.
Nadien komen er wat straten met nieuwbouw bij. De meeste woningbouw gaat
echter naar Roosendaal, de hoofdplaats van de gemeente Roosendaal en Nispen.
Terecht of niet terecht, in 1957
vieren de bewoners van Nispen met veel feestgedruis het achthonderdjarig
bestaan van hun parochie en, jawel, het duizendjarig bestaan van hun dorp.
Herauten uit Essen en Roosendaal brengen op een dorpsplein een hulde aan
het oude moederdorp. De abt van Tongerlo is er ook en geeft een receptie.
De harmonie blaast: "Aan U oh koning der eeuwen." Burgemeester
A. Freijters van Roosendaal spreekt een half uur. Op de vraag of het feest
nu wel of niet historisch juist is, antwoordt hij: "Ach in het veen
kijkt men niet op een turfje."
In de aanloop naar de grote gemeentelijke herindeling van 1 januari 1997
voert de Brabantse gedeputeerde De Geus Roosendaal en Nispen als geslaagd
voorbeeld van vreedzaam samenleven van twee gefuseerde gemeenten ten tonele.
Blijkbaar is het in Den Bosch onbekend dat de oorsprong van die dubbelgemeente
in het kleine Nispen ligt, maar dat Roosendaal dankzij de turf-economie
en later dankzij het spoor de oude hoofdplaats kon overvleugelen. Ook in
de gemeentenaam heeft Roosendaal zich nu naar voren geworsteld. Het is
nooit Nispen en Roosendaal geworden. Erger nog, bij de jongste herindeling
is heel Nispen uit de gemeentenaam weggewerkt. Alles in Roosendaal en verre
omgeving heet nu Roosendaal. Dankzij een wieg van turf en bielzen is de
boreling van Nispen nu de baas over de moeder geworden.
Om verder te lezen:
-Jaarboek De Ghulden Roos
-Jaarboek De heerlijckheijd Nispen, 16 september 1999.
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl