Door Karel Leenders en Paul de Schipper
Heeft Zuidwest-Nederland ooit een oerlandschap gehad? Dat is gissen. Want wat deden Brabanders toen ze lang geleden hun land betraden? Ze hadden geen bestemmingsplan. Ze veranderden wel het landschap. Akkertje ploegen, mest er op. Wie genoeg beesten had en voldoende mest kon meer land ploegen. Niet overal lag zand. Er waren ook veengebieden, 'de moeren'.
Wat deden Brabanders en Vlamingen
toen ze veen onder hun voeten voelden trillen? Ze groeven het zwarte spul
uit. Ze droogden het tot turf en verbrandden het in de haard of verkochten
het aan de eerste beste passerende koopman.
Wat deden Zeeuwen in hun door de Zee belegerde land? Ze bouwden dijken
en gingen vervolgens offensief inpolderen. Kortzichtig moerden ze het land
achter de dijken uit.
Wat deden de Hollanders toen ze lang geleden hun soppig gewest boven de
rivieren binnentrokken en het veen ontdekten? Ze ontwaterden de boel, zetten
er koeien op en gingen kaas maken.
De Brabanders boerden verder op zand. De Zeeuwen zweetten om hun afgegraven
kleiland te behouden. En de Hollanders? Die werden al 'zuivelend' rijk.
Samenspel
Het is natuurlijk een karikatuur.
Maar het schetst hoe in de loop van eeuwen een verschillende aanpak tot
heel verschillende landschappen kan leiden. Menselijke landschappen gevormd
in samenspel met natuurlijke krachten.
Vandaar dat de nederzettingen die in deze serie de revue passeren ieder
zo'n verschillend verhaal vertellen.
Landschappen van zand, klei en veen ontmoeten elkaar in Zuidwest-Nederland.
Wie de landschappen leest, ontdekt meer dan de anekdotische simpelheid.
Elke stad, elk dorp, elke omgeving heeft een eigen, nog vaak verborgen
historisch verhaal.
Zo'n 10.000 jaar voor Christus is dit land bevroren. De wind blaast een
dikke laag zand over het zuiden van Nederland en het noorden van Vlaanderen.
In het staartje van de IJstijd zijn hier al mensen actief. Als de temperaturen
stijgen, ontstaat een parkachtig landschap. Op de beekoevers vestigen zich
kolonisten. Op de Mark bij Breda vissen ze vanuit kano's hun avondmaal
bij elkaar.
In de Bronstijd is Zeeland een enorme moerassige vlakte, beschermd door
strandwallen. Het achterliggende natte land is nauwelijks bewoond. Pas
bij Halsteren waar het hoge land begint, wonen weer mensen. Net als verderop,
verspreid over het zandgebied.
Vogeleieren
Veel verandert er niet als deze
streken ingelijfd worden in het Romeinse Rijk. Minachtend spreekt Caesar
over lieden 'die zich voeden met vissen en met vogeleieren'. In Zeeland
trekken de kolonisten het veen in. Ze graven sloten om het gebied te ontwateren.
Houten klepduikertjes zorgen ervoor dat het water niet terugkomt. Daardoor
daalt de bodem. Zo lang de dammen en duikers onderhouden worden, is dat
geen probleem.
Rond het jaar 273 raakt het Romeinse Rijk in moeilijkheden. Het lukt niet
meer om de opdringerige Germanen buiten te houden. De bevolking vlucht.
In Zeeland blijven de klepduikers open staan. De zee legt op gedaalde veengebied
een kleilaag neer.
Alleen de laatste rand tegen de Vlaamse en Brabantse zandgronden is voor
de zee ongerijpbaar.
Tussen 500 en 700 zien Zeeland, de huidige Noordwesthoek van Noord-Brabant
en heel wat gebieden tussen Halsteren, Wuustwezel en Etten eruit zoals
nu de Biesbosch.
NAC-stadion
De eerste nieuwkomers duiken
rond het jaar 700 op bij het NAC-stadion in Breda en bij het centrum van
Alphen. In de eeuwen die volgen, vormt zich een primitieve maatschappij.
De pioniers trekken vanuit het zuiden en het oosten West-Brabant binnen.
Ze vestigen zich langs beekjes en op hoogten die de beken van elkaar scheiden.
Een paar hutten vormen een gehucht, amper een dorp. Vanuit Vlaanderen en
het verre Ierland wordt de streek bezocht door missionarissen. Zo krijgt
het christendom hier weer een voet aan de grond. Het brengt ook de middeleeuwse
gewoonte om belangrijke goederen, soms hele dorpen, aan kerkelijke instellingen
te schenken.
In het nog kleine dorp heeft de man met de meeste koeien de meeste praatjes.
Hij bouwt een palissade om zijn hut en verbreedt de sloot tot een gracht.
Of hij zoekt een heuveltje en bouwt er een versterkte boerderij. Hij noemt
zich voortaan heer. Zijn bezit heet nu heer-lijkheid. Hij bouwt een kapel
en int belastingen van onderdanen. Van elke tien lammetjes is er een voor
de heer en ook een van iedere tien schoven graan, om de kapel en de priester
te onderhouden.
Bruut geweld
Formeel hoort de streek tot het
Frankische koninkrijk of een van de latere deelrijken, maar de vorsten
hebben grote moeite om hun oppergezag te laten gelden.
Dat biedt aan lokale, ambitieuze heren ruimte om hun invloed uit te breiden.
Vriendelijke allianties, bruut geweld, het inzetten van kloosters en het
uitkopen van oude rechten zijn de middelen die daarbij worden ingezet.
De graaf van Vlaanderen, de hertog van Brabant en de graaf van Holland
komen als grote winnaars te voorschijn. Het graafschap Zeeland is de verliezer,
een speelbal tussen Holland en Vlaanderen, zonder eigen graaf, verknipt
en verscheurd langs de loop van de middeleeuwse Schelde.
Westelijk Noord-Brabant behoudt rond 1200 een erg zelfstandige positie:
het zuiden als land van Breda binnen Brabant en het noorden als heerlijkheid
Strijen binnen Holland.
In Zeeland en langs de noordrand van Vlaanderen en bij Antwerpen bouwen
de boeren vanaf 1100 de eerste dijken om hun land tegen het buitenwater
te beschermen. Als dat niet afdoende blijkt, knopen ze die kleine poldertjes
met dijken aan elkaar. Niet altijd houden de boeren het vol om hun land
te verdedigen. Soms spoelt het weg in zee, soms wordt het verlaten land
door de graaf overgedragen aan kloosters; als die de dijk maar weer herstellen.
Heel wat Vlaamse kloosters bouwen zo een groot maar moeilijk bezit in de
Zeeuwse en Vlaamse kleigebieden.
Tussen die kleizone en het zand van Vlaanderen ligt nog steeds een brede
strook veen, zoals in het huidige West-Brabant.
Turfvaarten
Westelijk Noord-Brabant kan in
de jaren 1250-1300 als een Vlaamse veenkolonie beschouwd worden! Waar zout
zeewater het veen bespoelt, wordt zout geproduceerd; elders richt men zich
op turf. Een groot deel van deze producten wordt verscheept naar de toen
sterk bloeiende Vlaamse steden.
West-Brabant raakt doorsneden met turfvaarten en ook in Zeeuws-Vlaanderen
vinden we er nog resten van. Zout en turf worden de belangrijkste exportartikelen
van deze streken. Steden als Hulst, het later verdronken Reimerswaal, maar
ook Zevenbergen, Oudenbosch en Steenbergen ontlenen er hun welvaart aan.
Die activiteiten leiden tot wateroverlast en waardedaling van de grond.
Buitendijks worden beschermende schorren afgegraven zodat de dijken open
komen te liggen voor de zee. De grondbezittende adel beseft dat maar al
te goed. Steeds opnieuw is er echter de financiële verleiding om een
ontheffing van het verbod op turfgraven te verlenen. Vooral in de Noordwesthoek
is mooi te zien hoe dat leidde tot het geleidelijk oostwaarts opdringen
van de zee.
Is het in 1288 nog erg ongebruikelijk dat er bij Wagenberg bij stormvloed
dode schapen aanspoelden, in 1390 ziet men zich genoodzaakt om een zeedijk
te leggen van Wagenberg naar de Helkantse Dijk om volstromen van het oostelijker
gebied te voorkomen.
In het lage gebied van de Noordwesthoek en noordelijk Vlaanderen verdwijnen
de venen door afgraving en wegspoelen. Klei komt ervoor in de plaats. Zeeuws-Vlaanderen
en West-Brabant zijn nog altijd de regio's van de verdwenen venen. In het
Brabantse zandgebied worden de venen ook weggegraven, maar daar komt dan
meestal een zandbodem te voorschijn.
Vanaf circa 1280 worden in deze streken voor het eerst de bakstenen gemaakt.
Onder het zand zit vaak hele oude klei en op het zand ligt nog veen. Turf
en klei: dat heb je nodig om stenen te bakken. Kerken, kastelen en vanaf
1330 ook stadsmuren vreten stenen. Het boerenlandschap zal pas later, vanaf
1500, verstenen.
Steden
Eerst voorzichtig maar allengs
met energie en ambitie komen rond 1200 de steden op. De landsheren geven
bescherming en voorrechten in ruil voor invloed. In sommige steden steunt
de economie erg op zout en turf, in andere is het karakter als regionale
markt en in/uitvoerhaven van overheersend belang. Bergen op Zoom pikt,
dankzij de Schelde, een graantje mee van de grote Antwerpse jaarmarkten.
Rond 1500 wordt er op het zand weer op kleine schaal ontgonnen. Van lieverlede
ontstaan er nieuwe gehuchten, vaak op de rand van de heide en met een sprekende
naam als Heikant.
De heren van Breda en Bergen op Zoom hebben zich in de hiërarchie
van de Nederlanden flink opgewerkt. Ze verruilen de oude kastelen voor
modieuze stadspaleizen en ze leggen pronktuinen aan. Zelfs gaan beide heren
er toe over om geheel nieuwe bossen te stichten: de Wouwse Plantage in
1504, het Mastbosch in 1515. De stad Breda schudt haar middeleeuwse stenen
jas uit om zich in ruimere en modern opgezette wallen te hullen. De naäpende
lagere adel tuigt oude huizen op tot fraaie buitens. Dat wordt het begin
van onder andere het landgoederenlandschap rond Breda.
Heideterreinen
De Tachtigjarige Oorlog ontvolkt
grote delen van westelijk NoordBrabant voor goed een kwart eeuw. In het
Twaalfjarige Bestand dorst men pas weer echt naar de dorpen terug te keren.
Veel moet herbouwd worden, veel land eigenlijk opnieuw ontgonnen. Princenhage
bedingt een vrijstelling van belasting op huizen, omdat die zo zwaar geleden
hadden.
Toch worden tijdens het Twaalfjarig Bestand tal van initiatieven ontplooid,
zowel op economisch gebied als in de sfeer van ontginningen. Vanaf 1648
zet die ontwikkeling zich door. Dan worden rond Breda bijna alle resterende
heideterreinen ontgonnen en krijgt het landgoederenlandschap zijn ware
omvang.
Oldenbarnevelt
In het noorden van Vlaanderen,
het latere Zeeuws-Vlaanderen, zijn de steden inzet van de oorlog met bijbehorende
inundaties. Merkwaardigerwijze kon juist in deze periode een groot deel
van de Brabantse Noordwesthoek herdijkt worden. Het kapitaal komt veelal
uit Holland.
De zuinige Jacob Cats steekt zijn geld in bedijkingen in West-Zeeuws-Vlaanderen.
Olderbarnevelt belegt voor zijn ouwe dag in de polders van Dinteloord en
Noord-Beveland. Voor hij zijn pensioen kan incasseren, doet prins Maurits
zijn hoofd op het hakblok belanden.
De dorpen in de nieuwe polders worden volgens strak stedenbouwkundig plan
opgezet. Zo krijgen zowel Dinteloord als Colijnsplaat een lange rechte
Voorstraat. De meeste dorpen bereiken snel hun grenzen, bepaald door de
exploitatie van de omgeving. Een klein aantal nederzettingen groeit door.
De steden combineren een aloude functie als centrum van bestuur met die
van handels- en verkeersknooppunt. Er zijn dorpen (Nieuw-Gastel, Zonzeel,
Niervaart, Standhazen, Dubbelmonde) en zelfs steden, neem Saaftinge en
Reimerswaal, die compleet van de kaart worden gespoeld. Eigenlijk staat
het voorheen natte deel van Zuidwest-Nederland al kort na de Gouden Eeuw
in grote lijnen op de kaart. Nog één keer veroorzaakt het
water een grote verandering. Dat gebeurt na 1953 met de uitvoering van
het Deltaplan.
Bomen planten
Op de Brabantse zandgronden begint
men na de Vrede van Munster (1648) bomen aan te planten. Woeste gronden
zijn nutteloos. Zet er maar bos op! In cultuur brengen ten behoeve van
landbouw lukt niet door het mesttekort op de zandgronden.
Rond 1850 zien we in de bossen van de Baronie van Breda een verandering
van loofhout naar dennen: de mijnen in Limburg hebben stuthout nodig. In
het open gebied rond Breda zien we na 1800 een zich ontwikkelende tuinbouw.
Als na 1900 de kunstmest betaalbaar wordt, verandert veel bos en hei in
landbouwgebied.
Tot in de jaren zestig blijven schoolboekjes trots melden dat Nederland
zijn 'woeste grond' voortvarend ontgint. Daarna praten we ineens over natuurbehoud.
Wat overblijft aan woeste grond wordt heilig verklaard en is nu vooral
in handen van 'natuurbouwers'.
Voor de toeschouwer-bewoner van de West-Brabantse zandgronden betekent
het een radicale verandering. Tot 1960 leven de mensen van de zandgronden
in een gesloten landschap. Het bos en de heg van weleer worden vervangen
door geëlektrificeerd prikkeldraad in een open landschap.
Bedreiging
Nog elke dag verandert onze omgeving.
Het water, zowel zoet als zout, boetseerde ooit het landschap van Zuidwest-Nederland.
Dat hebben we onder controle. Toch verdwijnen er anno 1999 nederzettingen
en mooie landschappen.
Het zijn dozijnen bestuurders die, agressiever dan de zee, met hun eigen
bouw- of industrieterreintje het open landschap wegwissen. Niet het water,
maar verstedelijking en de industriële grondzucht vormen de belangrijkste
bedreiging van het hedendaagse landschap.
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl