Hij schuift de IJstijd als een
papiertje over de keukentafel. Het papiertje plooit.
Tijdens de laatste IJstijd zijn zandlagen opgestuwd vanuit het noorden.
Zo is de Kempen ontstaan. Zo zijn de hoge stukken van Zeeuws-Vlaanderen
ontstaan: zandruggen die parallel aan elkaar liggen. Op een van die ribbels
ligt Hulst, een lage zandbult van zuidwest naar noordoost. Ook dorpen als
Heikant, Koewacht, Zuiddorpe, Nieuw-Namen en Clinge liggen op zulke ruggen,
allemaal zuidwest, noordoost. Dat kun je zo op de kaart zien."
Amateurarcheoloog Sjef Steijns dwaalt graag door de donkere kelders van
de geschiedenis. Hij praat over de overheersende koude noordenwinden die
tienduizenden jaren geleden over dit land joegen: "Die schrale winden
stoven weer zand op die ruggen; uitgeloogd, wit zand. Dat vinden we nu
nog terug op plaatsen aan de zuidgrens van ZeeuwsVlaanderen. Langgerekte
zandeilanden in een vochtig veengebied. Zo moet het ongerepte ZeeuwsVlaanderen
er uit hebben gezien. Opgeschoven en opgestoven. Dat is de basis van Hulst."
Daar, op een plek waar een oude
kreek of beek de zandrug doorsneed, is meer dan duizend jaar geleden het
begin van Hulst geweest. Het moet ongeveer zo gegaan zijn: door overstromingen
groeit er een stroompje uit tot een volwassen getijdengeul. Later zelfs
tot een klein estuarium, een soort delta. Die slibt vervolgens weer dicht
en wordt tot de huidige Hulster Havengeul gereduceerd. In de stadsgracht
die op dit water aansluit, mondt in de Middeleeuwen aan de zuidkant een
turfvaart uit. Die smalle waterweg maakt het turftransport van Hulst naar
Clinge mogelijk.
Een tweede turfvaart, de Moervaart, nadert de stad uit het oosten. Die
vaart ontsluit het daar gelegen Hulsterse Moer en komt ten noorden van
de stad in de havengeul.
De `zandrug van Hulst` ligt aanvankelijk in een veengebied. De rug vormt
lang een natuurlijke scheiding tussen het zoute milieu in het noordwesten
en het zoete milieu in het zuidoosten. Ter plaatse van Hulst bestaat mogelijk
al rond 800, maar in ieder geval rond het jaar 1000 een nederzetting.
In 1180 krijgt Hulst van de Vlaamse graaf Philips van den Elzas stads-
rechten. Van zichtbaar religieus leven is al in 1108 sprake als bisschop
Burchard van Utrecht de `capellum de Hulst` vermeldt.
In die tijd worden ook de eerste
fundamenten gelegd van de monumentale Sint Willibrorduskerk. Het werk zou
meer dan driehonderd jaar duren. `In liefde gebouwd 1220-1534`, staat op
een gedenkplaat die in de kerk is aangebracht.
De ligging aan de waterweg naar De Honte, nu Westerschelde, maakt een prille
stedelijke ontwikkeling mogelijk. De historisch geïnteresseerde stedenbouwkundige
Rottier gaat er vanuit dat er in het midden van het huidige Hulst, omgeving
Steenstraat, een centraal, opgehoogd terrein was van één
tot twee hectare. Deze `centrale burcht` zou met palissaden en een gracht
omgeven geweest zijn.
Buiten dit terrein vermoedt hij agrarische bedrijvigheid. De ontwikkeling
en het verval van de burcht leidden volgens Rottier tot het betrekkelijk
chaotische stratenpatroon in het centrum van Hulst.
"Een burcht?", zegt Steijns, "alleen vermoedens hoor. Er
zit een puinkegel rond de Markt, maar is dat een burcht geweest? We hebben
er, tot nu toe, geen enkel archeologisch bewijs van gevonden."
Ondernemende boeren geven het ontluikende stadje een achterland. Ze laten
laaggelegen land rond Hulst bedijken en stichten hoeven in de jonge polders.
Naarmate dijkbreuken en overstromingen hun beurzen legen, komen veel gronden
in handen van draagkrachtige kerkelijke instellingen: het land mag niet
verloren gaan.
Wie de middeleeuwse stukken leest, ontdekt dat ook de heren paters van
de concurrerende abdijen klassieke ruzies uitvochten over stukjes grond
of over de rechten op een dijk of een watergang.
Hulst groeit vooral als centrum van zoutindustrie en lakenhandel. Om dat
zout te produceren wordt turf gestoken in de door zee overstroomde veengebieden.
De zoutzieders stapelen de plaggen turf in een halve cirkel op om ze te
drogen en daarna te verbranden. Het zout dat in het veen zit, overleeft
het vuur en belandt in de as. Deze zogenaamde zelas wordt naar de zoutketen
vervoerd. Die staan in en rond de stad Hulst. Sporen van die werkplaatsen
zijn hier en daar teruggevonden. Door een slim indampingsproces weten de
zoutzieders vervolgens goed zout te produceren.
Na 1450 verloopt deze traditionele nijverheid. Veel leden van het Hulster
zoutziedersgilde schakelen over op de raffinage van goedkoop ruw zout,
dat onder meer uit de Golf van Biskaje wordt geïmporteerd.
Tijdens de hoogtijdagen van het
veenzout telt Hulst veertig zoutketen. Ze laten een in onze ogen enorme
vervuiling achter in de bodem. Steijns: "Aan de noordwestkant, binnen
de wallen zit een zoutaslaag van drie meter dik, roestbruin tot grijs spul.
Dat is het afval van die zoutmannen." Hulst is altijd de hoofdplaats
van het Hulster Ambacht geweest. Het is een van de vier ambachten die in
1242 een gezamenlijke keure krijgen. Dat betekent dat bestuur, rechtspraak
en waterschapsregels identiek worden. Als stad en hoofdplaats van een regio
krijgt Hulst ook strategisch belang.
In 1453 wordt Hulst deels vernield door de Gentenaars. De stad ligt er
aanvankelijk onbeschermd bij. Op de kaart die Jacob van Deventer in het
midden van de zestiende eeuw van Hulst maakt, lijkt de stad ommuurd.
De Tachtigjarige Oorlog heeft een ingrijpende invloed op Hulst en de directe
omgeving. In de jaren 1583 en 1584 wordt het middeleeuwse landschap door
militaire activiteiten snel opgeruimd. De strijdende partijen zetten om
beurten het land onder water. Dat leidt tot geleidelijke opslibbing van
de streek. Hulst wisselt regelmatig van bezetter.
In 1591 landt Prins Maurits met een leger bij Ossenisse, verovert de stad
en jaagt nonnen, paters en al wat katholiek is de poort uit. In het verre
Spanje bekijkt Philips II zijn stafkaarten en ziet hoe belangrijk Hulst
en Bergen op Zoom zijn, omdat ze mede de toegang tot Antwerpen, de Westerschelde
bewaken.
In 1596, tijdens een verschrikkelijk beleg van zes weken, verandert Hulst
in een eigentijds Mostar. Albertus van Oostenrijk schiet 30.000 granaten
op de stad af. Hulst ligt voor driekwart in puin. Nog altijd kunnen we
in de stad een getuige van dat verschrikkelijk bombardement zien: de resten
van de toen kapotgeschoten en nu in restauratie zijnde Keldermanspoort.
De beschieting toont aan dat stadsmuren als verdediging hun langste tijd
gehad hebben. De Spanjaarden begrijpen dat goed en voorzien de stad van
aarden wallen waarin toekomstig kanonvuur zal smoren. Dat gebeurt tijdens
het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) als beide partijen de accu opladen
om de oorlog voort te zetten.
In die jaren ontstaat de vesting
Hulst zoals we die nu kennen en werd een begin gemaakt met herdijking van
het zwemmende land. Van 1586 tot 1609 ligt er namelijk aan de westzijde
van Hulst ‚‚n grote watervlakte. Slechts een enkele dijk, de Steenschendijk,
verbindt Hulst met het zuidelijk gelegen Land van Waas.
Staatse troepen graven gaten in die dijk, maar de herovering van Hulst
door de Spanjaarden voorkomt dat ook die laatste dijk bezwijkt. De dijk
is vooral van betekenis omdat ze belemmert dat het water van de Braakman
ten zuiden van Hulst in contact komt met het Verdronken Land van Saeftinghe.
Hulst zelf, dat nu op de zuidpunt van een eilandje ligt, is tot een poldertje
gemaakt dat met een enkele watermolen droog kan worden gehouden.
Tientallen jaren zal Hulst in het frontgebied blijven liggen. Dat heeft
tot gevolg dat heel het verdronken en droge land rond Hulst wordt bedekt
met een dicht netwerk van forten en schansen. Elk nieuw Staats fort lokt
een de bouw van een Spaans fort uit en omgekeerd.
In 1644 rukt stedendwinger Frederik Hendrik op vanuit Knokke, een onverwachte
hoek. Hij marcheert op door Vlaanderen en komt bij Hulst pas de eerste
Spanjaarden tegen. De inname van Hulst (1645) door de Staatsen is de laatste
grote verovering van de Tachtigjarige Oorlog. "Nu is de tuin gesloten",
laat Frederik Hendrik noteren en hij bedoelt de tuin van Holland. Een paar
jaar later (1648) tekenen de strijdende partijen de vrede.
In later eeuwen blijft Hulst toch een frontstad. In 1702, 1747 en in 1794
staan er opnieuw vreemde legers voor de poorten. In oktober 1830 rukken
Belgische vendels de stad binnen, een bezetting die een week duurt.
Na 1900 ontwikkelt Hulst zich als een verzorgend centrum met textielnijverheid
en bierbrouwerijen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt Hulst meer een boter-
en seksstad. Tegelijkertijd weet de stad op een aantrekkelijke manier van
een woelig verleden een toekomst te maken. Sjef Steijns, die als stadsgids
toeristen door Hulst rondleidt: "De mensen zijn vaak totaal verbaasd.
Iedereen kent de vestingsteden Naarden en Heusden, maar bijna niemand weet
dat er in het zuidwesten van Nederland nog zo`n puntgave vesting ligt."
Om verder te
lezen: Over den vier ambachten, A.J.M. de Kraker e.a.
Om te bekijken: Streekmuseum De Vier Ambachten, Steenstraat 28, Hulst
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl