Den Hout!
Dat is het verhaal van de moeder die opgegeten wordt door het kind.
Het verhaal van het dorp dat straks misschien alleen nog bestaat als een
groen aangeklede sociale herinnering.
"We worden omsingeld", zegt Bernard van Oerle. De dorpshistoricus
maakt zich vooral zorgen over morgen.
Den Hout, misschien wel
het mooiste dorp van Brabant, heeft meer verleden dan toekomst, verwacht
Van Oerle.
Op de Houtse Heuvel fluisteren de kastanjebladeren het verhaal van gisteren.
Van ridders, van de kluizenaar van de heilige eik. En wie goed luistert,
hoort misschien wel het dobbelen van luidruchtige Romeinse legionairs.
Den Hout is oud.
Misschien woonden er 500 jaar voor Christus al mensen op deze zandrug.
Hun werktuigen, uit de ijzertijd, zijn in de buurt gevonden. Net als de
overblijfselen van Romeinse aanwezigheid. Vonkjes licht uit een ver donker
verleden.
Losse fragmenten zonder verhaal, want deugdelijk onderzoek heeft er nog
niet plaatsgevonden. Omstreeks het raadselachtige jaar 273 verdwijnt alle
leven uit deze redelijk drukbevolkte streek, veel meer weten we niet.
Den Hout ligt in het westen van
de gemeente Oosterhout op een rug die van Turnhout, +30 meter NAP, over
Baarle richting Made loopt. Op de heuvel van Den Hout is het nog +4 meter
NAP. Verder noordwaarts bij Made zakt het zand weg tot -2 meter NAP, onder
de zee- en rivierklei die daar in de Middeleeuwen is afgezet.
Wie van Den Hout naar het westen rijdt, omlaag tussen de weilanden, bevindt
zich op een middeleeuws industrieterrein. Hier lag vroeger veen. Daar stookten
de Zeeuwen hun huizen mee warm. De handel in turf was in handen van de
Norbertijner-abdij in Middelburg. Het land hier heet nog steeds het Munnikenhof.
Toen het veen verdween, ontstond er moeras.
Het gebied ten oosten van Den Hout, waar nu industrie en woningbouw oprukken,
was eerst een moerassig, venig bosgebied. Boeren maakten er grasland van,
maar in 1421 raakte het overstroomd door de Sint-Elisabetsvloed. Het water
legde er in de jaren daarna een kleilaagje neer. Later volgde een nieuwe
inpoldering.
In de tijd dat de heidense koning
Clovis zich bekeert tot het christendom (500 na Chr.) verschijnen er nieuwe
bewoners op de zandrug bij Den Hout. Uit vondsten in de zandwinputten langs
het Markkanaal blijkt dat ze er nog zijn als Karel de Grote regeert, rond
800.
Den Hout is nu een dorp met vrijstaande huizen en sierboerderijen gedekt
door rieten daken. De gerestaureerde hoeven staan in zondagse gazons met
achter de smeedijzeren punthekken op het wit grint hier en daar een damesauto.
Je moet je best doen om in Den Hout nog mest te ruiken.
"Vroeger waren het hier allemaal boeren", vertelt Van Oerle.
"Met zeven koeien was je al een grote boer, de keuterboertjes moesten
het met drie koetjes en een paar kippen doen. Het was slechte grond. De
goeie grond begon bij Oosterhout en liep tot aan 's Gravenmoer. Daar verdronk
je weer in de bagger. De naam zegt het al: daar was het allemaal moeras."
Het mooie driehoekige plein van Den Hout met de waterpoel, de kris-kraspaadjes
en het bladerdak van kastanjes, eiken en beuken is een schoolvoorbeeld
van een Kempische 'plaatse' of dorpsplein.
Historici dachten altijd dat dit soort dorpen door de Franken waren gesticht.
Inmiddels is wel duidelijk dat de vroegste nederzettingen onder oud akkerland
liggen, nu het buitengebied van de Houtse Akker ten zuiden van het dorp.
Dat is met de eerste versie van Den Hout mogelijk ook het geval.
Het plein dat Den Hout zijn bekoorlijkheid geeft, dateert waarschijnlijk
uit de dertiende eeuw. Het is een redenering met een slag om de arm, gebaseerd
op voorbeelden van elders, omdat er rond Den Hout nooit nederzettingsonderzoek
is gedaan.
Aan de zuidkant grensde de Houtse Akker aan de Vrachelse Heide. Wie er
nu rondkijkt, kan er de geschiedenis uit het landschap lezen. Nu is het
bos, maar vóór 1900 was het heide. De hoogten en laagten
tussen de bomen zijn oude zandverstuivingen.
Het zand dreigde de Houtse Akker onder te stuiven. Boeren plantten een
heg van eiken om hun grond. De heg hield het zand vast. De eikenboompjes
groeiden mooi mee en zo ontstond een typische akkerrandwal, een hoge stuifrug
die op veel plaatsen in Brabant oud akkerland scheidde van stuifzandgronden.
De bewoners van Den Hout zullen het wellicht niet beseffen, maar hun dorp
ligt scheef. Het zakt van +4 meter NAP in het zuiden naar +2 meter NAP,
in het noord-oosten, waar de oude grasbeemden beginnen.
Het plein met de bomen is breed aan akkerzijde en versmalt naar het noorden.
Daar liep vroeger een honderd meter brede baan. Dergelijke brede toegangswegen
komen we ook tegen in het oude Princenhage (Bredestraat), in Etten (Hooidijk)
en in Hoeven (Oude Dijk-Scheiloop).
Boeren gebruikten de baan om er door drassige karrensporen hun met hooi
beladen wagens naar het dorp te brengen. Over dit brede pad dreven ze na
het hooiseizoen hun vee naar de beemden, terwijl ze het 's avonds weer
in het dorp verzamelden. Zo is mogelijk 'de brink' van Den Hout ontstaan:
een veeverzamelplaats als gemeenschappelijk bezit.
Nog altijd is het plein het gedeelde eigendom van de omwonenden. De dreef
en de Houtse Heuvel maakten honderden jaren deel uit van een historische
'snelweg': de oeroude landweg die van Antwerpen over Breda naar Geertruidenberg
leidde.
Den Hout ligt in de gemeente
Oosterhout. Je hoort ze in Oosterhout brommen, maar historisch gezien zou
een naam als 'gemeente Den Hout' meer op zijn plaats zijn, want let eens
op de namen. Oosterhout draagt een naam die verraadt dat Den Hout er als
oriëntatiepunt eerst was.
Het centrum van Oosterhout ligt inderdaad pal oostelijk van Den Hout. Blijkbaar
is Den Hout de oudste kern en de moeder van Oosterhout.
In de Middeleeuwen, mogelijk rond 1100 al, is ver buiten Den Hout een kerk
gebouwd waaromheen later Oosterhout is ontstaan. Den Hout moest het met
een kapel doen, gebouwd in 1385. Naast de kapel verrees een gasthuis waar
verplicht zeven bedden vrij gehouden moesten worden voor onaangekondigde
reizigers. Een eis die duidt op druk handelsverkeer. Den Hout lag toen
immers aan 'de grote weg'!
In die tijd vestigde Willem van Duivenvoorde, heer van Oosterhout, zich
in het kasteel dat in 1288 op 550 meter ten noorden van de kerk gebouwd
was. De resten van dat kasteel kennen we nu als de Slotbosse Toren. Daarmee
lag het kerkelijk en bestuurlijk machtscentrum al direct op de plaats waar
het zich nu nog bevindt, in Oosterhout.
Den Hout kent nog één
getuige van wat zich hier in het verre verleden heeft afgespeeld. Dat is
de heilige eik. Die boom stond er al toen de gewiekste politicus en financier
Van Duivenvoorde nog geboren moest worden en toen de paus nog kruistochten
organiseerde. De boom aan het einde van de Achterstraat moet, zo hebben
boomdeskundigen vastgesteld, rond 1250 geplant zijn. Op een kwade dag sloeg
de bliksem in de stam en brandde de kern weg. Een kluizenaar, zo wil het
verhaal, nam zijn intrek in het geblakerde binnenste en sleet er zijn jaren.
Het is een boom met oerenergie. Mensen die geloven dat ze uit bomen kracht
kunnen putten, gaan er regelmatig buurten om spiritueel bij te 'tanken'.
Zevenhonderdvijftig jaar oud, een huid die niet meer is dan wat taaie bast,
maar op de kop groeien de weelderige lokken van een jonge meid. Van Oerle:
"Elk jaar weer in volle bloei. Die eik kan wel duizend jaar worden."
Of Den Hout dat haalt, is maar de vraag. Al jaren lang sloffen en schuifelen
Oosterhoutse politici rond Den Hout. De enige standvastigheid van alle
'breed doorgesproken' plannen is dat Oosterhout onophoudelijk de deken
van weilanden openscheurt en nu al tegen Den Hout aanbouwt en dat de industriezone
een belegerende beweging om het dorp maakt.
Van Oerle vindt dat Oosterhout maar slordig met haar wieg omspringt: "Oosterhout
met al zijn uitbreiding overwoekert ons. We eindigen straks als een wijk
van Oosterhout. Toch zijn wij de moeder. Wie het verleden van Oosterhout
wil zien, moet in Den Hout zijn." Na alle schande van de nooit uitgevoerde
archeologische nederzettingsonderzoek zou het Oosterhout sieren om, voorafgaand
aan en gekaderd in de uitbreidingsplannen, net als Breda eens een goed
onderzoek naar haar voorgeschiedenis te doen.
Om verder te lezen:
-Tijdschrift van de Heemkundige Kring Oosterhout.
-F.A. Brekelmans. De Hazeldonkse Aard te Rijsbergen in: Jaarboek De Oranjeboom
10 (1957).
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl