Breda: hoe een boerendorp stad werd

Ze moeten vaak natte voeten gehad hebben, die eerste bewoners van Breda. Ze woonden aan een dalletje waar twee riviertjes bij elkaar kwamen. Misschien was er een doorwaadbare plaats. Met hoeveel mensen ze daar leefden? Niemand weet het. Op een dag ergens in de donkere Middeleeuwen waren ze er gewoon, daar aan de samenvloeiing van de Mark en de Aa of Weerijs. Ze leefden ecologisch volmaakt verantwoord. Ze lieten althans geen sporen na. Op het ontmoetingspunt van de twee riviertjes kun je nu spijkers en decoupeerzagen kopen, maar in de kelders van de ijzerzaak van Van Baarle en Riel zitten nog de resten van de Tolbrugpoort.

De 'dalen' van de twee riviertjes vormden, op de plek waar nu dit hart van Breda ligt, eigenlijk een breed dal van 800 meter, een strook land die regelmatig blank gestaan heeft.
Zo bezien is de gedachte dat de naam Breda niets anders betekent dan 'brede Aa' zo gek nog niet. Daar op een strategische plek, juist benedenstrooms van de samenvloeiing, verdiende de Heer van Breda zijn inkomen als tolgaarder. Daar werd een brug met een lange dijk dwars door het dal, de Haagdijk, gebouwd.
Waar een tol is, is vervoer. Vervoer is handel en waar gehandeld wordt, is drukte en een drankje. Daar staat een herberg. Daar worden onderkomens gebouwd die uitgroeien tot vaste verblijfplaatsen. Zo zijn in Nederland op kruispunten van vaarwegen en bij doorwaadbare plaatsen veel nederzettingen ontstaan. Voordat de Haagdijk en de Tolbrug gebouwd waren, stak men zuidelijker in het dal van het nog ongeboren Breda de twee rivieren over. Komend van Antwerpen moest men aanvankelijk met opgetrokken rokken op een plek waar de Aa niet diep was, bij de Oranjeboomburg, naar de overkant. Vandaar ging het naar de oversteekplaats in de Mark die bij Huize De Werve lag. Zo kon men zijn weg vervolgen over Heusdenhout en Teteringen naar Den Hout en Geertruidenberg.
Door de aanleg van de Haagdijk werd dit verkeer dus naar Breda getrokken. Daar kon men immers zonder natte voeten naar de overkant, al moest voor dat genoegen wel tol worden betaald.
Het oudste deel van Breda moet op de hogere, drogere gronden worden gezocht, in de omgeving van de Markt, die tot 5 meter +NAP reikt. In die hoogte zit overigens wel een metertje gestapeld stadsvuil verborgen. Dat dateert uit de tijd dat er al wat weg te gooien en af te breken was in Breda.
Bodemonderzoek leert dat er eigenlijk sprake was van meerdere hoogten, gescheiden door een geul. Een zuidelijke rug liep vanaf de Markt naar de Kloosterkazerne.

Eerste windmolen

Op die rug, waar nu de stedelijke bibliotheek staat, stond ooit de eerste windmolen van Breda. De Grote Kerk en Het Kasteel van Breda, nu de Koninklijke Militaire Academie(KMA), stonden op de noordelijke hoogte en de overgang naar het lage natte terrein waartoe ook half het park Valkenberg behoort.
Andere vroege pleisterplaatsen in Breda waren de vismarkt, de korenmarkt, de haven, de lakenhal, de vleeshal en de waag. Bij het kasteel werd in de dertiende eeuw een begijnhof gebouwd.
In de streek rond Breda zullen rond 1100 niet meer dan wat kleine agrarisch georiënteerde nederzettingen zijn geweest: enkele verspreide hoeven en hutjes. Wie de meest grond verzamelde of simpelweg een stuk wildernis in het omliggende parklandschap al of niet met geweld annexeerde, verkreeg macht en klom omhoog in de lokale hierarchie.
De boerderij werd een versterkte hoeve en de boer werd 'heer' met een heerlijkheid. Zo ontstond de eerste elite, de pre-feodale adel. De Heer van Breda lijkt ook zo'n agressieve hereboer, maar hij moet toch veel belangrijker geweest zijn. Dat maken we op uit de grote bezittingen en bevoegdheden die hij elders in Brabant, in Zeeland en in Vlaanderen rijk was.
Vanuit zijn burcht in Breda probeerde hij in het midden van de twaalfde eeuw kennelijk al een regionaal gezag uit te oefenen. Vermoedelijk heeft hij rond 1200 het boerendorp aan de rivier een duwtje in stedelijke richting gegeven.
Rond 1198 is er al sprake van een kasteel, terwijl zestien jaar later gesproken wordt van een 'oppidum'. Dat duidt op een samenhangende nederzetting die al wat pré-stedelijke rechten heeft.

Hoefijzervorm

In 1252 blijkt dat die nederzetting intussen een echte stad geworden is. Een vredige buurt was het niet, want rond die tijd werd het prille stadje omwald in een hoefijzervorm met de open zijde aan de westkant, omdat daar de Mark afdoende bescherming bood. Je kon Breda binnen via de Tolbrugpoort, via de zuidelijke poort(richting Ginneken) en via de oostelijke poort(richting Teteringen). De noordwal kende geen poort, omdat daar moeras lag.
Vreemdelingen kregen onderdak in het gasthuis net buiten de oostelijke poort: de Gasthuispoort. De stad ontwikkelde zich langs die drie routes: het Gasthuiseinde (nu Boschstraat), het Haageinde (Haagdijk) en het Ginnekenseinde (Ginnekenstraat). De Haagdijk lag eigenlijk niet eens in Breda, maar in Princenhage: een herinnering aan de Mark als grensrivier van Breda.
Het doorgaand verkeer (koeien, schapen, ganzen, losse en ingespannen paarden, varkens) moest vanaf 1290 kasseigeld gaan betalen, uiteraard om de bestrating te bekostigen.

Onrust

In de jaren 1332-1334 heerste onrust in deze streek. Het hertogdom Brabant, een zelfstandige staat, had ruzie met alle omliggende vorstendommen. Breda, toen met de hertog zelf als heer, wapende zich en kocht een serie lepelblijden, werptuigen om stenen kogels over de muur te smijten.
De aarden wal werd versterkt met een muur en halfronde stenen toren. De stenen werden in stedelijk beheer gebakken. Daartoe kocht Breda leemgrond bij De Leur. Antwerpse turfbazen hadden daar juist vaarten laten graven om turf af te voeren: de Brembergse en Leurse Vaart naar de Mark.
Zodoende beschikte Breda over de grondstof leem, brandstof voor steenovens en over transport te water tot aan de bouwwerf. Steenvletter Thomas Lambert haalde de stenen op bij de Leurse steenbakker Jan de Timmerman en voer ermee naar Breda.
De stad liet ook in de buurt van Ginneken stenen bakken. Het vervoer van daaruit met karren over rulle zandwegen, verliep wat minder handig. Uit Bergen op Zoom arriveerde een konvooi van veertig wagens kalk. De eerste steen voor de nieuwe muur werd gelegd in de buurt van De Beyerd.
Hertog Jan III kwam vesting en afweer persoonlijk inspecteren op 24 augustus 1333. U kunt de inspectie zelf nog eens overdoen: resten van muur en torens zijn bij de meubelzaak van Hendriks in de straat zichtbaar en een stukje opgemetseld. In afwijkende steen is aangegeven hoe daar de oude poort in verwerkt is. De put in het er tegenover gelegen restaurant, het opgemetseld muurwerk in het Valkenberg en de resten in de kelder van Van Baarle en Riel horen ook bij deze muur.
De nieuwe muur volgde de oude wal. De 'buitenwijken', stadseinden, bleven zodoende opnieuw buiten de versterking. Ze zouden pas bij een volgend fortificatie-project in 1540 binnen de muren komen te liggen.
De haven van Breda bestond aanvankelijk uit een los- en ligplaats op het einde van de Vismarktstraat. Tussen 1552 en 1563 construeerden aannemers aan de oostzijde van de Mark en bovenstrooms een solide kademuur. In 1613 gebeurde hetzelfde aan de overkant. Zo ontstond de haven, waaraan bij de feestelijke opening van de Bredase Turfvaart in 1618 een grootse toekomst toegedacht werd.
Nadat in 1937-1941 de Mark binnen de singels gedempt was, had de haven geen doorstroming meer. Hij werd een bron van stankoverlast en een onderwaterparkeerplaats van heel wat fietsen en bedden. Na de demping van die vieze haven in 1965 bleven een paar zielige kademuurtjes een autoparkeerhaven omzomen. De feitelijke haven verplaatste zich naar de omgeving van de suikerfabriek.
Terug naar toen. Rond 1618 verschenen de eerste windmolens op de wallen. Bij de belegeringen van Breda in 1625 (Spanjaarden) en 1637 (Frederik Hendrik) zouden die molens een geliefd schietdoel worden. Vooral de poedermolen, producent van buskruit, zorgde daarbij voor fraai vuurwerk.
Omdat Breda in de Tachtigjarige Oorlog een strategische rol speelde, werd de vesting voortdurend aangepast aan de nieuwste militaire inzichten. Ook nadien bleef de stad een sterk militair karakter houden. In 1682 volgde een ingrijpende verbouwing waarbij een deel van de Haagdijk moest wijken voor nieuwe versterkingen.

Barakken

De militaire bevolking van de stad huisde vooral in barakken, maar kreeg later grote, degelijke gebouwen als onderkomen. Sinds 1540 was de stad in feite opgesloten geraakt binnen de muren. Buiten de vesting mocht niet gebouwd worden, omdat het schootsveld vrij moest blijven. Tegelijkertijd bleef de bevolking drie eeuwen lang vrij stabiel met ongeveer 9000 inwoners. Pas na 1810 begon het inwonertal snel te groeien.
De nieuwe aanwas kon allen onderdak komen door het creatief gebruik van wat tegenwoordig in stadhuisjargon 'inbreidingslocaties' heet: het bebouwen van de laatste lege plekken, het toestaan van achterhuizen en het overdekken en volbouwen van achtersteegjes. De gemeentegrens van Breda volgde in 1830 zo strak de buitenste sloot van de vesting dat de eerste de beste uitbreiding al direct die grens overschreed. Het ging daarbij om twee bastions aan de kant van Princenhage: één bij de brandweerkazerne en één bij de Annakerk.

Bouwdoos

De aanleg van de spoorlijn en het station, binnen het schootsveld, vormde al een even groot probleem. Het station moest uit een bouwdoos komen, makkelijk af te breken met pen- en gat houtverbindingen. Zoals zo vaak gaan dergelijke noodvoorzieningen het langst mee. Pas na 112 jaar moest het in 1965 plaats maken voor een nieuw gebouw.
Toch schaamde Breda zich een beetje voor dat houten geval. Toen koningin Wilhelmina in 1905 de stad bezocht, lieten de heren bestuurders er een muurtje voor metselen. Zo moest het voor hare majesteit toch een beetje fatsoenlijk ogen.
In 1870 kon Breda zich van het eeuwenoude knellend harnas ontdoen. De vesting ging tegen de vlakte. Alhoewel de militairen grote stukken terrein behielden, kwam er binnen de singels ruimte vrij voor woningbouw en er buiten voor industriële activiteiten. Wel verrezen veel van die fabrieken formeel op grondgebied van Princenhage en Teteringen, zodat in deze landelijke gemeente meer stoompk's ronkten dan in het stedelijke Breda.
De woonbebouwing van Breda groeide spontaan richting Ginneken, naar de bossen. De mooiste aanleg in dat kader was de Boulevard, nu de Baronielaan, die tot het Mastbosch doorloopt. Tramverbindingen volgden de uitbouw en stimuleerden die tegelijkertijd.

Open netwerk

Tot de Eerste Wereldoorlog hadden de uitbreidingen vooral het karakter van een open netwerk van woonstraten. Tussen de twee wereldoorlogen, het Interbellum, ontstond in Breda een discussie over de groei van Breda en de bijbehorende stedenbouwkundige aanpak.
Dat resulteerde in de wijksgewijze aanpak van de uitbreidingen waarbij de stad steeds opnieuw tegen de krappe grenzen aanliep. Daarbij toonde Breda zich even agressief en landzuchtig als haar grondlegger, de Heer van Breda. Immers, van oorsprong had Breda niet veel meer ruimte dan de oorspronkelijke boeren-nederzetting. De buurgemeente Princenhage was qua oppervlak een reus vergeleken bij de dwerg Breda. De geschiedenis draaide de rollen om. Breda wist tussen 1927 en 1997 de buurgemeenten Princenhage, Prinsenbeek, Ginneken en Bavel en Teteringen geheel op te slokken. De stad groeide van 50.000 inwoners in 1940 tot 160.000 inwoners nu.

Om verder te lezen:
-Geschiedenis van Breda, drie delen.
-Jaarboek De Oranjeboom, 51 delen.
-Tijdschrift Engelbrecht van Nassau.

Adressen:
-Geschied- en Oudheidkundige Kring De Oranjeboom, Kortendonk 12, 4847 CM Teteringen.
-Heemkundige Kring Breda, Olympiastraat 24, 4818 TP
-Breda's Museum, Parade 12-14, 4811 DZ Breda (ingang Keizerstraat).

Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl

Terug naar overzicht


Copyright BN/DeStem/Uitgeversmaatschappij Zuidwest-Nederland BV, The Netherlands.
Niets op deze website mag worden verveelvoudigd, of worden opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige andere manier, hetzij op papier, hetzij digitaal, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van hoofdredactie en/of de uitgever.