Al heel lang draait het in de wereld om geld. Als het om het ontstaan van dorpen en steden gaat, dan moeten we eigenlijk alleen maar het spoor van het geld volgen en van de oude stukken die over geld gaan.
Met het schriftelijk vastleggen
van financiële transacties kondigen de secretarissen van de Middeleeuwen
vaak tegelijkertijd de geboorte van nieuwe nederzettingen aan. Dat zullen
ze zich toen niet bewust zijn geweest, maar het is makkelijk voor de geschiedvorsers
van nu.
Bavel is een typisch voorbeeld van een dorp dat in de marge van een financiële
akte opduikt in onze geschiedenis. Bavel viert dit jaar het feit dat het
zevenhonderd jaar geleden voor het eerst genoemd werd in een officieel
document. Dat stuk, opgesteld in mei van het jaar 1299, ging over de verdeling
van inkomsten uit de parochie Gilze. Niet alleen de pastoor van Gilze had
er mee van doen, maar ook de abdij van Thorn.
Onderwerp van discussie waren onder andere het recht om een tiende deel
van de oogst van Bavel, Tervoort en Lijndonk te mogen innen. Vierendertig
jaar eerder werd al eens een soortgelijk document opgemaakt, maar toen
was Bavel kennelijk nog niet noemenswaardig. Ergens in die periode moet
er iets gebeurd zijn waardoor Bavel als nederzetting plotseling enig belang
kreeg.
Dat is niet verbazingwekkend. In de periode van 1250 tot 1350 maakte westelijk
Noord-Brabant een enorme ontwikkeling door. Er ontstonden toen heel wat
dorpen en gehuchten. Bestaande wooncentra groeiden verder.
Bavel is er blijkbaar één uit die reeks. Het jubileum wordt
deze herfst gevierd. Dat nodigt uit tot wat extra aandacht voor Bavel als
volledig dorpsgebied.
Bavel beslaat een uitgestrekt gebied tussen Breda en Gilze, tussen Dorst
(dat tot Oosterhout behoort) en Geersbroek onder Ulvenhout. Voor zover
we weten, is er nooit een echte dorpskern geweest. Bavel is een typisch
voorbeeld van een gehuchtenzwerm, waarvan de bewoners samen een dorpsgemeenschap
vormden.
Dat patroon was heel algemeen op de Brabantse zandgronden. De mensen van
Bavel woonden in gehuchten als Kerkeind, Tervoort, Lijndonk, Lage Aard,
Bolberg, Eikberg, IJpelaar, IJpelaarseind en bij de kerk.
Bijna al die gehuchten bestonden uit een zwerm boerderijen en huizen zonder
een echte aaneengesloten concentratie van woningen. Dit nederzettingspatroon,
dat Bavel nog tot 1960 kenmerkte, wordt ook wel de 'nevelvleknederzetting'
genoemd.
Bavel ligt op de westelijke flank
van de rug die van Turnhout over Baarle, Alphen en Gilze naar Den Hout
loopt. In het zuidoosten ligt de bodem op ongeveer 9+NAP. Op de flank ontspringen
enkele beekjes die ruwweg naar het noordwesten stromen, maar die onderweg,
door dekzandruggen soms een tijdje in een andere richting geduwd worden.
De meest oostelijke van deze beekjes is de Molenschotse Lei.
Midden door Bavel loopt de Gilze Wouwerbeek, terwijl het westelijke beekje
bekend staat als de Broekloop. Deze nam bij Wolfslaar een beek op uit het
Bavelsbroek en heette van daaraf de Bavelse Lei. De Molenlei neemt het
water op van de Molenschotse Lei en de Gilze Wouwerbeek, maar ook de inhoud
van een beekje dat uit Beerschot bij Dorst komt. De Molenlei stroomt aldus
aangevuld verder westwaarts.
De gehuchten die samen het dorp Bavel gevormd hebben, liggen op ruggen
tussen de beken en op hoogten die hier meestal berg of donk genoemd worden.
De slecht ontwaterde stroken grond tussen die ruggen waren vaak moerassig.
Binnen de gehuchtenring Kerkeind, Kerk, Bolberg en Tervoort lag het lege
gebied De Beemd ingesloten.
De naam Bavel wordt verklaard als 'het bos van Bavo'. Maar wie is Bavo?
Vrome zielen zien er graag niemand minder in dan de Gentse Sint Baaf, u
weet wel, van die beroemde abdij daar. De archieven van die abdij zijn
goed bewaard en heel precies uitgeplozen, maar dat leverde helemaal niets
op dat naar Bavel verwijst.
De heilige Bavo was in onze streken bij de bevolking wel bekend. Op zijn
feestdag moest men vaak wat penningen aan de rentmeester van de Heer van
Breda betalen. Dat oude gebruik kwam in veel dorpen voor en had niet speciaal
met het dorp Bavel te maken.
Nu ligt er in het Belgische Rijkevorsel
ook een gehucht dat Bavel heet. Misschien biedt dat nieuwe gezichtspunten?
Het Rijkevorselse gehucht is ontstaan doordat bij de boerderij van de rijkste
boer uit de vijftiende eeuw wat knechtenvolk ging wonen.
Wie was die rijke boer die veruit de meeste belasting betaalde uit de hele
omgeving? Precies, ene Jan van Bavel! Of lezen we in de stukken misschien
Van Bouwel? Mogelijk is het een gemigreerde zoon uit ons Brabantse Bavel
geweest die het daar bij de zuiderburen goed deed?
Hoe dan ook, dat helpt nog niet om de naam Bavel te verklaren. Voorlopig
moeten we het er maar op houden dat het bos en dus het dorp, is genoemd
naar een vroegere boer Bavo. Om met de woorden van zanger Miel Cools te
spreken, zo eentje met 'een ring in zijn neus en een ring om zijn poot'.
De kerk in Bavel, dat is een verhaal apart. In zeven eeuwen hebben de katholieken
van Bavel op vijf verschillende plaatsen gekerkt. De eerste kerk van Bavel
lijkt in de omgeving van de huidige molen De Hoop te hebben gestaan.
Op het eind van Middeleeuwen, in 1488, werd de tweede kerk een eind naar
het zuidoosten gebouwd, waar nu nog een kerkhof ligt. Die kerk, gewijd
aan de H. Brigida zou vierhonderd jaar dienst doen. Niet alleen voor de
katholieken, maar ook voor de protestanten die er na het eind van de Tachtigjarige
Oorlog het bezit van kregen.
De zogenaamde godsdienstvrijheid van de Republiek dwong de katholieken
uit te wijken naar een schuurkerk. Ook het kasteel IJpelaar deed lange
tijd dienst als katholiek godshuis. In 1888 kwam de huidige kerk gereed,
weer op een wat andere plaats. Toch bleef er steeds een bindend element.
Al die eeuwen luidde in Bavel een en dezelfde kerkklok: de Brigidaklok
uit 1463.
De 'hoofdnederzettingen' van Bavel lagen in de negentiende eeuw bij de
kerk en bij de plek waar de eerste kerk gestaan moet hebben. Ze telden
respectievelijk twaalf en acht huizen en hoeven. Veel stelde dat dus niet
voor.
Tegen 1970 was die straat veel dichter bebouwd geraakt (thans zeventig
huisnummers). Veel was het nog steeds niet. Pas nadien zijn er echt woonwijken
bijgebouwd en kreeg Bavel-centrum het karakter van een fors dorp.
In het Bavelsbroek plantte Breda
de woonwijk IJpelaar, terwijl het gehucht Heusdenhout haast geheel in een
andere nieuwe stadswijk verdween. Het resterende platteland van Bavel bleef
een gebied van gehuchten en verspreide boerderijen.
Bavel bestond als parochie, maar een eigen gemeente is het nooit geworden.
Het hoorde voor 1800 onder de schepenbank van 'Ginneken en Bavel' en werd
nadien onderdeel van de gelijknamige gemeente.
In 1942 verloor Bavel veel grondgebied aan Breda, terwijl het restant Nieuw-Ginneken
ging heten. Op 1 januari 1997 tenslotte voltrok zich het onvermijdelijke
en slokte Breda ook het overgebleven Bavel op.
Al vóór 1669 werd een groot deel van Bavel ontgonnen. De
meeste akkerpercelen zijn tot 1900 door levende hagen omgeven gebleven.
In het grasland overheersten de sloten. Bij de huidige kerk van Bavel lag
een kleine open akker.
Misschien dat we daar dan toch het eerste begin van Bavel moeten zoeken.
Langs de oostgrens moet er in die tijd een zone met heide gelegen hebben.
In de jaren 1551 tot 1564 was hier een brede strook heide beplant met bos.
Boeren-pioniers stichtten op de resterende heidegronden hoeven zoals de
Leeuwerik. Een oudere heidehoeve is de Woestenbergse Hoef, nu de Mariahoeve.
Op de heide lag, net over de grens met Gilze, de Gilze Wouwer.
Daar was al eerder een deel van het beekdal afgedamd, zodat er een reeks
visvijvers ontstond. Hier haalde de heer van Breda in de Middeleeuwen zijn
maaltje vis vandaan. Het oude cultuurland van Bavel was ruim en aaneengesloten.
Verplaatsen we ons naar de tijd
voor 1800 dan zien we op de hogere gronden de akkers. Op de lagere plekken
overheerst het gras. Hier en daar ligt wat verstrooid bos, bijvoorbeeld
het uit de Middeleeuwen stammende Lindenhout.
Bavel ontwikkelt zich als een echte agrarische gemeenschap met voornamelijk
gemengde bedrijfsvoering. Dat wil zeggen veeteelt, akkerbouw en grasteelt
voor hooi. Een eigen molen heeft Bavel voor 1800 nog niet. De boeren van
Bavel moeten in de periode van 1650 tot 1800 gebruik maken van de molen
op de Goudsberg bij Strijbeek.
We mogen veronderstellen dat menigeen wel stiekem is uitgeweken naar de
molen in Zandbergen of naar die van Gilze. Na 1800 krijgt Bavel dichterbij
de eerste windmolen. Dat is De Fortuin, opgericht aan de oostkant van Ginneken,
aan de Bavelselaan. In 1865 volgt de bouw van een eigen molen voor Bavel:
de nog altijd bestaande windkorenmolen De Hoop.
Een andere belangrijke agrarische activiteit is de oprichting van een coöperatieve
stoomzuivelfabriek in 1900 in de herberg van Cornelis Bruininkx. Negenentachtig
deelnemers brachten met elkaar 493 koeien in. Dat is gemiddeld iets meer
dan vijf koeien per boer!
De fabriek startte in 1901 met een stoommachine van 8 pk. Jarenlang lieten
de heren bestuurders zich bij de vergaderingen worstenbrood met koffie
serveren, een traditie die pas in 1970 in onbruik raakte.
In die jaren boterde het in de zuivel al lang niet meer. Melk- en boterfabrieken
fuseerden en in 1978 kocht de Bredase makelaar Stok het complex van de
coöperatieve van Bavel op. Nu staan er woningen. Bavel ligt dicht
bij Breda. We treffen er daarom ook elementen van het Bredase landgoederen-landschap
aan.
IJpelaar was een middeleeuws kasteeltje met hoeven. Het ontwikkelde zich
later tot een landgoed met erg lange lanen. De katholieke kerk vestigde
er een seminarie, een rooms bolwerk dat later nog werd uitgebreid met een
klooster op de Nieuwe IJpelaar.
Iets verderop, net in Heusdenhout, kunnen we nog steeds het Huis Weilust
vinden. Wolfslaar groeide in 1690 uit tot een landgoed en een eeuw later
gebeurde hetzelfde met de hoeve de Leeuwerik. Van dat laatste is helaas
niets meer te zien.
De wijk IJpelaar die nu iedere Bredanaar kent, is gebouwd in het gebied Bavelsbroek. Dat was in oorsprong een nat weidegebied dat tot rond 1650 in gemeenschappelijk gebruik was bij de Bavelse boeren, als extra grasland. Het werd toen weliswaar ontgonnen, maar niet bewoond. De inrichting van het gebied, naar een ontwerp van Christoffel Verhoff, paste goed in het landgoederenlandschap. Ook het Sint Annabos kan als element van dat aloude landschap worden gezien.
Om verder te
lezen:
-Brieven van Paulus, uitgave heemkundekring Paulus van Daesdonck.
-Veldnamen in de voormalige gemeente Ginneken en Bavel. Ulvenhout 1983-1988.
-Bavel tussen de kerk en 't Haantje, A.W. Jansen in Brieven van Paulus
no. 24 (1999)
-De parochie en kerk van Bavel 1250-1650. A.W. Jansen in Brieven van Paulus
24 (1999)
Adressen:
-Heemkundekring Paulus van Daesdonck, Abdij vanThornstraat 18, Bavel
-Museum Paulus van Daesdonck, Pennendijk 1, Ulvenhout
-Museum Pekhoeve, Ulvenhout
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl