Onze steden en dorpen in Zuidwest-Nederland zijn er altijd geweest. Zo lijkt het. Toch is het ooit ergens begonnen. Aan de vooravond van het jaar 2000 tijd voor een terugblik op onze woonomgeving. In deze reeks Turf en Zout gaat het over de wederwaardigheden van plaatsen verspreid in heel Zuidwest-Nederland.
Historisch-geograaf dr. Karel Leenders en verslaggever Paul de Schipper vertellen het levensverhaal van steden en dorpen. Een serie over een gebied dat in de geschiedenis door twee fenomenen tot één regio is gemaakt: door turf en door zout. Reacties op deze serie kunt u sturen via e-mail: redactie.nieuwsdienst@bndestem.nl of naar BN/DeStem, postbus 3229 4800 MB Breda, beide onder vermelding 'Turf en Zout'.
In het vlakke polderland van
de noordwesthoek van Brabant ligt de stad Zevenbergen. Een rustig, regionaal
verzorgend stadje, een straatbeeld met boodschappende moeders. En in het
gemoedelijke centrum kun je nog parkeren zonder automatische tolgaarders.
En je kunt er op een muurtje zitten en rondkijken over een haven die geen
haven is. Bij elkaar gewaaid door de IJstijd, bijna weggespoeld, belegerd,
beschoten, de haven ontstolen door de luimen van de tijd. En nu opnieuw
bedreigd. Dat is Zevenbergen. Bedreigd? Ja, want buiten Zevenbergen rukken
de graafmachines op, de belegeringswerktuigen van onze jaren. Ze egaliseren
de polders die straks worden weggestopt onder asfalt en fabrieken. Aan
de oostkant een nieuw bedrijventerrein, aan de noordkant Moerdijk I en
misschien Moerdijk II.
Wie in de buitenwijken uit het dakraam kijkt, ziet de draglines naderen.
Dat wordt een andere eeuw.
Het gaat nu over gisteren, over de wortels van een kleine stad in West-Brabant.
Dat kalme Zevenbergen heeft al veel meegemaakt. De stad is zelfs van provincie
verhuisd.
Zevenbergen is vanouds een Hollandse stad. Op 21 december 1805 stelt een
Staatsbesluit de grenzen van de nieuwe departementen vast. De scheiding
tussen Holland en Bataafs Brabant loopt van Willemstad door het Hollandsch
Diep en de Biesbosch via het Oude Maasje naar Heusden.
Alles ten zuiden ervan, voor een deel eeuwen Hollands gebied, wordt nu
Brabants. Van die dag af hoort Zevenbergen bij Noord-Brabant.
Zevenbergen!
De naam zou kunnen duiden op reliëf in het normaal toch vlakke polderlandschap.
In de stad zijn inderdaad enkele markante hoogten te zien. Dat zijn de
'bergen', maar het zijn er geen zeven. Deze bergen zijn denkelijk oude
duinen die in de late IJstijd door de wind bij elkaar geblazen werden.
In die tijd bestond het gebied
van Zevenbergen nog uit een zandlandschap. Na de IJstijd begon de zeespiegel
te stijgen. Daardoor werd deze noordwesthoek van Brabant steeds natter.
Tegelijkertijd vormde zich een veenlaag die tot ver in de Middeleeuwen
aan de oppervlakte lag. Alleen de oude zandduinen bleven er bovenuit steken.
Behalve de bergen van Zevenbergen is ook de Hazeldonk bij de brug naar
Leur daar een voorbeeld van.
De uitgestrekte veengebieden rond de bergen trokken mensen aan. Ze waren,
uitgedrukt in bestuurderstaal, een belangrijke vestigingsfactor. Immers
de venen, destijds moeren genoemd, lagen er ongestoord bij. Ze boden de
mogelijkheid om turf en later ook zout te produceren.
Turfwinning bleek in principe overal mogelijk, maar in het begin beperkten
de commerciële ondernemingen zich tot de moeren aan de voet van de
hoge gronden. Die konden eenvoudig ontwaterd worden en de geproduceerde
turf kon op schuiten via korte kanalen naar open rivieren worden gebracht
om te worden afgevoerd.
Verbruikers waren de opkomende stadjes in de streek, Antwerpen en de Vlaamse
steden. Geen wonder dat de Vlamingen (stedelingen, stedelijke instellingen,
kloosters en adel) in de jaren van 1263 tot 1300 de belangrijke exploitanten
van de turfgraverijen werden. Tot hun werkterrein behoorden Zeeuws-Vlaanderen
en vier plaatsen in Noord-Brabant: Roosendaal, Etten, Huijbergen en ...
Zevenbergen.
De turfgraverij bracht een typisch eigen nederzettingspatroon met zich
mee. Het meest opvallend waren de arbeiderswoningen op de vaartkanten en
op de hoge koppen in het veen en de havenplaatsen. Die lagen waar de vaart
bij een rivier kwam en de turf op schepen werd overgeladen.
Plaatsen als Leur, Oudenbosch, Roosendaal, Zevenbergen en het verloren
gegane Zonzeel danken hieraan hun eerste opkomst. Toen later, na 1360,
door de groeiende invloed van de zee in deze regio, het veen begon te verzouten,
schakelde men over op de productie van zout, vooral omdat zout meer geld
opbracht dan turf. Met de opbrengst van het zout kon men het dijkherstel
snel afbetalen.
In de oudste schriftelijke bronnen is Zevenbergen er gewoon ineens, zomaar
uit het niets. Net als Steenbergen treffen we Zevenbergen plots in de oorkonden
aan als een uitgebreide nederzetting. Uit de allereerste vermeldingen van
Zevenbergen (1287) blijkt deze plaats al een heer, een kerk, een sluis,
een schepencollege en een molen te hebben.
Bovendien bestaat er een levendige handel in moeren. In 1287 zijn er al
moeren verkocht en er zullen er meer volgen: tot een oppervlakte van minstens
273 hectare. Ook hier is er een band met de Vlamingen.
De kopers komen uit het Vlaamse Brugge: het klooster Zoetendale, het Sint
Janshospitaal, het Heilig Geesthuis en verder gaat het om de Bruggelingen
Paulus de Calkere en Willem Bette.
Dat lijkt nog maar de start, want in 1296 wordt een lijst van achttien
wanbetalers uit Brugge en omgeving opgesteld. Ook bestaat er een lijst,
uit 1306, van in de kasselrij van Brugge gevestigde veenbezitters in de
Zevenbergse Moer. Die lijst vermeldt niet minder dan zesendertig personen
en instellingen.
Als ze allen evenveel moer rijk zijn geweest als de eerste vijf dan zou
deze Brugse Moer bij Zevenbergen alleen al 2000 hectare groot geweest moeten
zijn.
De overheersende aanwezigheid van de Vlamingen in Zevenbergen blijkt uit
nagelaten stukken van de heer van Strijen. Toen hij in 1290 de heer van
Zevenbergen machtigde om voortaan geheel zelfstandig moeren uit te geven,
noemde hij daarbij alleen de Vlamingen als kopers met name: "sijn
sij uut Vlaenderen of uyt wat anderen lande..."
In Bergen op Zoom, Steenbergen, Zevenbergen en Breda viel de turfhaven
met de haven van de stad samen. In Zevenbergen lijken de aanleg van de
haven en van de vaart onverbrekelijk met elkaar verbonden. Dat valt in
ieder geval af te leiden uit de omstandigheid dat Zevenbergen, zijn haven
en zijn moeren plotseling in alle volledigheid in 1287 in de streekgeschiedenis
verschijnen.
De haven van Zevenbergen vormde
de verbinding tussen de vaart van de moeren en de rivier de Mark, die toen
nog vlak langs de stad, ongeveer door het Zwanegat, stroomde.
Dat wekt de indruk dat het hier om een op de turfexploitatie gerichte nederzetting
gaat. Dat de vaart een kleine knik maakt bij het binnenkomen van de haven
is te begrijpen. Op deze manier kwam de haven meer dwars op de rivier te
liggen.
Zodoende ontstond er ruimte voor de vrijwel symmetrische stadsplattegrond
die nog altijd zichtbaar is in het huidige Zevenbergen. Op de kaart die
in 1543 voor de Atlas van Deventer gemaakt werd, zien we dat de stad omsloten
wordt door grachten, maar geen muren heeft.
Centraal in Zevenbergen ligt dan de haven, met parallel twee straten met
bebouwing, de Noordhaven en de Zuidhaven. Ten noordwesten hiervan, evenwijdig
aan de haven, zijn nog twee onbebouwde straten getekend: de Lange Noordstraat
en de Lage Wipstraat. Aan de zuidoostzijde ligt een halfbebouwde parallelle
straat: de Molenstraat.
Aan de centrale dwarsverbinding tussen de twee poorttorens op de stadsgrens
(Lobbekestorenstraat, Dijkstraat, Markt, Stationsstraat) liggen een poort,
een brug over de haven (de Oude Brug), het marktplein, de kerk en het kasteel
van de heren van Zevenbergen en nog een poort. Iets verder naar het zuidwesten
ligt een tweede brug over de haven (de Nieuwe Brug). Aan het noordoostelijke
einde van de haven staat nog een poort en aan het zuidwestelijke einde
zien we een houten standerdmolen.
De structuur van Zevenbergen in 1543 maakt een planmatige indruk, maar
er is duidelijk nog voldoende ruimte voor woningbouw. Die overvloedig aanwezige
bouwgrond zal wel een gevolg geweest zijn van de slechte eeuw die Zevenbergen
achter de rug heeft.
In de jaren 1332 tot 1334 wordt
hertog Jan III van Brabant geconfronteerd met een vijandige coalitie van
omringende vorstendommen, Vlaanderen, Luik, Gelre en Holland met het daartoe
behorende Zevenbergen.
In die jaren kreeg een aantal steden in het noordwesten van het hertogdom
Brabant en ten zuiden van het graafschap Holland een militair karakter.
Er verrezen muren rond Tholen, Bergen op Zoom, Steenbergen en Breda.
Geertruidenberg was iets eerder en had in 1319 al vesten. Deze Hollandse
stad kreeg in 1313-1325 zelfs een burcht. In Breda verrees vanaf 1330 een
nieuw kasteel. Mogelijk is ook Zevenbergen in deze periode omwald, terwijl
er eveneens een sterk kasteel gebouwd werd.
De turfafgraving zorgde in West-Brabant voor een aanzienlijke bodemverlaging.
Als gevolg daarvan kreeg Zevenbergen vanaf 1360 steeds meer met overstromingen
te maken. Dat men in die periode toch opnieuw ging graven, dit keer vanwege
zoutwinning, verergerde de toestand alleen maar.
Volgens de volksverhalen werd Zevenbergen gewaarschuwd voor de ijdelheid
van de stedelingen: "Heel Zevenbergen zal vergaan, alleen de Lobbekestoren
(de grote toren van het kasteel) zal blijven staan."
Na 1383 werd het moergebied ten oosten van de stad opgegeven: men kon niet
meer tegen het water opboksen.
Dan komt het jaar 1421.
In de Lage Landen heerst de pest. In januari, februari en mei zijn er overstromingen
en dijkbreuken in Holland en Zeeland. Het lijkt een waarschuwing. Na een
wisselvallige zomer maakt vroeg winterweer de wolven hongerig.
"Er heersen bedrog, dood, twist en water, betrokken is de lucht",
rijmt het volk. Op 18 en 19 november woedt een zware storm. De stormvloed
die ermee gepaard gaat, verdrijft ook de inwoners van Zonzeel, een dorp
dat lag nabij het huidige Langeweg.
Zevenbergen lag na de Elisabethsvloed als een eilandje in een wijde watervlakte.
De uitgestrekte laag gelegen gebieden rond de stad bleven in ieder geval
bij vloed onder water liggen.
Het water bracht ook bezinksel mee. Zo ontstond de dikke kleilaag die ervoor
zorgde dat deze drijvende gebieden na 1500 weer bedijkt konden worden.
Niet alleen het water belegerde Zevenbergen. Tot overmaat van ramp sloeg
de hertog van Brabant in 1427 zijn tenten op voor de stad. Hij nam Zevenbergen
in.
Uit de rekeningen die daarna opgemaakt werden, weten we dat buiten de stad
alleen wat visrechten verpacht werden, terwijl de Hazeldonk verhuurd werd
als weiland voor de paarden van de hoge adel.
In de jaren 1540-1545 zijn de bestuurders van Zevenbergen druk doende om
de haven van Zevenbergen weer met goed bevaarbaar water in verbinding te
brengen.
De Oude Mark is geheel dichtgeslibd en de Nieuwe Mark loopt nu veel verder
van de stad. Er wordt dus een verbindingskanaal gegraven. In noordelijke
richting is er net zo'n kanaal gereed gekomen. Het geeft aansluiting op
de Mooie Kene, een grote nieuwe kreek tussen Zevenbergen en Klundert.
Kort daarop, rond 1550, heeft het polderland rond Zevenbergen zijn huidige
vorm gekregen. Veel gebeurde er niet tot in de achttiende eeuw. Tegen die
tijd functioneert het havenkanaal niet goed meer. Het wordt met sluizen
afgesloten. Nog niet gehinderd door de luxe van een historisch besef, besluiten
de bestuurders van de Nassause Domeinraad, waaronder Zevenbergen inmiddels
behoorde, in 1728 om het middeleeuws kasteel met de Lobbekestoren af te
breken.
Met het puin van dit verre verleden weten ze wel raad. Verscheept in schuiten
gaat het naar Walsoorden. Daar is men juist bezig om de vooroeververdediging
van de Zeeuws-Vlaamse kust te versterken met zinkstukken en rijshoofden.
Dat alles wordt met stenen verzwaard, honderden tonnen alleen al in 1729,
maar ook in de vier jaren daarna. Die honderden tonnen steen worden geproduceerd
door het vroeger zo imposante verblijf van de heren van Zevenbergen af
te breken.
Zo dumpt Zevenbergen het middeleeuws verleden in de Westerschelde.
De negentiende eeuw brengt Zevenbergen
behalve een spoorlijn ook een suikerfabriek. Dat lokt activiteit uit in
de herfst en in de winter: mannen die zich per fiets en brommer naar 'de
fabriek' reppen, vrachtwagens en schepen vol bieten.
Ook dat gaat voorbij, al verrijst net buiten Zevenbergen nog een moderne
versie van de Lobbekestoren: de suikersilo.
Anno 1999 is de suikerindustrie alweer uit Zevenbergen verdwenen en de
suikersilo staat leeg. Misschien is de dijk bij Walsoorden weer aan onderhoud
toe?
Na de Tweede Wereldoorlog gaat Zevenbergen mee in de vaart der volkeren.
Er worden nieuwe woonwijken bijgebouwd en er komt een autoweg.
De haven, ooit de ontstaansbasis van de stad, wordt dichtgegooid nadat
jarenlang de kademuren zijn verwaarloosd. Het doorzicht langs de haven
wordt nu belemmerd door een bouwwerk waarin een lunchcafé is gehuisvest,
maar wat nog het meest lijkt op een pillendoos. Misschien moet hier, net
als in Breda, ook eens gepleit worden voor herstel van de haven: dat zou
de herkenbaarheid van de historische structuur van de binnenstad van Zevenbergen
zeer ten goede komen.
Om verder te
lezen:
Tijdschrift Oud Nieuws.
A. Delahaye: De Roodevaart of haven van Zevenbergen.
Jaarboek De Oranjeboom 1 (1963).
A. Delahaye: Heerlijkheden en de heren van Zevenbergen 1.
Publikatie Nassau Brabant nr.1, 1963.
A. Delahaye: Het kasteel van Zevenbergen. In: Heren XVII van Nassau-Brabant.
Zundert 1979.
K.A.H.W. Leenders: De exploitatie van de moergronden bij Zevenbergen. Jaarboek
De Oranjeboom 32-33.
Reageren op dit artikel? Stuur een e-mail aan redactie@bnstem.nl