's Hertogs tienduizend bunders

HET CIJNSBOEK VAN DE HERTOG VOOR DE MEIJERIJ
VAN 'S-HERTOGENBOSCH
VAN 1340

Analyse en Bewerking

Martien van Asseldonk

Sri Lanka,
maart 1998

Versie 12 februari 1999
© Copyright : M. van Asseldonk


Naar begin           Naar dorpenlijst

HOOFDSTUK 5

CIJNSINNING EN GEZAG

Mechelien Spierings legde een verband tussen de organisatie van de cijnsinning en de complexe gemene gronden, en ook wel met de parochies. Er was echter geen verband tussen de organisatie van de cijnsinning en de verschillende gemeintes. De cijns voor de Bodem van Elde werd bijvoorbeeld in drie verschillende cijnsdorpen betaald, en in andere cijnsdorpen werd voor geen enkele gemeint betaald. Ook was volgens mijn inzicht ook geen direct verband geweest tussen gebieden met een bepaalde zielzorgorganisatie en rechtsmacht. Er was wel een indirect verband. De lokale elite had vaak op bepaalde plaatsen zowel de rechtsmacht, als een deel van de tienden en patronaat van de kerk.

Het is aannemelijk dat er wel een direct verband bestand tussen de mogelijkheid om sancties te treffen en het innen van belasting. Met andere woorden tussen de organisatie van de rechtsmacht en de organisatie van de cijnsinning. De middeleeuwse cijnsinning kan ons dus het een en ander leren over de machtsverhoudingen in die tijd.

5.1 Het ontstaan van de cijnsheffing op het uitgeven van percelen van de woeste gronden

Op 5 juli 1314 verkreeg Jan II Berthout van Berlaar van hertog Jan III van Brabant door een gunstige ruil bezittingen te Helmond, alsmede cijnzen die de hertog in een aantal Peellandse dorpen inde. Op 11 juli volgde de belening met de heerlijkheid Helmond. De cijnzen die ná 5 juli 1314 in deze dorpen ontstonden, werden weer door de hertog geïnd.

Wat is de oorsprong van de cijnzen in Peelland? Aangenomen wordt dat omstreeks het jaar 1000 in de regio's van de latere kwartieren Peelland en Kempenland veel in cultuur gebrachte grond eigendom was van elite, die horigen hun land lieten bewerken. Horigen waren vaak verplicht tot het leveren van goederen of diensten, zoals ploegen, of het weiden van het vee van de eigenaar van de grond. Met de opkomst van de geldeconomie in de twaalfde en dertiende eeuw werden de verplichtingen die aan een horigengoed verbonden waren steeds meer omgezet in een verplichting tot het betalen van een jaarlijks bedrag, of cijns; een hoofdcijns als de betaling verbonden was aan de persoon, of een grondcijns als de betaling aan het gebruik van de grond verbonden was.

Daarnaast konden grondcijnzen ontstaan doordat de landsheer percelen van de woeste ronden tegen een bedrag ineens en een jaarlijks te betalen grondcijns uitgaf. In de vroege Middeleeuwen werden woeste gronden ontgonnen, zonder dat daarvoor aan iemand verantwoording werd afgelegd. Vanaf de twaalfde eeuw deden landsheren steeds vaker rechten gelden op voorheen koninklijke rechten (regalen) als de jacht op wild. Deze wildban impliceerde dat het woongebied van het wild, de bossen en heiden niet aangetast mocht worden. Boeren die woeste gronden wilden ontginnen, dienden vanaf een gegeven moment de rechten van de betreffende heer te erkennen door de betaling van een geringe jaarlijkse vergoeding, een grondcijns, dat ten eeuwige dage betaald moest worden. Wanneer men een cijnsgoed erfde of kocht, moest men tevens een eenmalige gewincijns betalen aan de grondheer. Wie deze cijnzen niet op tijd betaalde, verbeurde een boete.

In de cijnsregisters van de hertog en de heer van Helmond vindt men een aantal recognitiecijnzen voor gemeintes (dat zijn de woeste gronden die voor gezamenlijk gebruik aan buurtschappen uitgegeven werden), molens, visrechten en dergelijke, maar de meeste cijnzen zijn grondcijnzen. Soms werd een grondcijns betaald uit een relatief groot goed, laten we zeggen groter dan 10 bunder, waarvoor slechts een lage cijns betaald werd. Dit soort bulkgoederen zijn uitgegeven voordat de geburen het gezamenlijke gebruiksrecht van hun gemeintes kregen. Het uitgeven van de gemeintes beschermde de geburen tegen dergelijk inbreuk op hun woeste gronden. Het merendeel van de grondcijnzen betreft kleine bedragen voor kleine percelen.

berekening van het beginjaar van de cijnsheffing

In paragraaf 4.5.6 vonden we in de cijnskring Peelland van de heer van Helmond 1.902,6 bunder cijnsgoed waarvoor een cijns in nieuwe penningen betaald werd. Omdat de nieuwe penningen pas sinds ca. 1210 geslagen werden, dateert de uitgifte van dat cijnsgoed uit de periode 1210-1314. De hertog heeft echter de cijnzen betaald in nieuwe penningen te Deurne en te Middelrode gehouden. Uit een telling van de bedragen in de andere cijnsdorpen volgt dat we van de bedragen in nieuwe penningen die de hertog in Middelrode en Deurne in 1340 inde, 78 % mogen beschouwen als uitgiften vóór 1314. Dat brengt het totaal op 2.114,3 bunder uitgegeven in de periode 1210-1314. Dat komt neer op een uitgiftetempo van gemiddeld 20,3 bunder per jaar.

Daarnaast was er in de cijnskring Peelland van de heer van helmond 2.130,3 bunder waarvan de cijns werd betaald in oude penningen. Als dat cijnsgoed vóór 1210 in hetzelfde tempo van 20,3 bunder per jaar uitgegeven zou zijn, dan zou daar een periode van 105 jaar voor nodig geweest zijn, en zouden we de invoering van de grondcijnzen globaal kunnen dateren op 1100.

Dit is natuurlijk te simpel geredeneerd. De grondcijnzen van Helmond hoeven immers niet allemaal betrekking te hebben op nieuw uitgegeven percelen woeste grond. Een deel van het cijnsgoed kan teruggaan op eigen bezittingen van de cijnsheffer dat tegen een cijns uitgegeven werd. We kunnen een bepaalde hoeveelheid oude penningen betaald voor dergelijke eerder ontgonnen grond aannemen, en dat in mindering brengen op de hoeveelheid uitgiften van woeste grond betaald in oude penningen.

Verder bleven de oude penningen ná 1210 nog lang in omloop. We kunnen een aanname maken voor het deel van de oude penningen dat betrekking heeft op de perioden vóór en ná 1210 en voor elke aanname het bijbehorende beginjaar berekenen. Het beginjaar verschuift dan naar latere (dus meer recente) datum.

Bovenstaande redenering kan uitgedrukt worden in een algemene formule, te herleiden tot de vorm:

Beginjaar = 1210 - (104/((B/A)-1))

waarin:

A = het relatieve deel (variërend tussen 0 en 1) van de oude penningen dat betrekking heeft op de gronduitgiften vóór 1210.

B = 1,9924 namelijk het oppervlak belast met oude penningen plus het oppervlak belast met nieuwe penningen, gedeeld door het oppervlak belast met oude penningen.

We kunnen de factor B bepalen voor verschillende aannames van hoeveelheid oude penningen voor eerder ontgonnen goed.

0 % ( 0 bunder) B = 1,9924

5 % (128 bunder) B = 2,0447

10 % (257 bunder) B = 2,1027

20 % (514 bunder) B = 2,2406

In afbeelding 3 is de begindatum als functie van A uitgezet, voor verschillende waarden van B.

AFBEELDING 3

Afb. 3 Beginjaar van de cijnsheffing op nieuwe uitgiften van de woeste gronden als functie van het deel van de oude penningen dat betrekking heeft op uitgiften van vóór 1210.

Uit deze grafiek kan men voor verschillende aannames het geschatte beginjaar afleiden. Eventueel domeingoed of vercijnsd horigengoed (kleiner dan 500 bunder) blijkt relatief weinig invloed te hebben op het berekende beginjaar van de cijnsheffing. Uit de grafiek blijkt dat het gebruikte geld geen bezwaar geeft om de oorsprong van de inning van cijnzen voor uitgifte van percelen woeste grond in de twaalfde eeuw te dateren.

Het is mogelijk om aan de hand van andere historische gegevens het beginjaar nader af te bakenen. Hierna zal aannemelijk gemaakt worden dat de cijnsinning is ingevoerd vóór het jaar 1203, toen de hertog de eninge van de Kempen in handen kreeg. Wellicht mogen we de rijksdag te Roncaglia in 1158, waarop het recht op de woeste gronden vastgelegd werd, beschouwen als datum post quem voor de inning van cijnzen voor de uitgifte van percelen van de woeste gronden. In de grafiek zijn de jaren 1158 en 1203 met verticale lijnen aangegeven. Op basis van bovenstaande gegevens kan verondersteld worden dat vanaf omstreeks 1180 het wildernisregaal effectief uitgebaat werd met het innen van grondcijnzen op nieuwe uitgiften van percelen woeste grond, rekening houdend met een marge van 20 jaar.

Tot nu toe werd dit op ná omstreeks 1300 gedateerd, nadat de gebruiksrechten van de woeste gronden formeel aan de geburen uitgegeven waren. Het belang van de cijnsregisters voor de beschrijving van de twaalfde- en dertiende-eeuwse geschiedenis van Peelland en de Kempen werd daarmee onderschat.

veronderstellingen nader bekeken

Het voorgaande model is een sterke vereenvoudiging van de werkelijkheid. In deze paragraaf zullen we een aantal aannames bespreken.

hoenderen en andere penningen

Bij het berekenen van het beginjaar voor de cijnsheffing zijn de cijnzen betaald in hoenderen en andere penningen (zwarte, vlaamse, en keulse penningen, en sterlingen) verwaarloosd. Kan dat zomaar?

In de hele cijnskring Peelland werden ca. 152 hoenderen betaald aan de heer van Helmond, wat (onder enig voorbehoud) een cijnsoppervlak van 38 bunder geeft. Wat de andere penningen betreft is op basis van de omrekening van deze penningen in later eeuwen, en hun gangbare waarde in de veertiende eeuw, het oppervlak van het bijbehorende oppervlak cijnsgoed geschat op 9 bunder. Als we de oppervlakten behorende bij de verschillende penningen en hoenderen vergelijken, krijgen we voor de cijnskring Peelland:

- oude penningen 2.569 bunder

- nieuwe penningen 1.615 bunder

- andere penningen 9 bunder

- hoenderen 38 bunder

Waarmee aangetoond is dat de hoenderen en andere penningen relatief van weinig betekenis waren, en in de berekening van het beginjaar zonder bezwaar verwaarloosd kunnen worden.

de norm voor de cijnsheffing

Niet alle percelen zijn tegen dezelfde norm uitgegeven. Als de kwaliteit van de grond heel goed of heel slecht was kwam in latere tijden wel eens het dubbele of halve cijnsbedrag voor. Veel invloed op het berekende totaal uitgegeven grond zal dit niet gehad hebben.

Als we het totaal aantal erven dat in de cijnskring Peelland binnen een vrijheid tegen een hogere norm van ongeveer 18 oude penningen per erf uitgegeven is, globaal schatten op minder dan 50, dan gaat het om minder dan 900 oude penningen. Dat is minder dan 4 % van het totale bedrag aan oude penningen, zodat deze afwijkende norm weinig invloed heeft op de berekeningen.

was het tempo van gronduitgiften stabiel?

Hoe terecht is de aanname van een gelijk uitgiftetempo in de periode 1180-1210 vergeleken met de periode 1210-1314? In deze paragraaf wordt een geprobeerd te achterhalen hoe groot de fluctuaties in ruimte en tijd geweest kunnen zijn. Zie paragraaf 4.5.6 en Appendix VIII.

Cijnsdorp cijnsopp.

1180-1314

(bunders)

cijnsopp.

1314-1340

(bunders)

cijnsopp.

1180-1340

(bunders)

oppervlak gemeente (bunders) Percentage van totaal oppervlak
Tongelre

Aarle

Schijndel

Liempde

Son

St.Oedenr.

Nuenen

Veghel

Lierop

Vlierden

Erp

Stiphout

Lieshout

Bakel

Deurne

Someren

137,3

369,2

517,3

210,4

285,7

532,6

216,0

274,8

114,6

108,9

174,8

70,6

80,2

222,0

287,9

146,2

37,2

35,9

3,2

11,6

42,3

89,0

13,1

0,0

22,7

1,4

0,0

1,3

12,5

17,4

56,6

4,8

174,5

405,1

520,5

222,0

328,0

621,6

229,1

274,8

137,3

110,3

174,8

71,9

92,7

239,4

344,5

151,0

760,6

2.325,7

3.167,4

1.428,9

2.487,2

5.466,2

2.548,9

3.133,1

1.716,9

1.439,3

2.649,4

839,5

1.888,1

5,646,3

7.686,2

4.463,8

22,9 %

17,4 %

16,4 %

15,5 %

13,2 %

11,4 %

9,0 %

8,8 %

8,0 %

7,7 %

6,6 %

8,6 %

4,9 %

4,2 %

4,2 %

3,4 %

  3.748,5

(8,7 %)

349,0

(0,8 %)

4.097,5

(9,5 %)

43,182,3

(100,0 %)

gemiddelde

9,5 %

Tabel 16 gronduitgiften in de dorpen van de cijnskring Peelland

De verschillen tussen de dorpen worden deels veroorzaakt door het feit dat sommige dorpen schaars bewoond waren doordat een groot deel van de woeste gronden daar niet gebruikt kon worden als weidegrond, zoals het Peelmoeras. Een andere mogelijk factor is het al dan niet aanwezig zijn van heren of kerkelijke instellingen die (naast de kleine boeren) ontginningen ter hand namen. Verder moeten voor een volledig beeld van de ontginningen de bijdragen van heren en instellingen, die voor ontginningen niet aan de hertog of diens voorgangers betaalden nog opgeteld worden. In Someren was dat bijvoorbeeld het Sint Lambertuskapittel uit Luik.

Als we de uitgiftetempo's in de perioden 1180-1314 en 1314-1340 vergelijken, dan krijgen we:

geïnd door jaar van uitgiften oppervlak uitgegeven grond (bunders) percentage van totaal oppervlak tempo

(br./jr.)

Helmond

(deel hertog)

1180-1314 3.748,5 8,7 % 28,0
Hertog

 

1314-1340 349,0 0,8 % 12,4

Tabel 17 uitgiftetempo's in de perioden 1180-1314 en 1314-1340

Hieruit volgt dat in Peelland het uitgiftetempo in de jaren 1314-1340 al behoorlijk aan het afnemen was. Het tempo in later eeuwen kan nog bestudeerd worden aan de hand van de cijnsregisters. In Veghel zakte het uitgiftetempo van 2,0 bunder per jaar in de periode circa 1180-1314 naar 0,3 bunder per jaar in de periode 1314-1779. Bekend is dat door de pestepidemie van 1349/1350 in Europa eenderde van de bevolking omkwam. In paragraaf 1.8 bespraken we het feit dat bij een aantal cijnsbetalers in Peelland en de Kempen in 1349/1350 met dezelfde hand de aantekening M. of Mortis (overleden) geschreven staat. Als we hier te maken hebben met de slachtoffers van deze pestepidemie, dan lag het percentage doden in de verschillende dorpen bijna overal beneden circa 10 %. De drastische daling van de uitgiftesnelheid vanaf 1314 en reeds voor 1340 kan hier niet door veroorzaakt zijn.

Een andere mogelijkheid is dat door het uitgeven van gemeint-charters de mogelijkheid tot grote uitgiften (aan mensen die niet gerechtigd waren in die gemeint) geblokkeerd werd. Als men deze bulkuitgiften die in het oorkondenboek van Noord Brabant, in de cijnsregisters van de heer van Helmond, en in het cijnsboek van de hertog van 1340 her en der genoemd worden optelt, dan moet geconcludeerd worden dat bulkgoed, vergeleken met de vaak kleinschalige ontginningen door lokale grondbezitters, weinig zoden aan de dijk zette.

Ook is er geen aanleiding om te veronderstellen dat het aantal uitgiften zal dalen als de beslissingsbevoegdheid om een perceel uit te geven van de hertog naar de geburen verschuift. Vaak gebeurde dat met het uitgifte van de gemeint, of later in de veertiende eeuw.

Het lijkt me aannemelijker dat er op het platteland omstreeks 1300 geen plaats meer was voor nog meer boeren. Voor een rendabele bedrijfsvoering, was een minimaal oppervlak grond per boerderij nodig. De rest van de bevolkingsaanwas zal dan naar de steden vertrokken zijn, of haar emplooi gevonden hebben in ambachten. Dit idee wordt bevestigd, als we het oppervlak van de verschillende dorpen delen door het aantal huizen in 1438. Bijna overal was 14 tot 20 bunder per huis beschikbaar was. Waar grote moerasgebieden gebieden lagen, zoals de Peel, lag het aantal bunders per huis hoger.

AFBEELDING 4

Afb. 4 Het aantal bunders per huis in 1438.

5.2 Bakel, Deurne en Vlierden

In paragraaf 3.4.2 bleek dat in het cijnsboek van de hertog van 1340 in alle cijnsdorpen de niet gespecificeerde penningen nieuwe penningen zijn, behalve in Lommel, Eindhoven, Nistelrode, Heesch en Hilvarenbeek. In Lommel, Heesch en Eindhoven komt ‘oude’ ook voor in de aanhef. Ik vermoed dat de aanhef overgenomen is uit een eerder, of het eerste cijnsregister. Als alle cijnzen in oude penningen betaald werden is het voor de klerk gemakkelijker om in de aanhef te zetten 'cijnzen betaald in oude penningen' (destijds verwoord als 'oude cijnzen'), dan om bij elke cijns apart de aanduiding 'oude' te zetten.

Ook de aanduiding 'nieuwe' komt voor, en wel in Bakel, Deurne en Vlierden.

fol. 14 Census domini ducis in bakel communis cum praeposituo epternaceus

totus novus

de cijnzen van de heer hertog in Bakel, samen met de proost van

Echternach, alles nieuwe

fol. 16 Census dominorus ducis et praepositi predictorus in dorne novus

de cijnzen van de heer hertog en voornoemde proost in Deurne, nieuwe

fol. 19v Census domini ducis in vlierden novis

de cijnzen van de heer hertog in Vlierden, nieuwe

Als mijn interpretatie juist is dan is er in Bakel, Deurne en Vlierden een nieuw register aangelegd waarbij alle (in te schrijven) cijnzen in nieuwe penningen betaald moesten worden. Nu is er in 1314 voor die plaatsen waarschijnlijk een nieuw register aangelegd. In 1314 gaf de hertog immers zijn peellandse cijnzen over aan Jan Berthout II van Berlaar. De hertog inde in alle betreffende dorpen wel weer de cijnzen die ná 1314 ontstonden. De hertog heeft dus in 1314 voor een hele reeks peellandse dorpen een nieuw register aangelegd. In het cijnsboek van 1340 komen in Peelland nergens cijnzen betaald in oude penningen voor, in al die dorpen waren de niet gespecificeerde penningen nieuwe penningen. De vraag is dan waarom in Bakel, Deurne en Vlierden in de aanhef wel 'nieuwe' vermeld staat en bij de andere peellandse dorpen niet? Vermoedelijk is de aanhef overgenomen uit het register dat in en vóór 1314 in gebruik was. Bij het aanleggen van een nieuw register voor Peelland in 1314 heeft de rentmeester of klerk waarschijnlijk het oude register geraadpleegd, eventueel om de aanhef, waarin vaak de cijnsdatum vermeld staat, over te schrijven, maar ook om de hoendercijnzen en andere cijnzen die de hertog zelf hield over te schrijven. Het woord ‘nieuw’ in de aanhef bij Bakel, Deurne en Vlierden zal teruggaan naar een eerder register.

Vermoedelijk is er voor Bakel, Deurne en Vlierden door de klerk van de hertog een nieuw register aangelegd in de tijd dat de nieuwe penningen in omloop waren, dus na ongeveer 1210. Tussen ongeveer 1220 en 1231 krijgt de hertog van Brabant voet aan de grond in de regio Bakel-Deurne-Vlierden. In 1220 blijkt de hertog al gegoed te zijn in Helmond. In 1222 trof Willem van Horne een betalingsregeling met de hertog over de verkoop van zijn allodium Helmond. Bij deze verkoop was ook de voogdij over goederen van de abdij Echternach inbegrepen. De hertog verwierf de rechtspraak in de regio met de verwerving van het graafschap Rode in 1231. Ik vermoed daarom dat de regeling tussen Echternach en de hertog uit de periode 1220-1240 dateert. Van zo’n overeenkomst is geen oorkonde bewaard gebleven, maar dat betekent niet dat die er niet geweest is. We zullen aantonen dat de gegevens uit de cijnsboeken van Echternach, Helmond en de hertog een dergelijke regeling aannemelijk maken. Voor een goed begrip volgen hier wat oudere gegevens over Bakel, Deurne en Vlierden.

Cijnsgoed van Echternach te Bakel en Deurne

De abdij van Echternach was sinds de achtste eeuw gegoed te Bakel, Deurne en Vlierden. Herelaef, zoon van Badagar, schenkt in 721 aan de kerk van Bakel, die door bisschop Willibrord beheerd wordt:

te Bakel: 3 casati met sala en curticle

te Vlierden: 1 casatus

te Deurne: 1 casatus met alles wat daartoe behoort

In 721 lagen de meeste goederen van Echternach in Bakel. Dat de abdij omstreeks 1100 haar peellandse bezittingen vanuit Deurne bestuurde blijkt uit een acte van ongeveer 1100-1110.

Er bestaat een lijst van bezittingen van de abdij, o.a. te Bakel en Deurne uit het eerste kwart van de 13e eeuw. De lijst is opgenomen in het oorkondenboek Noord Brabant. De abdij blijkt dan meer hoeven te bezitten in Deurne dan in Bakel. Uit deze lijst en uit de latere cijnsboeken blijkt dat de abdij cijnzen inde te Bakel en Deurne, niet te Vlierden.

DEURNE

betaler hoeve schellingen penningen

Gevardus 1 8 2

Henricus, zijn broer 1 8 2

Bertardus, weduwe 1 ½ 12 3

Gerardus, zoon van Renzonis 1 8 2

Gerardus van Veltoven 1 8 2

Arnolt, en zijn broer Henricus 1 8 2

Rucherus, zoon van Helie 1 8 2

Everardus ½ 4 1

Henricus Wraz (½) 4 1

Walterus, zoon van Huprectus (½) 4 1

Johannes, broer van Aloldus (½) 4 1

--- -- --

TOTAAL 9 ½ hoeven 76 schell. 19 penn. ‘Hildeboldenses’

De oorkonde geeft als totaal: 4 tal. min 5 penningen

Met latere hand staat er boven geschreven: 10 hoeven.

Op een andere plaats staat nog eens ’11 hoeven’.

BAKEL

betaler hoeve schellingen penningen

Aloldus 1 13 4

Thomas, ridder (1) 13 4

God., zoon van Marsilius ½ 7 min 4

Arnoldus, zoon van God. (1) 13 4

Aloldus van Burtele (1) 13 4

Helewidis van Berwingele ½ 7 min 4

Johannes, broer van Aloldus (½) 7 min 4

Daniel, zoon van Tid. (½) 6 0

---- -- --

6 hoeven 79 schell. 4 penn. ‘Hildeboldenses’

De oorkonde geeft als totaal: 4 tal. min 8 penningen

voor de cijns van de kerk bij Bakel

Aloldus en zijn broer 5 marken

Gerardus, zoon van. God. Van Veltoven 3 marken

Arnoldus van Beche 20 keulse schellingen

--

TOTAAL 10 marken min 4 keulse schellingen

(Hieruit volgt: 1 mark = 12 keulse schellingen,

het totaal is omgerekend: 1.392 keulse penningen.)

Aloldus heeft van de abdij in leen 5 unicas en 1 hoeve en een stuk grond genaamd seinlant.

Het eerste wat opvalt is dat de cijnslijst heel ordelijk is. De lijst wekt de indruk dat de hoeven pas kort daarvoor tegen een cijns uitgegeven zijn. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk dat genoemde personen de eerste cijnsbetalers zijn. Het kunnen daarvoor dienstmannen, horigen, of leenmannen van Echternach geweest zijn. De als eerste vermeldde Gevardus zal een voorouder geweest zijn van de latere heer van Deurne met dezelfde naam. Hij had een broer Henricus, die als tweede genoemd wordt. Mogelijk behoorde ridder Hendrik van Bakel, die in 1271 meier was van het hof van Echternach te Deurne tot dezelfde familie.

In Deurne werd een hoeve uitgegeven voor 98 Hildebondenses penningen per hoeve, en in Bakel voor 160 Hildebondenses penningen per hoeve. Helaas weten we niet hoe groot een hoeve was. Als we dat op 12 bunder schatten, dan is de norm 8 of 13 Hildebondensis penningen per bunder geweest. Er is in het cijnsboek van Echternach van 1579 onder Deurne 1 vermelding van perceelsgrootte en bedrag: 10 oude penningen per bunder. Daarmee komt de waarde van de verder onbekende Hildebondensis in de buurt van de oude brabantse penning. Dat is niet onwaarschijnlijk omdat omstreeks 1200 in het duitse rijk bijna alle penningen nog dezelfde waarde hadden.

Uit de lijst blijkt ook dat de abdij haar bezit in Peelland tussen 721 en omstreeks 1200-1225 behoorlijk uitgebreid heeft. Dat kan door ontginningen gebeurd zijn, maar ook door schenkingen of aankopen.

De abdij inde haar cijnzen in Bakel op 4 oktober voor de middag en in Deurne op 4 oktober na de middag. De lijsten hierboven wekken de indruk dat de cijnzen uit hoeven van de abdij in Bakel en Deurne pas omstreeks 1200 ontstaan zijn. Toch kunnen de cijnsdata ouder zijn, want daarvóór kan er al sprake geweest zijn van het leveren van diensten, cijnzen in natura of hoofdcijnzen op bepaalde vastgestelde data.

De cijnsdata van de cijnskring Peelland van de heer van Helmond en ook van de hertog zijn hieraan gelijk. De cijnskring Peelland dateert van voor 1203, want de data in de eninge van de Kempen zijn er vanaf geleid, en ontstaan in de Gelderse periode, dat is vóór 1203. Ik vermoed dat Arnold van Rode omstreeks 1100-1120 (of een van zijn voorgangers?) goed van Echternach verwierven, en die data inpasten in hun cijnsorganisatie. Als belangrijke regionale heer kunnen de Van Rodes best voogd voor Echternach geweest zijn, en zo aan hun bezittingen in Bakel en Deurne gekomen zijn.

Op basis van die en eventueel andere bezittingen pretendeerde de graaf van Gelre (als opvolger van Arnold van Rode) gezag over de woeste gronden, en gaf die tegen een cijns uit. In Deurne nam het aantal hoeven omstreeks 1200-1225 toe van 9 ½ naar 11. De abdij komt niet voor onder de cijnsbetalers van de cijnskring Peelland, en heeft voor haar nieuwe ontginningen kennelijk geen cijns afgedragen. Uit latere gegevens blijkt dat de abdij zelf eigendom over de woeste gronden pretendeerde. Het is duidelijk dat de abdij in die periode eigen goed vercijnsde, en daar kunnen best recente ontginningen bij gehoord hebben. Of de abdij zover ging dat ze ook aan vrije boeren, of aan boeren die daarvoor nog horig waren, tegen betaling percelen uitgaf, laat ik in het midden.

 Vanwege het gegeven dat aan het einde van de twaalfde eeuw woeste gronden tegen een cijns uitgegeven konden worden, kregen de concurrerende pretenties op de woeste gronden te Bakel en Deurne van de graaf van Gelre en de abdij van Echternach meer gewicht. Kennelijk werd hier pas een regeling getroffen nadat de hertog de graaf van Gelre in 1231 opvolgde als landsheer in de regio. De cijnsboeken van Echternach, de hertog en de heer van Helmond geven wat inzicht in die regeling.

Pierre van de Meulenhof uit Helmond heeft vorig jaar tijdens een vakantie in Luxemburg de moeite genomen om het archief van Echternach te doorzoeken, en daarbij heel wat stukken die betrekking hebben op Brabant boven water gehaald. O.a. cijnsboeken van 1579 en 1640 betreffende Bakel en Deurne. Ik heb de bedragen die in het cijnsboek van 1579 genoemd worden opgeteld.

CIJNSGOED ECHTERNACH IN 1579

Deurne

40 oude groten

29 5/12 hoenderen

308 oude penningen

94 1/3 keulse penningen

40 oude groten min 1 sterling, klooster Binderen, goed te Bottel

20 leuvense schellingen, geburen van Aerle voor hun gemeint

149 oude groten + 1 nieuwe penning, hertogcijns van Deurne

Omrekening van cijnzen te Deurne in het cijnsboek van Echternach van 1640:

1 oude groot = 9 oude penningen = 6 keulse penningen = 30 (17e eeuwse) penningen

Oude groten en oude penningen komen als combinatie voor (een heel aantal oude groten plus een aantal oude penningen), zodat een oude groot wellicht een verkorte manier was om 9 oude penningen te schrijven. Oude groten werden pas vanaf 1266 geslagen. Ik vermoed dat het hier niet om cijnzen ontstaan na 1266 gaat. (Mogelijk met uitzondering van de cijns van het klooster van Binderen.) De oude groten van de hertogcijns zijn een verkorte manier om 12 nieuwe penningen aan te geven. Dit is het deel van de nieuwe uitgiften in nieuwe penningen, die de hertog aan de abdij van Echternach afdroeg.

Het een en ander omgerekend levert de volgende gegevens op:

29 5/12 hoenderen

668 oude penningen

94 1/3 keulse penningen

De volgende drie cijnzen dateren vermoedelijk uit de dertiende en veertiende eeuw.

40 oude groten min 1 sterling klooster Binderen, goed te Bottel

20 nieuwe schellingen geburen van Aerle voor hun gemeint

1.789 nieuwe penningen hertogcijns van Deurne

Het klooster Binderen kreeg in 1246 of 1247 grond te Bottel onder Deurne geschonken van keizerin Maria. Kennelijk verwierf Binderen ook cijnsgoed daar van Echternach. Het cijnsbedrag in oude groten (die pas vanaf 1266 geslagen werden) kan dan het oorspronkelijke cijnsbedrag zijn.

De geburen van Aarle kregen op 4 december 1300 een gemeint, en betaalden daarvoor 40 schellingen aan de hertog en 20 schellingen aan de abdij van Echternach.

De hertogcijns van Deurne heeft te maken met de overeenkomst van ongeveer 1230-1240. Daar komen we nog op terug.

In het cijnsboek vinden we onder de cijnzen van Deurne een keer de perceelsgrootte: 10 oude penningen voor een bunder beemd in Berckt. (Dit ligt in de buurt van de norm van de hertog: 12, dan wel 9 oude penningen per bunder).

Bakel

2 hoenderen

13 ½ oude groten

350 2/3 oude penningen

En als we de oude groten weer omrekenen in oude penningen:

2 hoenderen

472 1/6 oude penningen

cijnske van Dinther te Deurne

In het archief van de heer van Helmond komt het nog steeds mysterieuze cijnske van Dinther te Deurne voor. Deze cijns werd betaald ‘na Remigius’. Die cijnsdatum suggereert afkomst van ofwel Echternach, ofwel van de grondheer (de van Rodes/graaf van Gelre/hertog). Er komen naast oude penningen en hoenderen veel keulse penningen voor onder het cijnske van Dinther, en dat doet een afkomst van Echternachs bezit vermoeden. Als Echternach inderdaad pas omstreeks 1200 haar hoeven vercijnsd heeft, (wel past in de tijdgeest, horigen kwamen toen pas vrij,) dan is dit pakket in de dertiende eeuw van de cijnzen van Echternach te Deurne afgesplitst. Ook het voorkomen van hoendercijnzen wijst daar op, maar daarover dadelijk meer. Hans Vogels uit Helmond traceert dit pakket cijnzen terug naar de verkoop van cijnzen te Deurne en Nuenen in 1303 door Hendrik Schilling aan Hendrik, heer van Mierlo.

Het totaal van de cijnzen van Echternach en de Dinthercijnzen te Deurne was:

15 1/3 keulse penningen

42 hoenderen

205 1/24 oude penningen

Twee keer vinden we de perceelsgrootte vermeld:

½ keulse penning voor 3 lopensaat (lopinates) grond

3 ½ keulse penningen voor 2 mudsaat (modiates) grond

Als we 8 lopens voor een bunder tellen, 1 mudsaet gelijk stellen aan 12 lopensaat, en 1 keulse penning voor 1 ½ oude brabantse penning, dan vinden we voor het eerste geval: 2 oude penningen per bunder, en in het tweede geval 1,75 oude penningen per bunder.

De overeenkomst tussen de abdij van Echternach en de hertog omstreeks 1220-1240

In het cijnsdorp Deurne van de abdij van Echternach komt (in 1579 en 1640) een cijns voor van (omgerekend) 1.789 nieuwe penningen, betaald door de hertog. Uit het cijnsboek van de hertog van 1340 blijkt dat de hertog zijn cijnzen in Bakel en Deurne deelde met de abdij van Echternach. De cijnsposten geven de hele bedragen, Tielman rekende daar de helft van af met de hertog. De conclusie is dat de hertog alle cijnzen in nieuwe penningen in Bakel en Deurne inde, en daarvan de helft aan de abdij gaf. Dat kan ter plekke op de betaaldag zelf gebeurd zijn. De cijnsplichtigen in Bakel en Deurne moesten op dezelfde dag en tijd aan zowel de hertog, de heer van Helmond en aan de abdij betalen. Het zou me niet verbazen als dat ook nog eens in dezelfde herberg was. Op het einde van de dag kan de rentmeester van de hertog de helft van zijn inkomsten in Deurne en Bakel aan de rentmeester van de abdij gegeven hebben. In het cijnsboek van Echternach staan geen hoenderen betaald door de hertog genoteerd, zodat het er op lijkt dat de hoendercijnzen niet verdeeld werden.

Ik veronderstel dat deze verdeling teruggaat op de overeenkomst van omstreeks 1220-1240. Toen is kennelijk afgesproken dat alleen de hertog in Bakel, Deurne en Vlierden, cijnzen uit nieuwe uitgiften inde, en van de inkomsten van Bakel en Deurne de helft af zou dragen aan Echternach. Het is niet onwaarschijnlijk dat toen tevens afgesproken is ieder zijn al bestaande cijnzen zou houden. De hertog inde naast de nieuwe penningen nog hoendercijnzen, en cijnzen in oude penningen. De abdij inde nog cijnzen in keulse en oude penningen, en in hoenderen.

De verdeling betreft cijnzen uit nieuwe uitgiften, en zal daarom teruggaan op aanspraken van Echternach op de woeste gronden. Dit wordt bevestigd door het feit dat de hertog in het begin van de veertiende eeuw ook de cijnzen uit gemeintes te Bakel en Deurne met de abdij deelde.

Gemeint van Aarle

Op 4 december 1300 geeft de hertog een gemeint uit aan de geburen van Rixtel, Aarle en Beek voor een jaarcijns van 60 schellingen, waarvan 40 te betalen aan de hertog en 20 aan de abdij van Echternach.

In 1314 ging deze cijns van de hertog over naar Helmond, en de cijns is daar terug te vinden in de cijnsregisters: de geburen van Aarle en Beek voor de gemeint van Brande, 40 oude schellingen. In de cijnsboeken van Echternach staat deze cijns apart geadministreerd: de geburen van Aerle, 20 (oude) Leuvense schellingen.

Gemeint van Bakel

Op 3 maart 1325 verkoopt de hertog aan de lieden van Bakel en Aarle, voor een voorlijf van 90 zwarte ponden en een jaarcijns van 44 zwarte schellingen, te betalen op Sint Bavo (1 oktober). Voorlijf en jaarcijns half om half te delen met de abdij van Echternach.

44 zwarte schellingen = 33 nieuwe schellingen; en deze cijns komt voor in het cijnsboek van de hertog van 1340 onder Bakel: de geburen van Bakel voor hun gemeint, 33 nieuwe schellingen. Hier inde de hertog het hele bedrag met de rest van de cijnzen om er later de helft van aan Echternach te geven.

Gemeint van Deurne

Op 1 maart 1326 geeft de hertog aan de geburen van Deurne een gemeint, voor een voorlijf van 5 pond oude groten Tournois, en een jaarcijns van 40 schellingen zwarte Tournois, te betalen op Sint-Bavo, voorlijf en jaarcijns half te betalen aan de hertog en half aan de abdij van Echternach.

40 schellingen zwarte Tournois = 30 nieuwe schellingen; en deze cijns komt voor in het cijnsboek van de hertog van 1340 onder Deurne: de geburen van Deurne voor hun gemeint, 30 nieuwe schellingen. Hier inde de hertog het hele bedrag met de rest van de cijnzen om er later de helft van aan Echternach te geven.

Gemeint van Vlierden

Op 26 februari 1326 geeft de hertog aan de geburen van Vlierden een gemeint, voor een voorlijf van 4 pond oude groten Tournois, en een jaarcijns van 40 schellingen zwarte Tournois, de groot voor 16 penningen gerekend, te betalen op Sint-Remigius. 40 schellingen zwarte Tournois = 30 nieuwe schellingen; en deze cijns komt voor in het cijnsboek van de hertog van 1340 onder Vlierden.: de geburen van Vlierden voor hun gemeint, 30 nieuwe schellingen.

Het pakket nieuwe cijnzen dat de hertog met Echternach deelde groeide in de dertiende eeuw vermoedelijk snel totdat in het begin van de veertiende eeuw in de hele regio vermoedelijk de ontginningen stagneerden. Het bedrag dat de abdij van de hertog ontving was in 1579 en 1640 precies hetzelfde, namelijk 1.789 nieuwe penningen. Kennelijk is het bedrag op een gegeven moment versteend. In een periode met heel weinig uitgiften werd het een vast bedrag. Toen in latere eeuwen wel weer percelen uitgegeven werden, werd dat niet meer met de abdij van Echternach verrekend. Wanneer is de cijns versteend?

In 1340 inde de hertog 4080,9 nieuwe penningen in Bakel en Deurne. Hiervan zou de helft, dat is 2.040,5 nieuwe penningen naar de abdij moeten gaan. Zoveel kreeg de abdij niet, dus we moeten iets verder terug in de tijd. Als we van de 4.080,9 nieuwe penningen de cijns voor de twee gemeintes van 1325 en 1326 (Bakel en Deurne) van aftrekken houden we 3.324,8 nieuwe penningen over. Delen door 2 geeft 1.662.4 nieuwe penningen. Dat is iets lager dan het bedrag dat in het cijnsboek van Echternach vermeld wordt, zodat de verstening van het bedrag op begin 14e eeuw geplaatst mag worden.

De overeenkomst tussen de hertog en Jan van Berlaar (heer van Helmond) in 1314

In de acte waarin de hertog peellandse cijnzen overgeeft aan Jan II Berthout van Berlaar, worden de bedragen genoemd. Als we de bedragen die in 1314 overgingen vergelijken met wat de hertog in 1340 inde, krijgen we het volgende:

  Cijnsboek van de hertog in 1340

 

naar Helmond in 1314
cijnsdorpen oude penning nieuwe penning hoenders oude penning nieuwe

penning

Bakel

-

632,0

87,0

524,0

446,0

Deurne

-

3.448,8

42,0

369,0

-

Vlierden

-

378,3

13,0

976,0

223,0

Tabel 18 Vergelijking van de bedragen die de hertog in 1340 inde, en de bedragen van de cijnzen die hij in 1314 overgaf aan Jan II Berthout van Berlaar

De acte van 1314 noemt dat de bedragen te Deurne waren van hertoghen, en te Bakel van tshertoghen ghedeile.

Hiervoor hadden we al geconcludeerd dat de hertog zijn oude penningen niet deelde met de abdij van Echternach. Dit wordt bevestigt door de acte van 1314, waarin van het bedrag in oude penningen dat overgegeven wordt aan Jan II Berthout van Berlaar gezegd wordt dat het van tshertoghen is, dus alleen van de hertog.

De Deurnese cijnzen betaald nieuwe penningen gaf de hertog in 1314 niet over aan Jan II Berthout van Berlaar. Hij hield die zelf (en bleef die als vanouds delen met Echternach).

Hoeveel nieuwe penningen de hertog in 1314 inde is niet met zekerheid te zeggen. In 1340 waren het er 3.448,8, maar we moeten er rekening mee houden dat er in de periode 1314-1340 nog cijnzen in nieuwe penningen bijgekomen kunnen zijn, en in ieder geval kwam er in 1326 een bedrag van 360 nieuwe penningen bij voor de Deurnese gemeint. Op basis van de bedragen in andere peellandse dorpen schat ik dat het bedrag in nieuwe penningen in 1314 op 78 % van het bedrag in 1340, dat is 2.690 nieuwe penningen.

Van de bedragen in Bakel wordt gezegd dat het van tshertoghen ghedeile. Omdat de hertog de oude penningen niet deelde, heeft het ‘deel van de hertog’ betrekking op de 446 nieuwe penningen te Bakel. Dit betekent dat de hertog in 1314 in Bakel 892 nieuwe penningen inde, en hiervan de helft afdroeg aan Echternach. De helft hiervan, een bedrag van 446 nieuwe penningen, werd in 1314 aan de heer van Helmond gegeven.

Vlierden lijkt buiten de regelingen gelaten te zijn, dat wil zeggen dat de hertog in 1314 zowel alle oude als alle nieuwe penningen overgaf aan Jan II Berthout van Berlaar. Het enige voorbehoud is dat in de aanhef van Vlierden ook ‘nieuwe‘ vermeld staat, en dat Vlierden dus wel betrokken lijkt te zijn geweest met de regeling van 1220-1240. Maar omdat toen afgesproken is dat de hertog daar alle nieuwe penningen alleen inde, en ieder zijn al bestaande cijnzen bleef innen, onderscheidt Vlierden zich verder in niets van de andere peellandse cijnsdorpen.

Een andere conclusie is dat de hertog in 1314 alle hoendercijnzen zelf gehouden heeft. Dit wordt gestaafd door andere gegevens. Aan de markt in Sint-Oedenrode werden erven tegen een cijns van 15 oude penningen plus 2 hoenderen uitgegeven. Na 1314 werden de penningen aan de heer van Helmond betaald, en de hoenderen aan de hertog. Ook het gegeven dat de hertog in 1340 in Helmond alleen hoendercijnzen inde, bevestigt dat de hertog in 1314 de hoendercijnzen voor zichzelf hield.

VLAK VOOR DE OVEREENKOMST (cijnzen in nieuwe penningen)

 

  Hertog

 

Echternach
Bakel

446

446

Deurne

1.345

1.345

Vlierden

223

-

 

 

VLAK NA DE OVEREENKOMST (cijnzen in nieuwe penningen)

 

  Helmond Hertog Echternach
Bakel

446

-

(?)

Deurne

-

1.345

1.345

Vlierden

223

-

-

Echternach lijkt de halve inkomsten in nieuwe penningen te Bakel te verliezen. Met andere woorden, als de hertog van die cijnzen zijn deel aan Jan II Berthout van Berlaar geeft, inde die hierna in Bakel, net als de hertog deed, het hele bedrag van 892 nieuwe penningen om hiervan de helft aan de abdij van Echternach te geven? Het is niet uitgesloten, dat het in de 14de eeuw zo geweest is, maar in de latere cijnsboeken van Helmond (15de eeuw) en Echternach (16de eeuw) heb ik daar geen sporen meer van gevonden.

De regeling wekt de indruk het resultaat te zijn van onderhandelingen, waarbij het de vraag was of de nieuwe penningen in Bakel en Deurne al dan geen onderdeel vormden van de cijnskring Peelland (het graafschap Rode). Er zijn argumenten voor en tegen aan te dragen. Als compromis kan afgesproken zijn dat Jan Berthout II van Berlaar de nieuwe penningen voor zichzelf alleen mag houden, terwijl de hertog het veel grotere bedrag aan nieuwe penningen te Deurne behield. In dat geval was het een compromis ten koste van de abdij van Echternach, die een deel van haar inkomsten verloor.

Na de ruil van 1314 inde de hertog als vanouds de cijnzen in nieuwe penningen in Bakel en Deurne en deelde die als voorheen met de abdij van Echternach. Behalve de cijnzen voor de gemeintes van Bakel en Deurne kwam daar overigens weinig meer bij, vermoedelijk omdat de uitgiften voor lange tijd zowat stopten.

Het voorgaande wekt in elk geval de stellige indruk dat bij de ruil van 1314 de cijnzen betaald in nieuwe penningen te Bakel en Deurne door de hertog niet beschouwd werden als deel van het graafschap Rode, omdat deze cijnzen omstreeks 1220-1240 ontstonden door een speciale regeling met Echternach. Met die conclusie les kunnen we opnieuw kijken naar Middelrode. Nadat de hertog in 1231 het graafschap van Rode verwierf, werden in het cijnsdorp Middelrode ook cijnzen betaald in nieuwe penningen, (dus vermoedelijk voornamelijk uit nieuwe uitgiften), te Berlicum onderbracht. Vanuit Middelrode breidde de hertog zijn invloed in die regio naar de andere kant van de Aa uit. Ook de nieuwe penningen in Middelrode werden in 1314 door de hertog zelf gehouden, kennelijk omdat ook deze niet als een deel van de oorspronkelijke cijnskring beschouwd werden, vanwege de vele Berlicumse cijnzen.

Als we deze lijn door mogen trekken daar de peellandse hoendercijnzen die de hertog in 1314 hield, dan dateren de hoendercijnzen uit de periode ná 1231, dus na het verwerven van het graafschap Rode door de hertog. Dit is in overeenstemming met de constatering dat de hoendercijnzen ook geassocieerd zijn met het uitgeven van percelen in de vrijheden (die vanaf 1230 genoemde worden). Overigens lijken ook de Echternachse hoendercijnzen pas na circa 1225 ontstaan te zijn, ze komen immers nog niet voor in de Echternachse cijnslijst van omstreeks 1200-1225. Het cijnske van Dinther is dus ongeveer in de periode 1230-1303 van Echternachs bezit afgesplitst.

In mijn analyse van het cijnsboek van 1340 vond ik 38 vermeldingen van hoendercijnzen die vermoedelijk een grondcijns betreffen (beemd 31 x, akker 4 x, broek 2 x, heide 1 x). De meeste hoendergrondcijnzen hadden kennelijk betrekking op beemden. Van de 164 cijnzen waarbij het cijnsgoed als 'beemt' omschreven wordt is echter maar 31 een hoendercijns (19,5 %). Omdat hoendercijnzen cijnzen zijn van de hertog uit de periode 1230-1340, mogen we een deel van de verkaveling van de beemden in de dertiende eeuw dateren.

Samenvatting

De verwikkelingen in Bakel, Deurne en Vlierden waren in het kort chronologisch als volgt:

8ste eeuw: De abdij van Echternach verwerft bezittingen te Bakel, Deurne en Vlierden.

In Bakel stond een eigen kerk van de abdij. Het parochiegebied laat zich nog traceren aan de tienden die de abdij in latere tijd in de regio (te Bakel, Deurne, Millheze, Vlierden, Ruth, Gemert, Scheepstal, Grotel) inde.

721-1100 De abdij van Echternach breidt haar bezit uit. Het accent verschuift naar Deurne, vanwaar de peellandse bezittingen bestuurd werden.

Omstr. 1100 Arnold van Rodes verwerft of krijgt mogelijk de hoge rechtsmacht in de regio, en de voogdij over Echternachs goed in Peelland. Arnold van Rode verwerft een deel van Echternachs goed. Cijnsdata van Echternach en van Rode blijven gelijk. In het midden, of aan het eind van de 12-de eeuw volgt de graaf van Gelre de Van Rodes op.

omstr. 1180 De graaf van Gelre begint delen van de woeste gronden tegen een cijns uit te geven, o.a. ook te Bakel, Deurne en Vlierden, betaald in penningen, die later oude penningen genoemd werden. (Bijna alle penningen in het duitse rijk hadden in die tijd nog gelijke waarde.)

1200-1225 Echternach vercijnst 9 ½ hoeve in Deurne en 6 in Bakel. Horigen komen vrij, of worden cijnslieden.

1231 De hertog volgt de graaf van Gelre als landsheer op, na omstreeks 1220-1222 al bezit in Helmond verworven te hebben. Vanuit Middelrode bereidt hij zijn invloed te Berlicum uit.

1220-1240 De hertog treft een regeling met Echternach. Alleen de hertog mag woeste gronden uitgeven in Bakel en Deurne, maar afgesproken wordt dat Echternach de helft van de inkomsten krijgt. Alle nieuwe uitgiften worden in nieuwe penningen betaald.

1230-1340 De hertog geeft percelen, o.a beemden en percelen in vrijheden uit voor een hoendercijns.

1300-1326 De hertog geeft drie gemeintes in de regio uit, waarbij de rechten van Echternach op de inkomsten van de woeste gronden erkent worden.

1314 De hertog geeft zijn peellandse cijnzen aan Jan II Berthout van Berlaar, met uitzondering van de cijnzen betaald in nieuwe penningen te Middelrode en Deurne en de hoendercijnzen.

na 1314 De hertog blijft de rechten van Echternach op de woeste gronden erkennen, maar doordat de economie stagneert, of doordat er op het platteland weinig plaats was voor nog meer boeren, worden er nauwelijks nog nieuwe percelen uitgegeven, waardoor het aan Echternach te betalen bedrag al in de eerste helft van de veertiende eeuw versteende.

5.3 Vessem en Wintelre en Oirschot

De analyse van het cijnsboek van 1340, en een verkenning van een cijnsregister van het kapittel van Oirschot, voegt nieuwe inzichten aan de geschiedenis van Vessem, Wintelre en Oirschot.

5.3.1 Vessem en Wintelre

In het cijnsboek van de hertog van 1340 zijn cijnzen opgenomen die namens de hertog in de periode 1340-1351 te Vessem en Wintelre geïnd werden. Het totaal aantal cijnzen volgens de lijst cijnsposten op fol. 62v-65 is hieronder gegeven. Het bijbehorende cijnsgoed is berekend volgens de norm van 1 groot, of 12 nieuwe penningen, of (12, dan wel 9, gemiddeld:) 11,25 oude penningen, of 4 hoenderen per bunder. Het totaal aan cijnzen was (zie appendix I en VI):

in Vessem voor kleine percelen

- 19 hoenderen 4,8 bunder

- 95,6 oude penningen 8,5 bunder

- 690,0 nieuwe penningen 57,5 bunder

----- +

70,8 bunder

in Vessem voor recognitiecijnzen

- 24 nieuwe schellingen voor de gemeint

- 17,5 nieuwe penningen voor andere recognitiecijnzen

Verder is er bij Vessem op fol. 63v een belangrijk bijschrift:

- voor het deel van de hertog 18 lopen rogge (= 1 1/2 mud rogge)

- de heer hertog en het altaar van Petrus samen 33 hoenderen

in Wintelre voor kleine percelen:

- 19 hoenderen 4,8 bunder

- 34 oude penningen 3,0 bunder

- 2.308,5 nieuwe penningen 192,4 bunder

- 2 groten 2,0 bunder

--------------

202,2 bunder

In onderstaande tabel zijn de bedragen uit de cijnslijst vergeleken met de bedragen van rentmeester Tielman: De rogge in de cijnslijst, en alle bedragen van Tielman zijn "voor het deel van de hertog". Het nominale pakket cijnzen in 1340, zoals gegeven op fol. 62v-65 (zie appendix 1), geeft ongeveer dubbele bedragen vergeleken met de afrekening van rentmeester Tielman op fol. 91v-96v. Hieruit volgt dat de hertog in Vessem en Wintelre slechts de helft van deze cijnzen beurde. In de tabel zijn de hele cijnzen ingevuld, dus de roggecijns, en de bedragen van Tielman zijn met twee vermenigvuldigd.

Cijnsdorp

 

penningen cijnslijst fol. 62v-65 Tielman fol. 91v-96v
Vessem oude 95,6 penningen 96,0 penningen
Vessem nieuwe 995,5 penningen 998,0 penningen
Vessem, gemeint nieuwe 288,0 penningen -
Wintelre oude 34,0 penningen 34,0 penningen
Wintelre nieuwe 2.199,0 penningen 2.116,0 penningen
Vessem + Wintelre 71 hoenderen 64 hoenderen
Vessem + Wintelre 3 mud rogge 3 mud rogge

Tabel 20 vergelijking van de bedragen voor de cijnzen van Vessem en Wintelre op fol. 62v-65 met de bedragen genoemd door rentmeester Tielman

De bedragen van Tielman kloppen vrij aardig met die uit de cijnslijst. De verschillen kunnen ontstaan zijn door enige onzekerheid in mijn reconstructie van doorhalingen en bijschrijvingen. Er lijkt iets aan de hand te zijn met de cijns voor de gemeint. We komen daar nog op terug.

de bezitters van de andere helft

Met wie deelde de hertog de cijnzen in Vessem en Wintelre eigenlijk? De rekening van de rentmeester van 1403 geeft de bezitters van de andere helft van deze cijnzen:

"Want Lysbet Lonys ende Jan van Hoppeneyken deylen dair de cyns metten hertogen, overmits dat hun voorveders dair die guede mette hertoghe uytgeheven hebben."

De percelen van de woeste grond zijn dus door de voorouders van Lysbet Lonys en Jan van Hoppeneyken samen met de hertog uitgegeven. Wie die voorouders waren en wanneer Lysbet en Jan leefden is niet precies bekend. In het cijnsboek van de hertog van 1340 komt een Johannes van Hoppeneyken voor, die gegoed is in Gunterslaer bij Oirschot. Lonys is een afkorting van Apollonius. Die zeldzame naam wordt in het Oorkondenboek van Brabant maar twee keer genoemd, waarvan één keer in 1216, als naam van een kanunnik van het kapittel van het nabije Oirschot.

Het is mogelijk dat die voorvaders de inkomsten van de helft van de cijnzen van de landsheer verkregen hebben. In paragraaf 5.3 zullen we aannemelijk maken dat dat in het laatste kwart van de twaalfde eeuw de graaf van Gelre was, en vanaf 1203 de hertog van Brabant. Omstreeks 1180 (met een marge van plus of min 20 jaren) werden in de Eninge van de Kempen door de graaf van Gelre de grondcijnzen op nieuwe uitgiften van delen van de woeste gronden ingevoerd. De verdeling van de grondcijnzen kan het resultaat zijn van aanspraken op deze woeste gronden door de graaf van Gelre en een lokale heer. Het is ook mogelijk dat de graaf en een lokale heer onafhankelijk van elkaar de woeste gronden uitbaatten, en dat het pas na 1203 onder de hertog van Brabant tot een verdeling kwam, zoals ook te Bakel en Deurne gebeurd lijkt te zijn (zie paragraaf 3.3).

de Vooraard

Te Vessem werd door de hertog een gemeint, de zogenaamde Vooraard, op 20-1-1293 uitgegeven voor een eenmalig bedrag van 30 pond. Een gemeint werd in de regel uitgegeven tegen een bedrag ineens en een jaarlijks te betalen cijns. In het afschrift van de acte van 1293 wordt die jaarlijkse cijns niet vermeld, maar in een acte van 1341 geeft hertog Jan II de luiden van Vessem en Wintelre toestemming om delen van de gemeint te verkopen. In die acte staat dat ze die gemeint tegen een altijd te betalen cijns verkregen hadden.

Ook het cijnsboek van 1340 noemt die jaarlijks te betalen cijns. De geburen van Berze, Vessem, Hoecasterle, Winterle, en Cnechsel betaalden in de periode 1340-1343 in Vessem tezamen 24 nieuwe schellingen voor een gemeint gelegen tussen 'Ourle, Winterle, en Vessem', na 1343 niet meer. Dit betreft de Vooraard.

Er is verwarring mogelijk met de zogenaamde "Grote Aard van Oerle". Op 1 maart 1326 bevestigt de hertog de uitgifte van een gemeint door zijn vader aan de geburen van Zantoerle, Vessem, Hoog-Casteren, Winterle en Knegsel, voor een jaarcijns van 48 schellingen zwarte Tournois. Dat is omgerekend: 36 nieuwe schellingen. Gezien het bedrag moet dat dezelfde cijns zijn als de 36 nieuwe schellingen die de geburen van Oerle in het cijnsboek van 1340 voor hun gemeint betaalden. En dit zal dan de Grote Aard van Oerle zijn. (Zie appendix 6.) Verwarring is mogelijk omdat 4 van de 5 genoemde buurtschappen hetzelfde zijn (Vessem, Wintelre, Knegsel en Hoog-Casteren). Voor de Vooraard betaalde als vijfde nog Beerze mee, en voor de Grote Aard Zand-Oerle.

We zullen dadelijk aannemelijk maken dat ook de met latere hand bijgeschreven tekst:

- voor het deel van de hertog 18 lopen rogge

- de heer hertog en het altaar van Petrus samen, 33 hoenderen

te maken heeft met de Vooraard. Het is opmerkelijk dat rentmeester Tielman het bedrag van dit bijschrift uit de periode 1340-1351, al wel opgenomen heeft in zijn rekening van 1339, maar niet de 24 schellingen van de Vooraard. Waarschijnlijk vervingen de 18 lopen rogge (dit is gelijk aan de helft van 3 mud rogge) en de 33 hoenderen op een gegeven moment de recognitiecijns van 24 schellingen. Rogge en hoendercijnzen zijn vaak van oudere datum dan een cijns betaald in nieuwe penningen. Misschien vormden de rogge en de hoenderen de oorspronkelijke cijns, en is die omgezet in nieuwe schellingen om de verdeling van de cijns tussen de verschillende buurtschappen te vergemakkelijken. Later (tegelijk met de acte van 1341?) werd de oude situatie weer hersteld.

Voor de Vessemse gemeenschap was een cijns in natura ongunstig. Geld devalueerde, een cijns in natura niet. Om van deze cijns af te komen werden op 14-12-1439 voor schepenen van Oerle aan 4 personen percelen, die tot dan een deel waren van de Vooraard, in eigendom gegeven, in ruil waarvoor de 4 personen een cijns van 3 mud rogge en 36 hoenderen zouden betalen. Dat toen bepaald werd dat er bij overname van het goed geen gewincijns betaald hoefde te worden, heeft wellicht te maken met het feit dat deze cijns een substituut was voor de cijns voor de gemeint. Daarvoor werd ook nooit een gewincijns bepaald. De transactie uit 1439 bevestigt dat de 3 mud rogge uit het bijschrift in het cijnsboek van 1340 inderdaad op de gemeint betrekking hadden. Wat de hoenderen betreft: In de cijnslijst vonden we 38 hoenderen voor kleine percelen en 33 hoenderen voor de gemeint. (Tielman noemt alleen een totaal van 64 hoenderen). In 1439 werd het deel van de gemeint op 36 hoenderen bepaald.

Philips de Goede beschouwde deze cijnzen in 1464 echter niet als een cijns voor de gemeint, omdat er noch in de brieven van 1293 en 1341, noch in het cijnsboek van die tijd expliciet een cijns voor de gemeint gemeld werd. De Vessemse Vooraard werd daarom in 1464 nogmaals uitgegeven voor een eenmalig bedrag van 12 gulden en een jaarcijns van 12 oude groten. Dat zal niet terecht geweest zijn.

De cijnzen

Lysbet Lonys en Jan van Hoppeneyken ontleenden hun recht op de helft van de cijnzen in Vessem en Wintelre aan het feit dat hun voorvaders er samen met de hertog percelen van de woeste gronden uitgaf. Hun helft werd in twee delen verdeeld, die ieder een eigen geschiedenis hadden, voordat beide kwarten in de grote zak van de hertog belandden.

het 1/4 deel van Lysbet Lonys

In 1433 wordt genoemd: een cijns van 68 oude groten, 2 Engelse penningen, 9 vaten rogge en 9 hoenders, die vroeger door Hendrik Lonys werden bezeten. Op grond van deze vermelding koppel ik dit 1/4 deel aan dat van Elysabet Lonys.

Het 1/4 deel van de inkomsten van Tielman in het cijnsboek van 1340, omgerekend in groten was:

- voor kleine percelen: 68,5 oude groten + 7 hoenderen

- voor de gemeint: 9 hoenderen + 9 vaten rogge.

Dat komt in de buurt van het bedrag dat in 1433 genoemd wordt.

Ik vermoed dat het bedrag van het deel dat niet in bezit van de hertog was, op een gegeven moment versteende. Dat wil zeggen: latere nieuwe uitgiften deelde de hertog niet meer met de andere belanghebbenden. Philips de Goede gaf in 1466 Vessem het recht om 12 bunder van de Vooraard uit te geven. Daarbij is geen sprake meer van rechten van particulieren.

Het 1/4 deel van Lysbet Lonis werd door de hertog in 1622 aangekocht voor 9 hoen, 9 lopen rogge en 6 gulden, 14 stuivers, en 4 penningen Artois.

het 1/4 deel van Jan van Hoppeneyken

In het Latijnboek dat de periode van 1312 tot ongeveer 1350 beslaat, vinden we als leen van de hertog:

Ghiselbertus van Oudenhoven, getrouwe van de hertog, van een hoeve, gelegen in

Vessem. Ook het 1/4 deel van de gruit van Orschot, en het 1/4 deel van de woeste gronden van Winterle en Vessem met alle gerechtigheden (...) Het staat voor het deel bij Orschot op Godefridus Ryc, en het deel bij Vessem op Arnoldus Culman.

Bij de cijnzen van Vessem in 1340 komt als cijnsbetaler voor: de weduwe van Arnoldus van den Culen, van het erfgoed van Ghisbertus van Oudenhoven. Deze Arnoldus van den Culen, is waarschijnlijk dezelfde als de Arnoldus Culman, die het deel van het leen bij Vessem hield. Volgens het cijnsboek is Arnoldus al voor 1340 overleden. Hij moet Ghiselbertus dus al voor 1340 opgevolgd hebben als leenman van de Vessemse hoeve.

Op grond hiervan mogen we concluderen dat het ¼ deel van de cijnzen van Ghiselbertus van Oudenhoven in Vessem en Wintelre al vóór 1340 leengoed van de hertog geworden is. Omdat Jan van Hoppeneyken niet als leenman van de hertog vermeld wordt, was hij vermoedelijk vóór Ghiselbertus van Audenhoven eigenaar van dit ¼ deel.

het gedeelde gezag

De hertog van Brabant deelde in Vessem de inkomsten uit de grondcijnzen dus al vóór 1340 met Elyzabet Lonys en Jan van Hoppeneyken of hun voorgangers. Dit kan teruggaan op een verdeling ten tijde van de invoering van de grondcijnzen omstreeks 1180, of een regeling inde dertiende eeuw. Wie was de voorganger van Lonys en Hoppeneyken? Het moet iemand zijn geweest die in Vessem en Wintelre een zekere rechtsmacht gehad heeft, al was het maar over de eigen bezittingen, en het moet iemand van voldoende kaliber geweest zijn. We kunnen dan denken aan een kerkelijke instelling of een regionale heer.

Er zijn verschillende verwijzingen naar het kapittel van Oirschot, of haar voogd, de heer van Vught:

Kort samengevat zou ik het volgende voor willen stellen: Omstreeks 1180 voerde de graaf van Gelre in de Eninge van de Kempen de grondcijnzen op nieuwe uitgiften van de woeste gronden in. Deze cijnzen werden in Vessem en Wintelre op zondag en maandag na Sint Dionysus geïnd. In Vessem was de familie van Vught gegoed. Zij inde in Vessem mogelijk cijnzen op Sint Lambertus. De relatie tussen Vught en Gelre lijkt in de twaalfde en dertiende eeuw goed te zijn. Er zijn twee mogelijke scenario’s.

Het is mogelijk dat het omstreeks 1180 tot een akkoord is gekomen tussen de heer van Vught enerzijds, en de graaf van Gelre anderzijds betreffende de inning van grondcijnzen uit nieuwe uitgiften. Het is ook mogelijk dat de heer van Vught en/of het kapittel op eigen houtje woeste gronden uit gaf, en dat het pas in de tijd van de hertog, dat is na 1203, tot afspraken betreffende de woeste gronden kwam, zoals ook te Bakel en Deurne gebeurd lijkt te zijn.

Afgesproken zal zijn dat de graaf van Gelre, c.q. hertog van Brabant de helft van de grondcijnzen mocht innen. De andere helft kwam aan de heer van Vught en/of het kapittel. In Bakel en Deurne inde de hertog alle cijnzen, om daarna de helft af te dragen, en een dergelijke gang van zaken is ook voor Vessem en Wintelre aannemelijk.

Later gingen de inkomsten van de heer van Vught over naar andere particulieren, zoals Jan Hoppeneyken en Lysbeth Lonis. De hertog verwierf de cijnzen van de graaf van Gelre in 1203 met de eninge van de Kempen. (Zie paragraaf 2.2).

5.3.2 Oirschot

Er zijn verschillende aanwijzingen dat de graaf van Leuven (na ca. 1200 voerde die de titel hertog van Brabant) al in 12-de eeuw gegoed was in Oirschot. In Oirschot, op Spoordonk was ook de aanzienlijke familie van Vught - van Oirschot gegoed.

het bezit te Oirschot van de hertog

In het cijnsboek van de hertog van 1340 komt op fol. 94v een cijns van 6 mud rogge voor betaald de terra domini ducis in Orscot (van de grond van de heer hertog in Orscot). Mogelijk kan dit bezit van de hertog nog eens gelokaliseerd worden aan de hand van de cijns van 6 mud rogge die uit dit goed betaald werd. Wanneer de hertog in Oirschot bezit verwierf is niet bekend, maar er zijn aanwijzingen naar de twaalfde eeuw.

Op 13 mei 1196 vond er een overdracht van bezittingen plaats waarbij de hertog betrokken was en korte tijd later een acte liet opmaken. De handeling vond plaats in Oirschot, wat kan betekenen dat de hertog daar toen gegoed was.

Eindhoven en Sint-Oedenrode kregen in 1232 vrijheidsrechten. De schepenen van deze vrijheden gingen in den Bosch te hoofde. De schepenen van Oirschot gingen echter niet in den Bosch ten hoofde, maar rechtstreeks op de Raad van Brabant. Dit doet vermoeden dat het Oirschotse vrijheidsrecht (met een schepenbank ingesteld door de hertog) ouder is als dat van den Bosch, dat uit ca. 1195 dateert.

Ook de stichting van het kapittel wijst er op dat de hertog in de twaalfde eeuw al in Oirschot gegoed was. Het oudste historische document dat het kapittel vermeld dateert uit 1216. In de betreffende oorkonde word een zekere Apollonius genoemd ecclesie Beati Petri in Orschot canonicus. De term ecclesia kan hier nog vertaald worden met kapittel, of groep geestelijken. Zetel van dat kapittel was tot in de dertiende eeuw de oude Mariakerk aan het Vrijthof in Oirschot. Uit een document uit 1277 blijkt dat de pastoor de kerk van de H. Maria en H. Odulphus bediende, waarin het kapittel van Sint-Petrus zetelde. De Sint Petrus kerk werd pas in 1268 gebouwd. Later verhuisde het kapittel naar deze nieuwe kerk, die toegewijd aan de patroonheilige van het kapittel.

Het kapittel van Hilvarenbeek dateert al van vóór 1157, het Rooise van vóór 1170. Het meest waarschijnlijk is het Oirschotse kapittel ook in de twaalfde eeuw gesticht. Willem, heer van Stapele schonk aan het kapittel inkomsten uit een tiende. Klaversma vermeld een Willem, heer van Stapele, genoemd in een oorkonde van 1167. Als Klaversma correct is, en de twee Willemen zijn een en dezelfde persoon, dan is ook dat een bevestiging voor de aanname dat het Oirschotse kapittel in de twaalfde eeuw bestond.

cijnzen in Oirschot

In het cijnsboek van 1340 van de hertog staat bij zijn inkomsten te Oirschot pro parte ducis (voor het deel van de hertog). De hertog deelde er zijn inkomsten dus met een ander. Dat we daarbij in de eerste plaats aan het kapittel, of de familie van Oirschot moeten denken, volgt uit een acte van 30 november 1301. Een lakenkoopman in den Bosch verkoopt dan een erfcijns op zijn goederen te Oirschot, die met dezelfde penningen betaald moet worden als de cijnzen van de hertog van Brabant, de cijnzen van heer Danekinus van Orschot, ridder, en de cijnzen van het kapittel van Orschot. Dit bewijst dat er in 1301 in Oirschot drie cijnsheffers waren, de hertog, het kapittel, en de familie van Oirschot. Deze drie inden bovendien cijnzen in hetzelfde geld, wat er op wijst dat er een of ander verband tussen hun cijnzen bestond.

de cijnzen van het kapittel

Het kapittel had de zielzorg in de parochiekerken van Oirschot, Best (vanaf 1553), Bladel, Middelbeers, en Vessem & Wintelre. Het bezat in die plaatsen de tienden en het patronaatsrecht. Best, Middelbeers, Vessem en Wintelre en vermoedelijk Knegsel vormden eertijds samen met Oirschot één parochie. Bladel is een verhaal apart. In de twaalfde eeuw pretendeerde ook Postel daar de kerk te bezitten.

Naast het kerkelijk bezit , beurde het kapittel inkomsten uit cijnzen. In het cijnsboek van het kapittel van 1617 zijn haar cijnzen als volgt geadministreerd:

vanaf folio dorpen in aanhef betaaldag

fol. 1 Abruggen in Oirschot geboorte H. Maria

fol. 5 Eijndovia geboorte H. Maria

fol. 19v Vessem St. Lambertus

fol. 29 Son St. Hubertus

fol. 30 Lyemdt, Esch, Hall, Belveren St. Hubertus

fol. 32 Woensel St. Hubertus

fol. 36 Oerle, Knechsel, Loon, Bladel, Wyntelre St. Hubertus

fol. 37 Berze St. Hubertus

fol. 42 Meyrde St. Hubertus

fol. 47 Esbeecke, Gorop, Poppel, Baeschot St. Hubertus

fol. 49 Oirschot, Best St. Hubertus

fol. 77 Waelwyck bij Eersel St. Hubertus

fol. 78 Oerle St. Martinus

fol. 84 Eersel dag na St. Martinus

fol. 89v Weerdt dag voor St. Lambertus

fol. 93 Esch octaaf van St. Lambertus

fol. 94 Gestel St. Michiel

fol. 96 Oirschot St. Hubertus

fol. 101 Berze St. Hubertus

fol. 103 Nuenen en Gerwen St. Hubertus

fol. 103v Bocxtell St. Hubertus

fol. 105 Strijp St. Martinus, voormiddag

fol. 110 Oerle St. Martinus, namiddag

fol. 113 Weerd (door Henricus Michaelis en Joannis Roefs)

fol. 123 Oirschot (in payment geld)

fol. 144 Gestel bij Eindhoven

fol. 145 Steensel

fol. 146 Berse

fol. 147v Zeelst en Combeeck (pacht)

Als het kapittel eigen grond tegen een cijns uitgaf, kon zij zelf de cijnsdatum vaststellen. Als zij cijnzen die door anderen ingesteld waren verwierf, bleef in de regel de oude cijnsdatum gehandhaafd. Omdat het kapittel vóór 1268 onderdak had in de oude Mariakerk te Oirschot kunnen we ons afvragen of de cijnzen die betaald werden op de geboortedag van de H. Maria cijnzen zijn, die al heel vroeg door het kapittel zelf ingesteld zijn, bijvoorbeeld door eigen bezit tegen een cijns uit te geven. Dit vermoeden wordt gesterkt doordat het cijnsboek begint met Oirschotse Mariacijnzen. Op fol. 18 staan cijnzen vermeld: "van de kerk van de H. Maagd Maria, ontvangen in Eijndovia". Cijnsboeken werden vaak overgeschreven uit een eerder cijnsboek, en aanwinsten zullen daar aan toegevoegd zijn. De cijnsdata van fol. 1 tot en met 89 hebben echter een chronologische volgorde, zodat het ook mogelijk is dat dit eerste deel van het cijnsboek op chronologische volgorde is opgemaakt, zoals ook in grote lijnen met het cijnsboek van de hertog het geval is. Het een hoeft het ander overigens niet uit te sluiten.

In Vessem inde het kapittel cijnzen op Sint Lambertus. Een van die cijnzen was werd betaald uit een akker gelegen bij de kerk van Vessem. Zoals gezegd was Sint Lambertus de patroonheilige van zowel een van de Vughtse kerken als de Vessemse kerk. Het een en ander doet vermoeden dat de familie van Vught te Vessem gegoed was, en dat later deze cijnzen aan het kapittel kwamen.

Verreweg de meeste cijnzen van het kapittel moesten echter op Sint Hubertus in Oirschot afgedragen worden.

De cijnzen van de hertog

Ook de hertog inde in Oirschot cijnzen op Sint Hubertus, en daarnaast op de vooravond van Maria Geboorte.

Het nominale bedrag aan cijnzen dat de hertog in 1314 in Oirschot inde was (zie appendix I).

Vooravond van

Maria Geboorte: Hubertus:

- oude penningen 438,5 295,0

- nieuwe penningen 37,0 9.217,5

- hoenderen 6 12

- kapoenen - 4

- penningen payment - 38

- zwarte penningen - 3

- vlaamse penningen - min 1

- oude groten - 99,5

Het grotere aantal aan oude penningen bij de cijnzen die op de Vooravond van Maria Geboorte betaald werden suggereert dat dit kleinere pakket cijnzen gemiddeld wat ouder is, dan de Hubertuscijnzen. Bij de Mariacijnzen komen cijnzen voor gelegen te Spoerdonc, en voor de visserij bij Spoerdonc. De Hubertuscijnzen lagen over heel Oirschot verspreid.

Rentmeester Tielman vermeldt in zijn afrekening dat de hertog van Brabant in Oirschot maar een deel van de cijnzen inde. Hij geeft de bedragen voor "het deel van de hertog". Uit de andere cijnsdorpen waar de hertog de cijnzen deelde (bijvoorbeeld: Bakel, Deurne, Vessem, Wintelre) blijkt dat de lijst met cijnzen bij de verschillende cijnsdorpen de hele ongedeelde bedragen geeft. Dat maakt het mogelijk om te bepalen hoe groot ‘s hertogs deel was. Dat blijkt steeds de helft te zijn. Behalve in Oirschot! In de onderstaande tabel zijn de (omgerekende) bedragen van de beide cijnsdata in Oirschot opgeteld, en vergeleken met de bedragen van Tielman.

Oirschot cijnzen fol. 1-2v en fol. 66-72v

 

Tielman fol. 91v-96v (pro parte ducis)
oude penningen 708,5 704,0
nieuwe penningen 10.714,0 11.040,0
hoenderen 28 30

Tabel 21 vergelijking van de bedragen van de Oirschote cijnzen op fol. 1-2v en 66-72v (m.u.v. 70-70v), met de bedragen genoemd door rentmeester Tielman

Het merkwaardige is nu dat het deel van de hertog in 1340 alles blijkt te zijn. De meest aannemelijke verklaring is dat de aantekening ‘voor het deel van de hertog’ overgenomen is uit een vorig register, en dat de hertog kort voor 1340 nog wel zijn cijnzen in Oirschot deelde. Mogelijk is er een verband met de verkoop in 1320 van de halve heerlijkheid Oirschot door Walter, zoon van Daniel van Oirschot aan Rogier van Leefdaal.

Gunterslaer

Gunterslaer was onder Oirschot gelegen. Tegenwoordig ligt de buurtschap in de gemeente Best en heet de buurt de Vleut. De cijnzen van Gunterslaer zijn op fol. 70-70v later tussengevoegd bij de Oirschotse cijnzen tussen de letters 'L-' en 'M-'. Van veel percelen zijn zowel perceelsgrootte en cijnsbedrag gegeven. Hieruit blijkt dat op Gunterslaer percelen uitgegeven zijn voor een norm van 6 groten per bunder, ofwel 8 schellingen payment per bunder. (Met uitzondering van cijns nr. 38, die uitgegeven is tegen het halve bedrag aan heer Willem van den Bossche.)

Bij de afrekening van Tielman komt op fol. 93 voor:

Aldaar (in Orscot) van het bos genaamd Gunterslaer, 34 nieuwe ponden, 15 nieuwe schellingen en 3 nieuwe penningen. (Omgerekend 11.124 penningen payment.)

Deze cijnspost is doorgestreept, en bij de bedragen in payment staat op fol. 92 een bijschrift in het handschrift dat in 1340-1341 gangbaar was bij het overschrijven van de cijnzen:

van het goed in Gunterslaer, 46 pond payment en 8 schellingen payment (Omgerekend: 11.136 penningen payment)

Het totaal van de cijnsposten van Gunterslaer, zoals op de toegevoegde folio's 70-70v gegeven is, is: 9.842 penningen payment plus 84 groten. (Omgerekend: 11.186 penningen payment).

De conclusie is dat de hertog een bos te Gunterslaer bezat waarvoor een cijns van 15 nieuwe schellingen en 3 nieuwe penningen cijns betaald werd. Omstreeks 1340-1342 werd dit bos verkaveld, en tegen een zodanige cijns uitgegeven dat de totale inkomsten voor de hertog nagenoeg gelijk bleven.

De cijns uit Gunterslaer werd betaald op Allerheiligen. Dit wijst er op dat dit goed mogelijk eerder aan de abdij van Sint-Truiden behoorde. Deze abdij inde haar cijnzen te Oirschot op 1 november.

Bezittingen van de familie van Vught - Oirschot

Dat de heren van Oirschot eertijds in Oirschot cijnzen inde volgt uit de hiervoor aangehaalde acte uit 1301. Klaversma, aangevuld door Lijten, heeft de bekende gegevens betreffende de familie van Vught - van Oirschot in kaart gebracht.

De heren van Oirschot kwamen voort uit het geslacht Van Vught. Er zijn enkele twaalfde-eeuwse vermeldingen van het geslacht als getuigen in Utrechtse en Gelderse oorkonden. In 1173 had Willem van Uctene met Berta van Bladel het dominium over een bos in Bladel. In 1219 getuigen Boudewijn van Vught en zijn moeder Agnes samen in een oorkonde betreffende goed in Bladel dat van de kerk van Oirschot leenroerig was. Het Oirschotse kapittel, waarover de familie van Vught voogd was, bezat later in Bladel de tienden en het patronaatsrecht. In 1216 treden de voogden B. en D. op in een oorkonde van een Oirschotse kanunnik. Dat zullen Boudewijn en Daniel geweest zijn. Boudewijn van Vught leefde nog in 1257, zodat Daniel en Boudewijn ongeveer in de periode 1190-1260 geleefd zullen hebben.

Omstreeks 1195 getuigde een Daniel van Fugthe voor de hertog als die aan Orthen, dat nu Bosch heet, een keur geeft. Deze Daniel van Fughte was van een eerdere generatie (oom, vader, grootvader?) dan de Daniel die in 1216 en 1219 genoemd wordt. Klaversma beschouwt de in 1173 genoemde Willem als vader van Boudewijn en Daniel. Willem kan echter ook de grootvader geweest zijn (hij leefde dan omstreeks 1130-1200), en Daniel van Fughte de vader (+/- 1160-1230).

Hoe het ook zij, uit latere gegevens is duidelijk dat Agnes’ zoon Boudewijn bezittingen te Vught erfde, en Daniel bezittingen te Oirschot. Boudewijn sloot op 1232 een overeenkomst met de hertog, waardoor hij zijn bezittingen te Vught grotendeels verloor. Over de overeenkomst is al veel geschreven, zonder dat er volledige duidelijkheid gekomen is. Bepaald werd het volgende.

  1. Boudewijn schenkt zijn eigen bezittingen (omne allodium), gelegen tussen Molregrave en de Maas aan de hertog en krijgt het weer als leen terug. Boudewijn heeft dat allodium met zijn broer Daniel in gezamenlijk bezit.
  2. Boudewijn geeft de helft van het dorp Vught (villa quae vocatur Vught) met alle toebehoren, behalve hetgeen hij van de graaf van Gelre in leen had, over aan de hertog van Brabant.
  3. Boudewijn zal al zijn gerechten over de Kempen (omnes jurisdictiones suas super Kempiniam) die zijn vader en diens voorgangers hadden bezeten, alleen behouden.
  4. De hertog zal de mensen van Boudewijn of Daniel niet opnemen in zijn steden, maar dat geldt niet voor hen die nu al in den Bosch wonen.

Karel Leenders heeft de Molengraaf geïdentificeerd als de verbinding tussen de Beerse en de Dommel in het centrum van Boxtel. De eigen bezittingen tussen de Molengraaf en de Maas duidt dan op de Vughtse allodia. De Oirschotse bezittingen bleven dus buiten de transactie. In 1257 verkoopt Boudewijn "eens heer van Vught" zijn allodia tussen de Molengraaf en de Maas en andere allodia aan de hertog van Brabant.

Volgens mijn inzicht betreft de tweede passage de heerlijke rechten te Vught, waaronder de rechtspraak en het gezag over de woeste gronden (inclusief de daaraan verbonden cijnsinkomsten). Goed dat leenroerig was aan de graaf van Gelre bleef onder de jurisdictie van Gelre.

Over de gerechten over de Kempen bestaat veel verwarring. Het overheidsgezag in de eninge van de Kempen was in 1203 van de graaf van Gelre naar de hertog overgegaan. De familie van Vught had op een enkele plaatsen binnen de eninge en net buiten dat gebied heerlijke rechten. Het gaat dan om Vught, Oirschot, Vessem & Wintelre en Bladel. Overigens hoeft het gebied dat deze jurisdicties bestreken niet gelijk te zijn aan de latere dorpsgrenzen. Het werd in eerste instantie uitgeoefend over horigen (later pachters, leen- en cijnsmannen), en pas later over een gebied.

In Vught verwierf de hertog vermoedelijk het halve heerlijke gezag door middel van de overeenkomst in 1232. In Oirschot had de hertog vermoedelijk al in de twaalfde eeuw een voet aan de grond vanwege zijn eigen bezittingen aldaar. In Oirschot, voornamelijk op Spoordonk, was ook de familie van Vught-van Oirschot gegoed. Die situatie heeft in Oirschot tot het ontstaan van één rechtsgebied met twee halfheren geleid.

Oirschot bleef wat de jurisdictie betreft nog lange tijd tweeherig. Wat de woeste gronden betreft, blijkt uit de aantekening pro parte ducis in het cijnsboek van 1340 dat de hertog de inkomsten uit de cijnzen tot kort voor 1340 met de andere halfheer gedeeld heeft. Het is daarbij opmerkelijk dat de hertog vanaf 1301 in Oirschot grote percelen van de woeste gronden en gemeintes uitgeeft, zonder dat er sprake is van rechten van de andere halfheer.

Wel blijkt de gemeint van Oirschot, die in 1311 uitgegeven werd te grenzen aan sicus limitis thimi liberorum quondam dictorum Denkenskinderen se extendunt. Hieruit blijkt dat de kinderen van Daniel, halfheer van Oirschot, dan over een eigen stuk woeste grond beschikken.

conclusie

In de twaalfde eeuw waren er in Oirschot twee heren; in Spoordonk de familie van Vught, en elders de graaf van Leuven (later hertog van Brabant). Volgens de traditie hebben deze beide heren gezamenlijk het Oirschotse kapittel gesticht. Vanaf het einde van de twaalfde eeuw werden de woeste gronden uitgebaat. Mogelijk deden in eerste instantie beide heren dat op eigen houtje.

Op een gegeven moment (vroeg in de dertiende eeuw?) is er een regeling getroffen. In plaats van twee nabij gelegen rechtsgebieden (Spoordonk en Oirschot) werd Oirschot één rechtsgebied met twee halfheren. Ook lijkt het er op dat de inkomsten uit de woeste gronden verdeeld zijn. De precieze gang van zaken is niet duidelijk, ook omdat het kapittel er als derde partij bij betrokken lijkt te zijn geweest.

Ook is de situatie wat de cijnsdata betreft niet helemaal duidelijk. De cijnsdatum (vooravond van) Maria Geboorte lijkt gezien de ligging van het cijnsgoed gerelateerd te zijn geweest aan Spoordonk, en dus de familie van Vught. Hier kan Maria als patroonheilige van de Oirschotse kerk bepalend zijn geweest. Sint Hubertus is zowel voor het kapittel als voor de hertog van Brabant de belangrijkste cijnsdag. Als de hertog inderdaad het kapittel in Oirschot mede opgericht heeft, was hij er eerder, en moeten we de cijnsdag Sint Hubertus aan de hertog koppelen. Daar is echter nog geen volledige overeenstemming over.

5.4 Sint-Oedenrode

In Sint-Oedenrode waren twee cijnsdata Sint Remigius (1 oktober) en Sint Dionisius (9 oktober). De Remigius cijnsdatum is waarschijnlijk ouder dan de Dionisius cijnskring. We vinden onder de Remigius cijnzen een archaïsch aandoende cijns betaald in rogge, een cijns betaald in keulse penningen, en bovendien begon de cijnsinning met de Remigiuscijnzen.

De Dionisius cijnzen op 9 oktober waren volgens de Helmondse cijnsboeken de cijnzen van binnen de vrijheid (infra libertatem). Hiermee zal de Oude Vrijheid bedoeld zijn, die het centrum van Sint Oedenrode en Eerschot omvatte. Sint-Oedenrode kreeg in 1232 vrijheidsrechten, zodat de eerste gedachte is dat deze cijnzen van na 1232 dateren.

Niet alle toponiemen die in 1340 bij de Dionisius cijnzen genoemd worden zijn binnen de vrijheidsgrenzen te lokaliseren. Dionisius cijnsgoed lag ook buiten de Oude Vrijheid te Ollant, Onstade, Cranendonc, Espendonc, Vressel, en te Eerde. Andersom lijkt een klein deel van het Remigius cijnsgoed wel binnen de vrijheidsgrenzen te liggen (bonis ten Noyle). Dit probleem wordt opgelost door er van uit te gaan dat in de Dionisius cijnskring eertijds de Dionisius-mannen hun cijnsgoed betaalden, en in de Remigius cijnskring, de Remigius-mannen. Met andere woorden voor omstreeks 1300 was de woonplaats van de cijnsbetaler bepalend voor de plaats waar de cijns afgedragen werd, en niet de ligging van het cijnsgoed.

De Dionisius cijnskring bestaat dan uit cijnzen uit cijnsgoed van de bewoners van de Oude vrijheid. Als cijnsbetalers komen onder andere voor: de deken van het kapittel van Sint Oda, het altaar van Sint-Agatha in Rode, de rector van het altaar van Sint Georgius in Eerschot, de kerk van Eerschot, het Gasthuis in Rode, en de geburen van Rode. Als laatste cijnsdag van de peellandse reeks cijnzen zouden de Dionisius cijnzen op 9 oktober aan de reeks van 1 tot 8 oktober toegevoegd kunnen zijn.

Het is ook mogelijk dat de Dionisius cijnskring ouder is dan 1232. De cijnsdata in de Kempen, die van vóór 1203 moeten dateren (want ze zijn vanuit Sint Oedenrode door de graaf van Gelre georganiseerd, zie paragraaf 5.3) zijn immers gedefinieerd in ‘zoveel dagen na Dionisius’. Het is geen dwingende reden, maar het geeft te denken. Ook kan opgemerkt worden dat het geven van vrijheidsrechten elders niet tot een nieuw cijnsdorp leidde. In Eersel, of Oerle vinden we bijvoorbeeld maar één cijnsdatum, en geen twee data voor binnen en buiten de vrijheid. Zelfs in Oisterwijk waar binnen en buiten de vrijheid een ander recht voor de cijnsopvolging bestond, was maar één cijnsdatum. Waarom zijn er in Sint-Oedenrode wel twee cijnsdata? Waarom voldeed de al bestaande cijnsdatum Remigius niet, om ook de cijnzen van binnen de vrijheid te administreren?

Men kan veronderstellen dat de Dionisius-mannen de mannen waren die eertijds onder het gezag van de burcht van Rode vielen. De Remigius-mannen vielen dan onder de jurisdictie van een andere heer. Ik denk dan aan Eerschot. De kerk van Eerschot was de parochiekerk, en ging in 1232 vermoedelijk met het graafschap Rode over aan de hertog van Brabant. De van Rodes zullen dan in Eerschot gegoed geweest kunnen zijn, voordat een tak van de familie in de elfde eeuw wat verderop aan de Dommel een burcht bouwden. Hierbij moet dan wel de Eerschotse cijnskring in stand zijn gebleven, en in Rode een nieuwe cijnskring gesticht zijn. Na 1232 werd de Dionisius cijnskring van de Rooise burcht de cijnskring van de Oude Vrijheid. Hieronder viel toen ook het oude Eerschotse bezit. De cijns die de kerk van Eerschot in de Dionisius cijnskring betaalde, moet dus van ná 1232 dateren, anders was die cijns in de Remigius cijnskring terecht gekomen.

5.5 De Brabantisering van Peelland en Kempenland

Otto II, graaf van Gelre deed op 11 november 1231 afstand van het nogal mysterieuze graafschap Rode ten behoeve van hertog Hendrik I van Brabant, uit hoofde van een overeenkomst aangegaan tussen zijn vader Gerard (1207-1229) en de hertog. In 1203 had Otto I, graaf van Gelre (1182-1207) al afgezien van zijn rechten op de ook nogal raadselachtige eninge van de Kempen.

In paragraaf 2.2 hebben we aan de hand van de cijnsdata de omvang van het graafschap van Rode en de eninge van de Kempen gereconstrueerd. Volgens deze reconstructie verwierf de hertog niet eerst gezag in het gebied van de latere Meierij van den Bosch, om er hierna een bestuursindeling in vier kwartieren en de stad en vrijdom 's-Hertogenbosch in te stellen, zoals tot nu toe verondersteld wordt. Het lijkt waarschijnlijker dat de hertog oudere bestuurlijke eenheden als de eninge van de Kempen en het graafschap van Rode min of meer intact liet. De eninge en het graafschap werden uitgebreid met latere aanwinsten, waardoor geleidelijk de kwartieren Kempenland en Peelland ontstonden. Met 's-Hertogenbosch, bezit in Maasland en in de regio rond Oisterwijk werd dat in de Meierij samengevat. In deze paragraaf zullen we dit proces meer in detail bespreken.

de cijnsinning van de graaf van Gelre op de Veluwe

De reconstructie van het graafschap Rode en de eninge van de Kempen is gebaseerd op de veronderstelling dat de graaf van Gelre in de twaalfde eeuw daar al een cijnsorganisatie had. De eerste vraag die opkomt is: Wat is bekend over de inning van de grondcijnzen door de graaf van Gelre elders? Het oudste bericht dateert uit 1187 of 1188. De graaf van Gelre bezat volgens die acte de wildban, en vanwege inbreuk daar op moest aan hem ruminga de Velua betaald worden. Heringa interpreteert de acte als volgt: De graaf van Gelre had stukken veen in Oldebroek uitgegeven aan kolonisten uit Holland. Dit moeras lag tussen bezittingen van de graaf van Gelre en de bisschop van Utrecht in. Dit maakte het nodig om een grens in het veen af te bakenen. Hierdoor kwam aan het licht dat een aantal kolonisten teveel land van de graaf van Gelre ontgonnen had. Zij moesten dit goed ontruimen, of het zogenaamde ruimgeld betalen. Het ruimgeld was een gevolg van de wilban die diende tot bescherming van de woeste gronden ten behoeve van de jacht. Een keer in de vier jaar gingen de wildvorsters van de graaf van Gelre rond om aantastingen van de woeste gronden op te sporen, en weer te doen ontruimen. Men mocht het goed behouden tegen een betaling van een boete en een erfpacht, het ruimgeld, of ruminga. Tijdens de rondgang werden ook de ruimgelden van de vroeger aangegraven stukken grond geïnd. Het ruimgeld was op de Veluwe een korte voorfase. Al snel werd het mogelijk om vooraf toestemming te krijgen voor ontginningen. Daarvoor werden grondcijnzen betaald. De rentmeester van de graaf van Gelre of zijn dienaar trok rond om de cijnzen te innen. Hij begon op 10 november te Oosterbeek, en reisde dan, soms met enkele dagen er tussen, de verschillende ambten af, totdat begin december alle cijnzen geïnd waren.

Als we deze gegevens vergelijken met de situatie in de eninge en het graafschap, dan zien we dat de rentmeester van de graaf van Gelre daar zijn cijnzen met eenzelfde soort rondgang langs de verschillende cijnsdorpen inde. Het was een meer algemeen gebruik, dat we bijvoorbeeld ook aantreffen bij de cijnsinning van de abdij van Sint Truiden in Woensel en omstreken. Verder is er een acte die gewag maakt van het feit dat de graaf van Gelre op de Veluwe in 1187 of 1188 geld vroeg voor de aantasting van de woeste gronden. Dat ondersteunt de gedachte dat de graaf van Gelre in dezelfde periode in de Peel en de Kempen hetzelfde deed. De term "ruimgeld" is echter in de eninge en het graafschap niet aangetroffen, en is op de Veluwe zeldzaam.

In de cijnsboeken van de hertog en de heer van Helmond komt geen gelders geld voor. De graaf van Gelre sloeg in de twaalfde eeuw nog geen eigen munten. Er zal betaald zijn in het plaatselijk gangbare geld, vermoedelijk keulse of (oude) brabantse penningen. In die periode was het muntstelsel nauwelijks gedifferentieerd, en was het niet nodig penningen nader aan te duiden.

cijnsinning en bestuurlijke organisatie in Peelland

Als we naar de ligging van de cijnsdorpen in Peelland kijken, dan lijkt de keuze van de cijnsdorpen nogal willekeurig en hier en daar ook onlogisch. Waarom bijvoorbeeld werden in Sint-Oedenrode twee keer cijnzen geïnd, ofwel op twee plaatsen, te Eerschot en in Sint-Oedenrode? Waarom in Lieshout, Aarle en Stiphout, drie plaatsen zo dicht bij elkaar? Waarom niet in Eerde, of in Nijnsel?

AFBEELDING 5

Afb. 5 Kaart van Peelland met de ligging van bodems die bestaan uit oude bosgronden. Hierop kwamen de eerste ontginningen en nederzettingen tot stand.

Cijnsinning vraagt een zekere rechterlijke organisatie. Ook in die tijd moesten mensen soms door sancties tot betalen aangezet worden. Was de keuze van de cijnsdorpen gebaseerd op een al bestaande rechtsorganisatie in het graafschap?

Toen de hertog in de dertiende eeuw grote delen van de Meierij onder zijn gezag wist te brengen, gedoogde hij het gewoonterecht of costuijmen die veel plaatsen hadden. De costuijmen van Rode zijn nog nooit onderwerp van een gedegen studie geweest, en het is niet uit te sluiten dat zo’n studie nog eens licht zal werpen op de oorsprong van dit recht en mogelijk de familie van Rode. De rooise gewoonterecht werd in 1547 voor het eerst op schrift gesteld, maar een deel van de costuijmen, zoals het erfrecht en het rooise leenrecht dat al in 1312 vermeld wordt, dateert mogelijk nog uit de tijd van het graafschap. Een deel van de rooise rechtsregels is zeker later ontstaan. Zo is de regel, dat een schuldeiser die zijn papieren verliest daarmee niet tevens zijn rechten verspeelt, ontstaan door sekere ordonnantie gemaeckt tuschen die Stadt van den Bossche ende haer Meijerije, zodat deze regel noodgedwongen dateert uit de dertiende eeuw of later. Door Mr. A.R.M. Mommers, W. Heesters en dr. C.S.M. Rademaker, en Prof. Mr. J.P.A. Koopmans worden het erfsecretariaat van Peelland en het recht van ingebod dat Sint-Oedenrode (met Eindhoven en Helmond) over het kwartier van Peelland had, in verband gebracht met het graafschap van Rode, maar dit ambt en dit recht dateren uit de tijd van de hertog van Brabant. De basisregel van het rooise leenrecht was dat de oudste zoon het leengoed erfde, vrouwen konden niet opvolgen in een leengoed. Dit week af van het brabantse recht, en de betreffende leengoederen kregen in de veertiende eeuw geleidelijk allemaal het brabantse recht.

De costuijmen van Rode waren van kracht waren voor een aantal Peellandse plaatsen, de zogenoemde consorten van Rode, te weten Sint-Oedenrode, Liempde, Son en Breugel, Stiphout, Lieshout, Aarle-Beek, Bakel, Deurne, Lierop, Tongelre, Nuenen, Gerwen en Nederwetten, Erp, Veghel en Schijndel, die ook in hoger beroep konden gaan bij de zogenaamde hoofd- of leenbank van Sint-Oedenrode. Al deze plaatsen blijken tot de cijnskring Peelland te horen. Dit suggereert een verband tussen de rechterlijke - en de cijnsorganisatie in Peelland.

AFBEELDING 6

Afb. 6 Plaatsen waar de costuijmen van Rode gebruikt werden (R) en de plaatsen van de cijnskring Peelland (C).

Horigen moesten eertijds diensten aan een heer op het betreffende hof leveren. Als die diensten omgezet werden in een cijns, evolueerde zo'n hof naar een cijnshof, of cijnsgerecht, waaraan de cijnsgenoten onderworpen waren. Die cijnsgerechten werden in latere tijd weer de cijnsdorpen. Als de betreffende heer belangrijk was, evolueerde het hofgerecht tevens tot de belangrijkste schepenbank voor de betreffende plaats. Dat impliceerde dat de heer de hoge rechtsmacht over vrije mannen in de plaats had.

De schepenbanken van de hertog in Peelland worden in de dertiende tot vijftiende eeuw voor het eerst genoemd, maar de data van ontstaan zijn onbekend en liggen in eerdere tijden. Omdat deze schepenbanken juist op die plaatsen voorkwamen, die een cijnsdorp waren, is het aannemelijk dat ze voortkwamen uit oudere hofgerechten van ofwel de van Rodes ofwel de graaf van Gelre. Vanwege het verband met het Rooise recht, zullen dat hofgerechten onder het gezag van de van Rodes geweest zijn. Er zijn echter enkele uitzonderingen:

In Lieshout gaat de schepenbank terug op kerkelijk bezit. Al in de twaalfde eeuw is hier sprake van een lokale heer. Wel is in Lieshout in latere tijd het rooise recht van kracht.

De Rode-Remigius cijnskring gaat mogelijk terug op een cijnsdorp Eerschot. Van een hofgerecht, of schepenbank in Eerschot zijn echter geen sporen overgebleven. Wel is opmerkelijk dat de kerk van Eerschot nog een rol speelt als plaats van afkondiging in het Rooise recht. Eerschot en Everse vormden in latere tijd nog een aparte borgemeesterhoek, met een eigen administratie. Met het geven van vrijheidsrechten in 1232 aan de bewoners van Sint-Oedenrode, kwam ook Eerschot binnen de grenzen van de Oude Vrijheid te liggen. Als Eerschot daarvoor een eigen schepenbank heeft gehad, dan kwam daaraan zeker in 1232 een einde. Het is duidelijk dat in Eerschot het rooise recht van kracht bleef.

Vlierden heeft tot 1468 een burengerecht gehad, en in Vlierden was ook het rooise recht niet van kracht.

Someren kreeg pas in 1301 van de hertog een schepenbank, en ook in Someren was het rooise recht niet van toepassing. In Someren hadden van Rodes concurrentie van andere heren. Al in de twaalfde eeuw vinden we de aanzienlijke vrouw Bescelea van Someren vermeld. De positie van de van de van Rodes, c.q. graaf van Gelre in Someren was zwak vergeleken met het Sint-Lambertus kapittel uit Luik. We zien dit aan de lage hoeveelheid cijnzen die de heer van Helmond in Someren inde, en aan het feit dat door het Sint-Lambertus kapittel een gemeint in Someren uitgegeven werd. De acte van 1301 vermeld overigens dat ook de hertog (mogelijk als rechtsvolger van de van Rodes) voor 1301 al een gemeint aan de geburen van Someren heeft gegeven. Het hofgerecht van de van Rodes te Someren zal overvleugeld zijn geweest door het hof van het kapittel aldaar.

Nadat de hertog in 1231 het graafschap van Rode verwierf, werden in het cijnsdorp Middelrode ook cijnzen betaald in nieuwe penningen, (dus vermoedelijk voornamelijk uit nieuwe uitgiften), te Berlicum onderbracht. Vanuit Middelrode breidde de hertog kennelijk zijn invloed in die regio naar de andere kant van de Aa uit. De nieuwe penningen in Middelrode werden in 1314 door de hertog zelf gehouden, kennelijk omdat ook die niet als een deel van de oorspronkelijke cijnskring beschouwd werden. Middelrode behoorde later onder de schepenbank van Berlicum, en werd hiermee een deel van het kwartier Maasland. Omdat voor Berlicum het rooise recht niet gold, ging dat recht voor Middelrode verloren.

 

Ook in Deurne hield de hertog in 1314 de cijnzen betaald in nieuwe penningen. Eerder constateerden we dat er in het begin van de dertiende eeuw, wellicht niet lang nadat de hertog in 1231 het graafschap Rode definitief verwierf, er vermoedelijk een regeling getroffen is, tussen de hertog en de abdij van Echternach. De hertog deelde hierna de cijnzen, allemaal betaald in nieuwe penningen, te Deurne, en Bakel met de abdij, en deelde de cijnzen in Vlierden niet. Heeft dit er toe geleid dat in 1314 de deurnese cijnzen in nieuwe penningen niet als deel van het graafschap Rode beschouwd werden? Maar waarom werden de cijnzen in nieuwe penningen te Bakel in 1314 dan wel aan de heer van Helmond gegeven.

Vanwege de overeenkomst van 1220-1240 kregen de Bakelse, Vlierdense en Deurnese cijnzen betaald in nieuwe penningen een eigen status, en dat is dan wellicht de reden dat de hertog in 1314 de Deurnese cijnzen betaald in nieuwe penningen zelf hield. Maar waarom hield de hertog toen soortgelijke cijnzen te Bakel en Vlierden niet zelf? Het resultaat van onderhandelingen, een compromis?

 

De hertog hield bij de ruil van 1314 kennelijk die cijnzen zelf die een eigen status hadden en geen deel waren van het cijnspakket dat hij in 1231 met het graafschap Rode van de graaf van Gelre verwierf. Ook de hoendercijnzen werden in 1314 door de hertog gehouden, en vinden in deze zienswijze hun oorsprong in uitgiften door de hertog nadat die in 1231 het graafschap Rode kocht.

Het is opmerkelijk dat de hertog de cijns voor de schepenbank in Someren (2 juli 1301), en de molen te Zomeren (30 november 1302) in 1314 niet aan de heer van Helmond gaf, maar zelf hield. We kunnen ons daarom afvragen in hoeverre plaatsen als Someren, Vlierden, Middelrode, Deurne en Lieshout wel tot het eigenlijke graafschap Rode behoorden. De graaf van Gelre kan immers het bezit dat hij van de van Rodes kreeg uitgebreid hebben, bijvoorbeeld door gezag op de woeste gronden te pretenderen, zoals hij ook in de Kempen gedaan lijkt te hebben.

Dat zou dan tot eigenaardigheden in de cijnsdata moeten leiden. Die data waren:

Rode (Eerschot) Remigius

Liempde 2 oktober voor de middag

Son 2 oktober na de middag

Stiphout 3 oktober 7.00 - 9.30 uur

Lieshout 3 oktober voor de middag

Aarle 3 oktober na de middag

Bakel 4 oktober voor de middag

Deurne 4 oktober na de middag

Vlierden 5 oktober 7.00 uur

Someren 5 oktober na de middag

Lierop 5 oktober 16.10- 17.00 uur

Tongelre 6 oktober voor de middag

Nuenen 6 oktober na de middag

Erp 7 oktober voor de middag

Veghel 7 oktober na de middag

Schijndel 8 oktober voor de middag

Middelrode 8 oktober na de middag

Rode 9 oktober voor de middag

Er blijkt een vrij strak stramien te zijn van een plaats voor de middag, een plaats van na de middag. Er zijn twee uitzonderingen: Stiphout en Lieshout allebei op één voormiddag. Het is mogelijk dat Lieshout, waar in de twaalfde eeuw een lokale heer, en het Servaaskapittel gegoed waren, een latere aanvulling is. Hoewel van Lieshout wel gezegd wordt dat het Rooise recht er van toepassing was, gaat de latere schepenbank van Lieshout vermoedelijk ook terug op een kerkelijke bank, en niet op bezit van de van Rodes.

De tweede uitzondering is Someren en Lierop beide op één namiddag. Dat bevestigt mogelijk de veronderstelling dat ook Someren een latere aanvulling is. Uit afbeelding 1 blijkt dat het weglaten van Lieshout en Someren uit de oorspronkelijke cijnskring neerkomt op een regelmatigere route, met wat minder ‘zwenkingen’. Volgens de cijnsdata gaan dan de cijnsdorpen en cijnsdata Deurne, Middelrode en Vlierden wel terug tot aan de tijd van de van Rodes. Dat ondanks dat burengerecht in Vlierden en het ontbreken van het rooise recht daar. Het blijkt overigens maar de vraag of we aan dat stramien: één plaats ‘s morgens en één plaats ‘s middags veel gewicht mogen geven.

Het bezit van de van Rodes

Eerder veronderstelde ik dat een oudere rechtsorganisatie in Peelland gebaseerd was op een netwerk van grootgrondbezitters met hun hofgerechten, die loyaal waren aan de familie van Rode. Van een aantal plaatsen weten we zeker dat er lokale elite geweest is, doordat deze eigen kerken stichtte. In bijna alle cijnsdorpen werd een kerk gesticht, en daarbuiten nergens.

Bij nader inzien blijkt de rechtsorganisatie van de familie van Rode in Peelland op eigen grondbezit gefundeerd te zijn. In de eerste plaats valt het op dat er niets bekend is van een leenband tussen de familie van Rode en elite in de Peellandse cijnsdorpen. Roois leengoed is er wel geweest. Dit leengoed lag echter voornamelijk nabij de burcht van Rode en deels ook buiten de regio van de cijnskring Peelland. De familie van Rode lijkt een klein feodaal netwerk van leenmannen gehad hebben, die hem met raad en daad terzijde stonden, en vermoedelijk zitting hadden in een hoofd- of leenbank. Deze leenmannen kunnen als opvolgers gezien worden van de ministerialen, onvrije, maar aanzienlijke dienstlieden, waarvoor Heilwig van Rode in 1133 kon beschikken. Het zou vreemd zijn als er daarnaast nog ander netwerk in de Peellandse dorpen geweest zou zijn, zonder enige leenband, waarop zijn juridische organisatie gebouwd was.

In de tweede plaats zagen we dat de Peellandse schepenbanken wellicht opvolgers zijn van hofgerechten van de van Rodes. Zo'n hof was gebaseerd op eigen grondbezit ter plekke. Als het hofgerechten van loyale heren betrof, zouden die in de plaatsen met een schepenbank cijnshoven gehad moeten hebben, en dat blijkt nergens uit.

AFBEELDING 7

Afb. 7 Rooise lenen en eigen bezittingen.

Er was in Peelland wel een lokale elite (die o.a. kerken stichtte). Het bestuur in het graafschap was echter niet op hun grondbezit gebaseerd, maar op het eigen grondbezit van de van Rodes. Dat hoeft geen groot grondbezit geweest te zijn. Een paar percelen met een hofje waren in principe voldoende. Een belangrijk gegeven is daarbij dat vanaf een gegeven moment ook de vrije mannen onder de jurisdictie van die hofgerechten vielen, behalve dan in (een deel van) Vlierden en Someren. In de omstreeks 1180 opgetekende Annales Egmundensens betreffende de verwikkelingen in 1133, wordt het bezit van Heilwig, dochter van Arnold van Rode omschreven als 'haar steden en wijdverbreide bezittingen' (urbes eius et possessiones latissimas). Die wijdverbreide bezittingen lagen in Peelland en in het rivierengebied. Sint-Oedenrode zal een van de bedoelde urbes geweest zijn. Urbes duidt dan op een plaats met een versterkt huis of kasteel, ook wel oppidum genoemd. Als we de annales letterlijk mogen nemen, dan bevonden zich in de peellandse cijnsdorpen of in het rivierengebied in 1133 meerdere versterkte huizen van Rode.

In het cijnsboek van 1340 van de hertog vinden we dat de hertog in Sint Oedenrode een cijns van 20 penningen payment inde voor domo domini ducis in Rodo voor het huis van de hertog in Rode. Verder werd er in Sint Oedenrode een cijns van 14 mud rogge betaald voor terra ducis, de grond van de hertog. Van 14 mud rogge, 3 mud gerst en 7 pond payment voor de grond van de hertog van wijlen Florentius van Gorc, 50 pond payment van de wateroliemolen, 40 pond payment van het goed van Rutgher Model, 25 pond payment van het goed van Gielis sRoden soen, en 16 pond payment van het goed van Jan van Straten, te betalen op Maria Lichtmis. Veel van deze aanzienlijke goederen zullen van de familie van Rode afkomstig zijn. In de andere Peellandse dorpen vinden we in 1340 dergelijk eigen bezit van de hertog niet vermeld. Mogelijk is daar in de twaalfde of dertiende eeuw het eigen bezit van de van Rodes omgezet in cijnsgoed. In dat geval zit dat goed verborgen in de cijnsboeken van de heer van Helmond, of in de hoendercijnzen, die de hertog bij de ruil in 1314 voor zichzelf hield. Voor de meeste andere Peellandse dorpen ontbreken helaas nog gedetailleerde reconstructies van ligging van cijns- en andere goederen in vroegere eeuwen.

cijnsinning en bestuurlijke organisatie in de Kempen

We zagen in paragraaf 2.2 dat de graaf van Gelre in de late 12e eeuw ook in de eninge van de Kempen een cijnsorganisatie had.

Het cijnsoppervlak in de eninge van de Kempen in het cijnsboek van de hertog van 1340 was (zie appendix VI):

cijnsdorp cijnsopp.

1180-1340

(bunders)

Oppervlak gemeente (bunders) Percentage van totaal oppervlak
Strijp

Stratum

Oerle

Beerze

Vessem & Wintelre

Eersel & Bergeijk

Lommel

91,2

127,0

269,5

274,2

297,0

1.094,0

184,4

700

1.088

3.181

3.092

3.592

12.166

6.015

13,0 %

11,7 %

8,5 %

8,9 %

8,3 %

9,0 %

3,1 %

TOTAAL 2.337,3

(7.8 %)

29.834

(100,0 %)

gemiddeld

7,8 %

Tabel 22 cijnsgoed in de eninge:

Lommel neemt in de eninge eenzelfde perifere positie in als Someren in het graafschap. De hoeveelheid cijnsgoed in 1340 in de Kempen (7,8 % van het oppervlak), is van dezelfde orde van grootte als dat in Peelland (9,5 %, zie paragraaf 5.1). Dat bevestigt het vermoeden dat de graaf van Gelre zowel in het graafschap als in de eninge de meeste woeste gronden in bezit had en in beide regio's vanaf omstreeks 1180 grondcijnzen op nieuwe uitgifen inde.

De situatie in de eninge van de Kempen was geheel anders dan in het graafschap. Eersel is de enige plaats in de eninge van de Kempen waar de hertog in 1340 eigen bezit, grond, had. Het is aannemelijk dat de hertog dit bezit tegelijk met de eninge verkreeg van de graaf van Gelre, en dat de graaf van Gelre in de twaalfde eeuw in Eersel een hof met een hofgerecht had. Een eninge is een gebied is met rechtsregels die voor die eninge gelden. De jurisdictie van de schepenbank van Eersel, eertijds pretorium genoemd, strekte zich omstreeks 1300 nog uit over een groot deel van de eninge. Pas in de loop van later eeuwen viel dit rechtsgebied geleidelijk uiteen in kleinere schepenbankgebieden.

AFBEELDING 8

Afb. 8 De opsplitsing van de schepenbankgebieden in de eninge van de Kempen.

Ca. 1120

Ca. 1200

Ca. 1230

Ca. 1309

Ca. 1460

Ca. 1561

Het voorgaande suggereert dat de graaf van Gelre in de eninge verder geen afhankelijke rechtsinstellingen had. Het feit dat in het graafschap vaste data voor de cijnsinning (1 oktober, 2 oktober etc.) aangehouden zijn, en in de eninge vaste dagen in de week (dinsdag, woensdag etc.) lijkt op een verschillende ontstaansgeschiedenis te wijzen. De cijnzen in de eninge werden geïnd op bepaalde dagen van de week na Sint Dionisius (9 oktober), de laatste cijnsdag in het graafschap. De cijnsdata in de eninge zijn dus aangepast aan die van het graafschap. De conclusie is dat graaf van Gelre in de eninge pas begon met het innen van cijnzen, nadat hij het graafschap van Rode verwierf. Ook dat is een aanwijzing dat de graaf van Gelre daarvóór in de eninge geen eigen cijnsorganisatie, en geen goederen met hofgerechten had. Het is goed mogelijk dat in de eninge de uitbating van de woeste gronden in de laatste decennia van de twaalfde eeuw pas een cijnsorganisatie noodzakelijk maakte. De nodige rechterlijke back-up werd in dat geval geheel vanuit Eersel gegeven.

Waarop baseerde de graaf van Gelre zijn gezag over de woeste gronden in de eninge, als dat geen eigen grondbezit was? In de tweede helft van de twaalfde eeuw was de graaf van Gelre iemand van groter gewicht in de regio geworden door de verwerving van het graafschap Rode. Omstreeks 1180 begon hij in het graafschap de woeste gronden uit te baten door middel van het innen van cijnzen op uitgiften. Heeft hij toen ook het gezag over de woeste gronden in de Kempen in een zo ruim mogelijk gebied om zijn hof te Eersel heen naar zich toegetrokken, en dat effectief gemaakt met het innen van cijnzen?

Als de graaf van Gelre in 1203 afstand doet van de eninge van de Kempen ten gunste van de hertog van Brabant, heeft de hertog het in zijn oorkonde over het recht dat de graaf van Gelre beweert te hebben. Dat bevestigt mogelijk dat de gelderse rechten in de eninge in 1203 nog geen lange traditie hadden. In het graafschap van Rode had Gelre sterkere rechten, waar de hertog op dat moment nog niet aankwam.

Het gebied van de eninge was duidelijk gedefinieerd in de zin dat vast stond welke cijnsdorpen er al dan niet onder vielen. Het gebied was niet strikt omlijnd. Als er geen van de graaf van Gelre afhankelijke rechtsinstellingen in de eninge waren, waarom koos hij dan (naast Eersel) Vessem, Wintelre, Beerze, Strijp, Stratum, Oerle, Bergeijk, Lommel, en wellicht Luyksgestel als plaatsen voor cijnsinning? Ook hier ontbreekt een logische geografische spreiding. De cijnsdorpen Stratum en Strijp liggen op korte afstand van elkaar. Waarom werden geen cijnzen geïnd in plaatsen als Riethoven, Steensel, of Casteren? Het was niet zo de graaf van Gelre cijnzen inde in alle gehuchten of ontginningseilanden waar geen andere heer of kerkelijke instelling zat. In een plaats als Bergeijk bevonden zich hoven van meerdere heren en kerkelijke instellingen, elders lijkt geen enkel hof te zitten.

AFBEELDING 9

Afb. 9 Kaart van Kempenland met de ligging van bodems die bestaan uit oude bosgronden.

In Duitse literatuur wordt een eninge gedefinieerd als een verbond, een gezworen overeenkomst. Een modern equivalent is unie. Een verbond tussen wie? De graaf van Gelre zal een partij geweest zijn, het hof, of de schepenbank in Eersel vervulde immers een centrale rol in de eninge. Wie waren de andere partijen? De cijnsdorpen? Wat hadden die dan wat andere gehuchten niet hadden? Gehuchten traden in de twaalfde eeuw nog niet als rechtspersoon op. In het oorkondenboek van Noord Brabant zien we omstreeks 1185 eerst ‘s-Hertogenbosch als rechtspersoon optreden, dan omstreeks 1230 de vrijheden, en pas vanaf 1287 de kleinere plaatsen in verband met het krijgen van gemeintes. In de twaalfde eeuw was op het platteland merendeel van de mensen vermoedelijk nog aan een of ander hof verbonden, vrije boeren legden vermoedelijk nog weinig gewicht in de schaal.

Mogelijk gaat de idee dat voor Peelland niet paste voor de eninge wel op. Mogelijk was het gezag van de graaf van Gelre in de eninge niet gebaseerd op grondbezit, maar op een verbond met loyale mensen. De familie van Vught was vermoedelijk in Vessem gegoed en had mogelijk de halve rechtsmacht in vessem en Wintelre. De familie van Vught was in 1232 een leenman van Gelre, en komt al in de 12de eeuw als getuige in Utrechtse en Gelderse oorkonden voor. Vessem en Wintelre waren cijnsdorpen. Ook het cijnsdorp Beerze kan zo ontstaan zijn. Verdere aanwijzingen ontbreken, maar om het komplot compleet te maken zou men kunnen zoeken in de richting van een voorganger van de familie van Bergeijk (later gegoed te Bergeijk, Luyksgestel en Lommel), en naar een of meerdere personen die in Oerle, Strijp en Stratum gegoed was. Er dringt zich een fraaie symmetrie op van een verbond tussen de graaf van Gelre met drie trawanten met elk drie cijnsdorpen, maar zo'n symmetrie zou natuurlijk opmerkelijk zijn.

AFBEELDING 10

Afb. 10 Hypothetische symmetrie van de eninge van de Kempen.

Als er zo’n verbond bestaan heeft omstreeks 1180-1200 zijn daar geen directe sporen van overgebleven. Het ging om een verbond tussen mensen, waarvan niet eens zeker is dat die allemaal leenmannen waren van de graaf van Gelre. En als ze al leenman waren, wat bij de heer van Vught het geval was, dan kan het betreffende leengoed best elders gelegen hebben, en dat hoeft dan niet in 1203 met de eninge overgegaan zijn aan de hertog. De betreffende trawanten kunnen ieder voor zich een eigen koers bepaald hebben. De van Vughts bleven trouw aan de van Gelres (en gingen met hen ten onder), leden van de familie van Oerle vinden we in de dertiende eeuw terug als functionarissen voor de hertog, en de familie van Eyk lijkt verdeeld te zijn in een pro- en een anti- hertog stroming. Dit alles is echter nogal hypothetisch.

verschillen tussen het graafschap en de eninge

Er zijn al met al opmerkelijk verschillen tussen het graafschap en de eninge. In het graafschap vermoeden we eigen bezittingen met hofgerechten van de familie van Rode waar omheen een cijnsorganisatie groeide. In de eninge is alleen te Eersel een aanwijzing voor een hofgerecht van de graaf van Gelre. De eninge werd in zijn geheel vanuit Eersel bestuurd, hier decentraliseerde de rechtsorganisatie zich pas later. De cijnsorganisatie lijkt hier pas opgezet te zijn, toen het wildernisregaal effectief begon te worden

Het lijkt misschien vreemd dat de rechts- en economische organisatie van een latere landsheer als de graaf van Gelre zich in de Kempen later ontwikkelde dan die van Arnold van Rode in Peelland. We moeten echter niet vergeten dat omstreeks 1120 het beeld er heel anders uit zag. Arnold van Rode was een bondgenoot van Hendrik van Cuijk, die op gelijke voet stond met de graven van Holland en Kleef. Omstreeks 1120 kon niemand voorzien dat die van Gelre het wél zouden gaan maken en die Van Rode niet.

Een andere reden is wellicht dat de familie Van Rode in haar rechtsgebied woonde, terwijl de eninge voor Gelre een afgelegen bezitting was. De familie Van Rode had vermoedelijk grondbezit in de latere cijnsdorpen, terwijl dat voor de graaf van Gelre in de eninge niet zo hoeft te zijn. Bovendien telde de eninge in de twaalfde eeuw waarschijnlijk maar ruim de helft van het aantal inwoners van het graafschap. In 1438 telden de dorpen van het graafschap samen 3.575 huizen, en die van de eninge 1933 huizen. De eninge was kleiner (42.260 bunder) dan het graafschap (64.380 bunder), en was in 1.438 met 4,5 huizen per 100 bunder ook minder dicht bewoond dan het graafschap, dat -ondanks het Peelmoeras- 5,5 huizen per 100 bunder telde.

Zoals ook elders gebruikelijk was, moesten de familie van Rode en de graaf van Gelre andere machthebbers in hun gebied tolereren. Zo genoten kerken en kloosters juridische immuniteit, dat wil zeggen dat heren en graven op het kloosterbezit niets te zeggen hadden. De indruk bestaat dat in de eninge meer goed zich aan het gezag van de graaf van Gelre onttrok dan in het graafschap. Van de oude kloosters en kapittels bezaten binnen de regio van de cijnskring Peelland minstens één abdij (Echternach) en twee kapittels (Sint Servaas uit Maastricht, en Sint Lambertus uit Luik) grond, cijns- of leengoed. De jongere kloosters, waren met Floreffe, Postel en Hooidonk vertegenwoordigd. Het klooster van Hooidonk stond te Nederwetten niet ver van Sint-Oedenrode. In de eninge waren vier oude abdijen (Echternach, Thorn, Sint Jacob te Luik en Sint Truiden) gegoed, en nog een viertal kapittels (de Luikse Sint Jan- en Sint Lambertuskapittels, het Maastrichtse Sint-Servaaskapittel, en het kapittel van Hilvarenbeek.) Ook de jongere kloosters, waren in de eninge met Tongerlo, Floreffe, Postel en Averbode ruim vertegenwoordigd. Regionale heren en aanzienlijke lokale elite voerden een eigen rechtspraak over hun eigen, leen- en cijnsgoed. Belangrijke twaalfde eeuwse elite vinden we in Peelland te Rixtel en Someren, en in de Kempen te Blaarthem en Lommel. Daarnaast bezat de heer van Herlaar leengoed in de omgeving van Bergeijk, en had de heer van Vught vermoedelijk bezit en het halve gezag te Vessem en Wintelre. Omstreeks 1300 was een vrouwe Aleidis van Bergeik gegoed te Eersel, Lommel, Bladel en Luiksgestel. Mogelijk bezat zij rechtsmacht te Luyksgestel.

de term graafschap

Tot in de zeventiger jaren wezen alle autheurs op de mogelijke relatie tussen de consorten van Rode en het graafschap van Rode. Met de eninge van de Kempen heeft men nooit raad geweten. Jan Melssen maakte een eerste reconstructie van deze eninge aan de hand van vermeldingen van de streeknaam ‘de Kempen’ in oude oorkonden. Het graafschap van Rode reconstrueerde hij aan de hand van de ligging van leengoederen volgens het rooise recht. Hij concludeerde hieruit dat de eninge van de Kempen zich over een groot deel van de Meierij uitstrekte, en dat het graafschap van Rode hier een deel van was. Frans Theuws en Arnoud-Jan Bijsterveld stelden het graafschap Rode (mijn inziens terecht) gelijk aan het in 1229 vermelde graafschap van de Kempen, maar trokken daaruit ten onrechte de conclusie dat Jan Melssen het wat betreft de ligging van het graafschap Rode bij het rechte eind had. Aan de eninge werd nooit meer gewicht gegeven dan de in 1203 genoemde pretenties, dus een vaag hoogheerlijk gezag, en van het graafschap van Rode bleef ook bij Steurs niet veel méér over dan het gebied in de directe omgeving van Sint-Oedenrode. Dit alles ondersteunde de opvatting dat het gezag in deze regio vóór de komst van de hertog in handen was van kerkelijke instellingen en lokale heren die ten koste van die instellingen opklommen.

De door Jan Melssen voorgestelde verbanden tussen een streeknaam (de Kempen), of de ligging van leengoederen, met een bestuurlijk territorium, is een weinig gedegen basis voor de reconstructie van de gebieden van de eninge van de Kempen en het graafschap van Rode. Omdat cijnsheffing en rechtsmacht met elkaar samenhingen is een reconstructie met behulp van de cijnsheffing beter onderbouwd. Het verband tussen de cijnskring Peelland van de heer van Helmond en het graafschap van Rode werd echter eerder niet opgemerkt. De informatie afgeleid van de cijnsheffing bevestigt niet alleen de eeuwenoude traditie dat de plaatsen met het rooise recht eertijds tot het graafschap van Rode behoorden, maar levert bovendien een overtuigender reconstructie van het rechtsgebied van de graaf van Gelre in de Kempen op. De twaalfde-eeuwse politieke geschiedenis van de Peel en de Kempen blijkt in de eerste plaats het verhaal van de interregionale posities van de familie van Rode en de graaf van Gelre. De wederwaardigheden van de kerkelijke instellingen en lokale heren, zoals die door Willy Steurs en anderen beschreven is, is daaraan veelal complementair. Samengevoegd lossen de nieuwe en oude gegevens het eeuwenoude probleem van de brabantisering van Peelland en Kempenland nagenoeg op.

In een acte uit februari 1229 verklaart de aartsbisschop van Keulen dat Gerard, graaf van Gelre, het graafschap van de Kempen en de voogdij van de Peel (comiciam de Kempine et advocaciam de Pedele) van hem in leen houdt. Omdat er geen reden is om aan te nemen dat de overgave van de eninge van de Kempen in 1203 aan de hertog in 1229 opnieuw ter discussie stond, moet het hier om het graafschap Rode gaan. Over het graafschap van Rode was in 1229 wel een afspraak tussen de hertog en de graaf van Gelre hangende.

Het rechtsgebied van de graaf van Gelre in de Kempen werd eninge genoemd, en het van de van Rodes afkomstige rechtsgebied in de Peel graafschap. De basis van het gezag (unie, dan wel eigen bezittingen) was anders. Ook wijst dit er mogelijk op dat de term graafschap niet ontleend is aan de titel van de graaf van Gelre, maar verband houdt met de positie van de familie van Rode in Peelland. Het begrip graafschap kan er op wijzen dat Arnold van Rode de hoge rechtsmacht over vrije mannen in de regio uitoefende. Omstreeks 1100 oefenden belangrijke edelen deze rechten, die voorheen aan de dynastieke graven behoorden, in naam van de keizer uit. Arnold van Rode had een goede band met de keizer.

Als de term graafschap opduikt is er hoe dan ook sprake van een rechtsmacht die verder reikt dan de eigen bezittingen. We kunnen dat een regionale jurisdictie noemen. Hieronder behoorde alles wat niet onder de immuniteit van een regionale heer, vrijheid, of kerkelijke instelling viel. De familie van Rode had hoge rechtspraak over kleinere grondbezitters en boeren die op eigen titel hun land bewerkten. Het was geen territoriaal gezag, het ging nog steeds over de jurisdictie over mensen en hun productiemiddelen. Over de woeste gronden kon de familie van Rode geen gezag claimen, daarvoor was het nog te vroeg.

De aartsbisschop van Keulen schreef in 1229 dat de voorouders van de graaf van Gelre het graafschap al van zijn voorgangers in leen van hem hielden. Graaf Gerard van Gelre overleed in oktober 1229. Zijn vader was Otto van Gelre (1182-1207). Omdat er sprake is van voorouders (meervoud) zal de leenband tussen Gelre en Keulen van minstens nog een generatie verder terug dateren, van Hendrik, graaf van Gelre die leefde omstreeks 1117-1182. Frans Theuws en Arnoud-Jan Bijsterveld vermoeden dat de leenhoogheid van de aartsbisschop van Keulen over de Peel verder teruggaat, bijvoorbeeld tot de tijd van Arnold van Rode (ca. 1095-1125), of aartsbisschop Bruno (953-965). De Keulse penningen die in de oudste cijnsboeken van de hertog alleen voorkomen in de cijnskringen Orthen-St. Martinus, Orthen-tweede paasdag, en Rode-Remigius (= Eerschot) ondersteunen deze hypothese. Vermoedelijk betreft het oude recognitie-cijnzen die verband houden met rechten van de Keulse bisschop. Omstreeks 1114-1120 gaf aartsbisschop Frederik van Keulen het allodiaal goed dat de abdij Brauweiler te Orthen bezit in leen aan Godfried I, hertog van Brabant. Het feit dat in Sint Oedenrode de Keulse penningen in de cijnskring van Eerschot voorkomen kan er op wijzen dat de band met Keulen teruggaat tot voor de bouw van de burcht en het ontstaan van de Dionisius cijnzen.

De vraag is wat er precies leen was van Keulen. Alleen de rechtsmacht, of de rechtsmacht plus alle toebehoren, zoals de eigen bezittingen. Vermoedelijk het laatste, omdat met 'graafschap' in die tijd het hele conglomeraat van bezittingen bedoeld wordt. Dat de regionale jurisdictie van hogerhand gegeven of gesanctioneerd werd is aannemelijk, maar het eigen bezit van de van Rodes moet toch een andere oorsprong hebben. Verschillende gegevens uit deze bundel wijzen er op dat de van Rodes die omstreeks 1100 hun grootste macht bereikten al in de tiende en elfde eeuw opklommen als grootgrondbezitters in o.a. Peelland, en voordat ze hun burcht bouwden hun basis hadden in het naburige Eerschot. Mogelijk is het eigen bezit aan de aartsbisschop van Keulen geschonken, en weer als leen terugontvangen, inclusief de hoge rechtsmacht over vrije mannen in de Peel.

In dit scenario verviel het graafschap Rode in het midden van de twaalfde eeuw aan de leenheer door het uitsterven van de van Rodes. De aartsbisschop van Keulen moet redenen gehad hebben om er hierna Hendrik graaf van Gelre met dit graafschap te belenen.

Het teruggaan van de leenband tussen de graaf van Gelre en de aartsbisschop van Keulen tot de tijd van Arnold van Rode, waardoor Rode leenman wordt van Gelre, en achterleenman van Keulen, lijkt me minder aannemelijk. Het promoveren van de graaf van Gelre omstreeks 1100 tot landsheer voor Taxandrië stuit op een aantal bezwaren. In dat geval zouden we de graaf van Gelre omstreeks 1100-1110 als Keulse voogd voor Taxandrië verwachten (zeker als hij leenman was), maar Hendrik van Kessel was dat. Een positie als landsheer is ook moeilijk te rijmen met het gegeven dat de graven van Gelre voor de verwerving van Zutphen omstreeks 1135 een onbetekende rol hadden op het politieke toneel, en ook moeilijk met het hiervoor geschetste scenario voor de eninge van de Kempen. Ook zouden de vroege aanwijzingen voor een oude leenband tussen Rode en Keulen dan aan betekenis verliezen.

De machtsverhoudingen in de regio Kempen en Peelland tussen ca. 1100-1300

In deze paragraaf buigen we ons over de vraag hoe het gebied van de latere kwartieren Peelland en Kempenland geleidelijk brabants werd. Het verhaal beperkt zich tot de hoofdrolspelers, het familie van Rode, de graaf van Gelre en de hertog van Brabant. De kleinere heren en kloosters laten we buiten beschouwing. De grenzen op de kaarten mogen voor de twaalfde eeuw alleen als een afbakening van een globale invloedssfeer gezien worden.

de situatie omstreeks 1120

Omstreeks 1120 was de graaf van Leuven (later hertog van Brabant) gegoed in Orthen. In die tijd was het huis van Rode op het toppunt van haar macht, en gezien de plaatsen waar het rooise recht gebruikt werd, zal het rechtsgebied, of graafschap van Rode omstreeks 1120 al bestaan hebben. Over de eninge valt niets met zekerheid te zeggen. In een oorkonde van ca. 1100-1110 getuigt Gerard van Gelre voor de abt van Echternach in een oorkonde betreffende verwikkelingen in Texandrië. Dit wijst er mogelijk op dat Gelre in die tijd al bezittingen had in deze regio, mogelijk te Eersel. Ik vermoed dat de eninge pas later ontstond, nadat de graaf van Gelre het graafschap van Rode verwierf en gezag over de woeste gronden liet gelden.

AFBEELDING 11

Afb. 11 De machtsverhoudingen omstreeks 1120.

de machtsverhoudingen omstreeks 1180

Luyksgestel behoorde omstreeks 1180 nog tot de eninge, maar verdween aan het einde van de twaalfde eeuw hier uit. Zowel de eninge als het graafschap waren omstreeks 1180 in handen van de graaf van Gelre. Deze inde de cijnzen voor beide gebieden vanuit Sint-Oedenrode. Eersel met haar hofgerecht bleef vermoedelijk voor de Kempen wel een rol spelen in de organisatie van de rechtspraak. Geldrop was een leengoed van Gelre. Omstreeks 1190 had ook de hertog van Brabant, als leenman van de bisschop van Utrecht, pretenties op de Kempen. Omstreeks 1185 stichtte de hertog 's-Hertogenbosch op of nabij zijn goed te Orthen. Ook in Oirschot verwierf de hertog in de twaalfde eeuw bezit (Zie paragraaf 5.1).

AFBEELDING 12

Afb. 12 De machtsverhoudingen omstreeks 1180.

de machtsverhoudingen omstreeks 1230

In 1203 ging de eninge van de Kempen over naar de hertog van Brabant. De hertog verwierf er de cijnzen en de rechtsmacht. Met bezit te Oirschot vormde dit de kern voor het latere kwartier Kempenland, dat onder de hoogschout van Den Bosch kwam.

In het cijnsboek van 1340 van de hertog komt onder Eersel een cijns voor uit `het land van de hertog'. Omdat op het zegel van de schepenbank van Eersel een burcht afgebeeld staat, stond er op dit goed, de shertogen hofstat, mogelijk eens een burcht of versterkt huis. Wellicht is door archeologisch onderzoek nog eens vast te stellen of dat zo was, en zo ja, wie dan de bouwer geweest is.

Eersel was na 1203 onder de hertog het bestuurscentrum voor de eninge. Dat het gebied in de veertiende eeuw de meierij van Oerle genoemd wordt, wijst er op dat Oerle later de rol van Eersel als kwartierscentrum overnam, mogelijk vanwege de belangrijke rol die de familie van Oerle na de overname door de hertog speelde. In 1283 is Godefridus van Oerle villicus ducis (meier van de hertog). Hij treedt dan samen met de schepenen van Eersel op. Marcelis van Oerle fungeerde in het begin van de veertiende eeuw als rentmeester van de hertog.

Omdat de schepenen van Lommel voor advies te hoofde gingen in Antwerpen, zal deze bank al vóór 1230 door de hertog ingesteld zijn. Later ingestelde banken gingen altijd ten hoofde naar de nieuwe stad 's-Hertogenbosch. Lommel kan in 1203 een eigen schepenbank gekregen hebben of in de periode 1203-1230 van het pretorium afgesplitst zijn. Dit kan als doel gehad hebben de zwakke positie van de hertog aldaar te versterken.

AFBEELDING 13

Afb. 13 De machtsverhoudingen omstreeks 1230.

Kort nadat de hertog de eninge van de Kempen verwierf, stichtte hij Eindhoven aan de rand van de eninge van de Kempen, dat in die tijd nog niet scherp begrensd was. Vermoedelijk waren er al ontginningen in dit gebied gaande, die in het cijnsdorp Stratum, of Strijp geadministreerd werden, al naar gelang de woonplaats van de cijnsbetalers. Maar ook de abdij van Sint-Truiden was vanuit haar uithof in Woensel in dit gebied kennelijk actief met ontginningen, want de abdij en haar voogd bezaten later cijnsgoed binnen de stadsmuren van Eindhoven. Vermoedelijk is dit de basis van het gedeelde gezag in Eindhoven tussen de hertog en de voogd van de abdij van Sint-Truiden, die later ieder de helft van het heerlijk gezag bezaten. De strategische ligging van Eindhoven ten op zichtte van het graafschap van Rode, dat in handen was van zijn rivaal, de graaf van Gelre is opvallend, en zal de plaats van de stichting van Eindhoven mede bepaald hebben. In dit verbond dient ook het aanzienlijke eigen bezit dat de hertog in 1340 in Tongeren blijkt te hebben vermeld worden. Dit goed ligt zo strategisch ten opzichte van het graafschap dat het heel goed een acquisitie van de hertog uit het einde van de twaalfde eeuw, of de eerste decennia van de dertiende eeuw kan zijn.

In of kort vóór 1220 verwierf de hertog een goed in het strategisch gelegen Helmond, dat hij een centrum van bestuur maakte, voor de goederen in die regio waarover de hertog (direct, of door zijn voogdij over kloosters) gezag had. Dat was dat goed te Helmond, het aan de abdij van Averbode geschonken goed te Sterksel, en goederen van de priorij van Postel in die regio.

de machtsverhoudingen ca. 1300

In 1231 verwierf de hertog van de graaf van Gelre het graafschap van Rode. Het rechtsgebied met lokale rechtsinstellingen, de hoofdbank, rooise rechtsregels, de cijnzen met de data en plaatsen van cijnsinning, het bleef allemaal bestaan. De rechts- en cijnsorganisatie vormde de belangrijkste bouwsteen voor het kwartier Peelland, dat nog in 1362 'de Meierij van Sint-Oedenrode' genoemd werd. Ook dit gebied kwam onder het gezag van de hoogschout van Den Bosch en de rentmeester van de graaf van Gelre kon ook hier zijn biezen pakken. Het innen van de cijnzen gebeurde voortaan ten gunste van de hertog. Hiermee was de graaf van Gelre in de Kempen en Peelland goeddeels uitgerangeerd. Eindhoven, Sint Oedenrode en vermoedelijk Helmond kregen in 1232 vrijheidsrechten.

AFBEELDING 14

Afb. 14 De machtsverhoudingen omstreeks 1300.

De schepenbank van Oostelbeers maakte omstreeks 1300 geen deel uit van het pretorium van Eersel, ging te hoofde in 's-Hertogenbosch en zal tussen 1230 en 1300 van het pretorium afgescheiden zijn. Hetzelfde geldt voor Gestel. Onder de schepenbank van Gestel behoorden de cijnsdorpen Strijp en Stratum. Tussen 1294 en 1309 werd de schepenbank van Oerle van het pretorium van Eersel afgesplitst. In 1295 verwierf de hertog de heerlijkheid Netersel. Someren kreeg in 1301 een schepenbank van de hertog, en ook het burengerecht van Vlierden zal op een gegeven moment wel opgenomen zijn in de kudde van de hertog.

De bestuursindeling van de kwartieren Kempenland en Peelland kreeg in de eeuwen hierna geleidelijk haar vorm, al naar gelang een nieuw verworven bezit bestuurlijk bij een van de kwartieren ingedeeld werd: de heerlijkheden Mierlo (1312), Heeze-Leende-Zesgehuchten (1334), Asten (1362) en Cranendonck (1421) werden deel van het kwartier Peelland. Bij het kwartier Kempenland werden gevoegd: Aalst en Waalre (veertiende eeuw), Woensel en de andere helft van Eindhoven (1368), en later nog de andere helft van Oirschot. In Bladel en Reusel verwierf de hertog gezag door zijn voogdij over de abdij van Postel. In Mierde via zijn voogdij over de abdij van Averbode. Mierde werd bij het kwartier Oisterwijk gevoegd, wat bevestigd dat het een latere toevoeging van de cijnskring is. Dit kwartier groeide rond de nieuw stad Oisterwijk die de hertog omstreeks 1210 stichtte. Plaatsen ten oosten van de Aa en het graafschap van Rode vormden het kwartier Maasland.

De daadwerkelijke kwartiersgrenzen kregen pas hun beslag met de vorming van de grenzen van de lokale jurisdicties, terwijl de Peel nog tot in het begin van de achttiende eeuw een vage grenszone bleef.

5.6 Van mensen naar territoria

In de late Middeleeuwen ontstond er een territoriale begrenzing van de heerlijkheden (waarvan er een aantal nog lang onafhankelijk van de hertog waren) en schepenbankgebieden onder de hertog. Daarmee ontstonden ook de kwartiersgrenzen als "lijnen op de kaart". Voor een goed begrip van de brabantisering van Peelland en Kempenland is het dus nodig om ook het ontstaan van de grenzen van de parochies, schepenbankgebieden en heerlijkheden in Peelland en Kempenland in grote lijnen te modelleren.

De motor achter de veranderingen in de twaalfde en dertiende eeuw was de bevolkingsgroei, die aanleiding gaf tot snellere kolonisatie en ontginningen van de woeste gronden, waardoor verschillende belanghebbenden in toenemende mate met elkaars aanwezigheid geconfronteerd werden. Steden groeiden, en de handel en de geldeconomie kwamen op. In de dertiende eeuw kwamen de horigen geleidelijk vrij en mede daardoor nam het aantal vrije boeren toe.

We zullen betogen dat in de twaalfde en dertiende eeuw zakelijke elementen als grond een grotere rol gingen spelen in de jurisdicties, lenen, cijns- en tiendrechten. Deze accentverschuiving verschilde per plaats en per zaak, maar lijkt globaal in de dertiende eeuw gedateerd te kunnen worden. Omstreeks 1350 bestond er een situatie die in grote lijnen tot omstreeks 1800 bleef bestaan, met omlijnde schepenbankgebieden en parochiegebieden.

gezag gebaseerd op mensen

We gaan er van uit in Peelland en Kempenland omstreeks 1100 rechtsmacht op grondbezit en loyaliteits- (feodale) banden gebaseerd was, en de organisatie van belastingen (tienden en cijnzen) op mensen. Frans Theuws ontwikkelde de idee dat een verschuiving van mensen naar grond zich op het politieke vlak op het niveau van de gouw Taxandrië al eerder, (achtste-tiende eeuw) voordeed. Welke aanwijzingen zijn er voor de idee dat in kleinschaligere maatschappelijke structuren het persoonlijke element mogelijk tot in de dertiende eeuw van belang bleef? De historische gegevens uit de twaalfde en dertiende eeuw zijn schaars, maar lijken de gedachte te ondersteunen.

jurisdictie en beheer

Er enkele akten bekend uit 1203, 1232 en 1282 bekend, waarin de hertog afspraken maakt met respectievelijk de graaf van Gelre, Boudewijn van Vught en Willem van Horne afspraken betreffende het gezag over mannen. Uit latere tijd ontbreken dat soort akten.

Omstreeks 1100 bestond de regio van de latere kwartieren Peelland en Kempenland uit uitgestrekte natte broeklanden en dorre heide- en zandgebieden, waartussen verspreide gehuchten lagen. Veel grond was eigendom van elite, die horigen hun land lieten bewerken. Op een zo'n ontginningseiland konden zich meerdere elitegoederen, of hoven bevinden. Kerkelijke instellingen en regionale elite als de familie van Rode voerden een eigen beheer en rechtspraak op hun goederen.

In de twaalfde eeuw werden veel woeste gronden ontgonnen. Het eigendom en daarmee de rechtsmacht over die nieuwe ontginningen behoorde tot de heer die de ontginningen ondernam, en werden bestuurd vanuit zijn nabijgelegen hof. Hierdoor kon een zeer onregelmatig patroon ontstaan. Goed van het ene hof, kon soms nabij het hof van een andere heer liggen. Diensten en cijnzen uit dat verre goed werden op het eigen hof afgedragen. Als grond verkocht werd aan een ander hof, werden hierna de opbrengsten zoals de cijnzen op dat andere hof afgedragen.

De kleinere grondbezitters, die geen eigen hof hadden, droegen hun cijnzen aan de landsheer af in het cijnsdorp waar ook hun schepenbank gevestigd was. Als zij grond verkochten aan iemand die onder een andere schepenbank viel, werd de cijns hierna in het andere cijnsdorp afgedragen. Later bepaalde de ligging van het cijnsgoed steeds meer de plaats waar de cijnzen afgedragen werden, en niet de woonplaats van de cijnsbetaler. Dit was een geleidelijke ontwikkeling. In het cijnsboek van de hertog uit 1340, worden soms nog cijnzen uit een cijnsdorp overgeboekt naar het andere cijnsdorp van de nieuwe cijnsbetaler

Het feit dat de thuisbasis van de ontginner de vorming van de jurisdicties, en cijnsrechten in de gekoloniseerde gebieden tussen de oudste bewoningskernen bepaalde, kan de latere onregelmatigheden in de grenzen tussen de dorpen verklaren. In Eerde lagen bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw percelen door elkaar heen waarvan de lasten in Sint-Oedenrode, Schijndel en Veghel betaald werden.

de parochies

Er wordt aangenomen dat de heffing van tienden al in de vroege Middeleeuwen een omlijning van parochies noodzakelijk maakte. Dit lijkt in tegenspraak met het basisconcept dat de organisatie van de maatschappij in de vroege en volle Middeleeuwen in de eerste plaats op mensen was gebaseerd, en alleen op territoria als afgeleide daarvan, dus als bezit van die mensen.

Bij parochies moet men een onderscheid maken tussen de zielzorg en de tienden. De organisatie van de zielzorg kreeg een territoriale dimensie toen gelovigen op het vierde concilie van Lateranen (1215) verplicht werden om minstens één keer per jaar, namelijk met Pasen, te biechten en te communiceren bij de eigen pastoor. Het werd toen van belang om te weten tot welke parochie men behoorde. De spreiding van de parochianen bepaalde zo de uitgestrektheid en de grenzen van een parochie. Met de uitvaardiging van de Luikse synodale statuten in 1288 werden deze regels ook in onze streken in praktijk gebracht. Alleen mensen of boerderijen behoorden bij deze of gene zielzorgorganisatie, niet de grond die zij bewerkten. Als men huizen met een gekleurde stip op een kaart zou aangeven, dan zouden middeleeuws zielzorggebieden niet als grote vlekken, maar als elkaar deels overlappende groepen verschillend gekleurde stippen weergegeven kunnen worden.

De tienden waren in de late Middeleeuwen vaak niet meer in handen van de plaatselijke kerk of pastoor. In zo'n geval heeft het geen zin om te praten over territoriumvorming van de parochie vanwege de tienden. We kunnen ons slechts buigen over de vraag naar de territoriumvorming van de tienden op zichzelf. En voor zover de tienden wel eigendom waren van een kerk, kunnen we spreken over territoriumvorming van dat aspect van de parochie-organisatie.

Iedereen die ooit een zeventiende of achttiende eeuwse tiendkaart gezien heeft, weet dat met de tiendgebieden geen patroon van aaneengesloten parochiegebieden te maken is. Tienden waren verdeeld in tiendklampen, blokken in cultuur gebracht land. Over woeste gronden werden geen tienden geheven.

Maar ook die tiendklampen lijken het oorspronkelijke idee van de tienden niet goed te definiëren. Het principe van de tienden was dat parochianen een tiende deel van hun oogst afdroegen aan hun parochiekerk en pastoor, en niet dat de kerk het een tiende deel van de opbrengst van grond in een gebied inde. Een deel van de tienden betrof de aanwas van het vee en dat moet persoonsgebonden geweest zijn. Dit idee wordt gesteund door de constatering dat vóór ongeveer 1300 de opbrengst van tienden altijd verdeeld werd door bijvoorbeeld om beurten de tienden een jaar te innen, en nooit door tiendklampen af te bakenen door het trekken van grenzen. Na 1300 was dat wel het geval.

De situatie veranderde mogelijk mede doordat de tienden in handen kwamen van leken. Stel dat een lekenheer in een plaats de tienden inde, en een deel van die grond in gebruik was door een boer die een deel van zijn oogst als tiende afdroeg aan laten we zeggen de pastoor van zijn (een andere) parochie. In zo'n geval had de heer er belang bij toch de tiende van die verpachtte grond te blijven innen. De opbrengst van de oogst van de boer, of pachter is dan niet langer het uitgangspunt, maar de ligging van de grond. De tiende werd hierdoor direct gerelateerd aan de vorming van het territorium van de heer.

Vermoedelijk was er gedurende enkele eeuwen een overgangssituatie, waarbij tienden geleidelijk meer aan grond verbonden raakte. In plaatsen waar de parochiekerk eigenaar van de tienden was, bleef men wellicht tot aan ca. 1300 gewoon uitgegaan van het afdragen van een tiende deel van de oogst door de parochianen. Een tussenvorm bestond als de parochiekerk de tienden verpachtte, en de pachter dus de bewaker van de inkomsten van de tienden werd. Het zal duidelijk zijn dat er gemakkelijk conflicten konden ontstaan.

Interpretatie van oorkonden uit de twaalfde en dertiende eeuw vraagt enige terughoudendheid. In een aantal oorkonden uit de dertiende eeuw is sprake van tienden uit een gehucht die overgedragen worden aan een ander. Bij de interpretatie van deze oorkonden wordt verondersteld dat het gaat over een deel van de oogst van de grond in dat gehucht. Het kan ook nog over een deel van de oogst van de boeren uit dat gehucht gaan, zeker als de kerk de tiendheffer is.

De tienden uit de nieuwe ontginningen, de novale tienden, vormden in de Middeleeuwen een probleem apart. Als de tienden in handen waren van de lokale kerk, kwamen deze novale tienden uit nieuwe ontginningen toe aan de kerk of parochie waartoe de eigenaars van de nieuwe ontginningen hoorden. Maar als de tienden in handen waren van één of meer leken, of meer kerkelijke instellingen ontstond er een problematische situatie. Wie had dan recht op die novale tienden, was dat de landsheer? Zulke onduidelijke situaties konden aanleiding geven tot conflicten en waren kwetsbaar voor usurpaties.

De territoriumvorming van tienden, en jurisdicties lijkt al met al een simultaan proces te zijn geweest, onder druk van dezelfde maatschappelijke veranderingen. Territoriumvorming lijkt een rommelig proces te zijn geweest. Niet alle aspecten (tienden- cijnzen- jurisdicties) gingen gelijk op, en op een plaats verliep het wellicht weer wat anders als in een andere plaats. Er is nog eeuwenlang geruzied over rechts-, tiend-, gemeints- en verpondings-grenzen

woeste gronden

Ergens tussen 1160 en 1200 werd in Peelland en de Kempen het wildernisregaal effectief. Door het verdelen van het gezag over de woeste gronden kreeg het gezag een nieuw territoriale component, de wildban, maar de rechtspraak veranderde verder nog niet van karakter, die bleef gebaseerd op gezag over mensen met hun bezittingen. De verdeling van het gezag over de woeste gronden biedt een belangrijke nieuwe kijk op de tweede helft van de twaalfde eeuw, een periode waarover we door gebrek aan bronnen slecht geïnformeerd zijn. De uitkomst van deze verdeling kon per plaats verschillend zijn:

- de graaf oefent het wildernisregaal alleen uit

- de graaf oefent het wildernisregaal samen met een ander uit (meestal 1:1)

- de graaf heeft helemaal geen wildernis regaal (een ander heeft dat)

In het oudste cijnsboek van de hertog van 1340 komen een aantal plaatsen voor waar de hertog de inkomsten uit de grondcijnzen met een ander deelde. In Bakel en Deurne was dat de abdij van Echternach, in Oirschot, het kapittel van Oirschot of zijn voogd de heer van Vught. In Eindhoven de abdij van Sint-Truiden of haar voogd de heer van Altena, cq. van Horne. Het delen van deze inkomsten kan teruggaan op het delen van het wildernisregaal aan het einde van de twaalfde eeuw.

Als ruim een eeuw later de gemeintes uitgegeven gaan worden, zien we dat in plaatsen als Bakel en Deurne de andere halfheer nog steeds de helft van de cijnzen weet te verwerven, maar dat in Oirschot en in Vessem & Wintelre de andere halfheer inmiddels haar positie verloren heeft.

het vrij worden van de horigen en de vrije boeren

Zoals gezegd wordt aangenomen dat veel grond in het gebied van de latere Meierij omstreeks 1000 in handen was van elite, en bewerkt werd door horigen. Bij dood van een horige viel het gebruiksrecht van het goed geheel terug aan de heer. Later werd dat de helft, en nog later werd het gebruiksrecht helemaal erfelijk, of beperkte de heer zich tot de keuze van een stuk uit het nalatenschap, de zogenaamde keurmede. De horigen kregen geleidelijk meer vrijheden. Met de opkomst van de geldeconomie in de twaalfde en dertiende eeuw werden de verplichtingen die aan een horigengoed verbonden waren steeds meer omgezet in een verplichting tot het betalen van een jaarlijks bedrag, of cijns. Het horigengoed werd zo cijnsgoed. Door de bevolkingsgroei werd het voor de elite in de dertiende eeuw aantrekkelijk om hun grond door pachters, cijns- of leenmannen te laten bewerken.

Vrije boeren worden in oorkonden van voor ongeveer 1300 niet genoemd, horigen wel. Maar dat zegt niet alles, want alleen oorkonden van heren en kloosters bleven bewaard. De kleine boeren lieten geen oorkonden na, maar het kon toch om heel wat boeren gaan. In de veertiende en vijftiende eeuwse Bossche protocollen worden ze wel volop genoemd.

Met behulp van de cijnsregisters heb ik alle gronduitgiften in het zuidwestelijke deel van Veghel vanaf omstreeks 1180 gelokaliseerd, en daarmee ook de al vóór 1180 in cultuur gebrachte gronden. Het blijkt dat omstreeks 1180 ruim de helft van de ontginningen gevormd werd door hoeven in handen van de elite, die deze grond door anderen liet bewerken, en de rest door kleine ontginningen, grond die door de eigenaren zelf bewerkt werd.

AFBEELDING 15

Afb. 15 Ontgonnen gronden in Veghel omstreeks 1180.

AFBEELDING 16

Afb. 16 Ontgonnen gronden in Veghel omstreeks 1500.

Tussen ongeveer 1180 en 1500 worden hier nog drie elitegoederen gesticht, maar de kleine ontginningen door lokale boeren gaan een steeds grotere rol spelen. We kunnen de volgende globale indeling voor de ontginningen hanteren:

  kleine boeren elite
vóór 1000

1000-1250

1250-1500

1500-1750

nauwelijks

weinig

veel

voornamelijk

voornamelijk

veel

weinig

nauwelijks

Tabel 23 ontginningen door kleine boeren en door elite

Grond werd in de twaalfde en dertiende eeuw hoe langer hoe meer bewerkt door boeren, die niet meer met lijf en leden eigendom van een grootgrondbezitter waren. In de praktijk betekende dat, dat alle rechtshandelingen die direct het goed aangingen nog steeds behandeld werden door het oude hofgerecht, of laatbank. Criminele zaken werden echter steeds meer behandeld door het 'algemene gezag'. Eigenlijk vielen de vrije boeren onder de koninklijke rechtsmacht, wat in de praktijk betekende dat ze onder een van 's konings grafelijke rechtbanken in de streek vielen. De hoofdbank van Rode kan zo'n rol gespeeld kunnen hebben. Elders trokken regionale heren en kerkelijke instellingen deze rechtspraak naar zich toe. In Waalre was dat de abdij van Echternach of haar voogd, in Woensel de abdij van Sint Truiden of haar voogd, in Herlaar zat de familie van Herlaar, in Boxtel de familie van Boxtel, enz.

Soms ontstond er in dit proces een gedeelde heerlijkheid, bijvoorbeeld in Hilvarenbeek, Oirschot en Eindhoven. Hoe moeten we ons dit voorstellen? Mogelijk was er in deze plaatsen sprake van gedeelde inkomsten uit de rechtspraak. Misschien ook van het om de beurt aanstellen van de schout of schepenen, of van een sociale afbakening waarbij sommige mensen onder deze, anderen onder gene schepenbank vielen. Als het tot een territoriale afbakening kwam, ontstonden daar meeerdere heerlijkheden, of rechtsgebieden.

De hertog zal in Peelland de oudere hofgerechten omgevormd hebben tot schepenbanken onder zijn gezag en stichtte in de eninge ook nieuwe schepenbanken. Ook gaf hij heerlijkheden uit die een eigen schepenbank mochten hebben. Voorbeelden zijn de heerlijkheid Jekschot (in 1310 uitgegeven) en de heerlijkheid Milheeze (in 1453 uitgegeven). De dorpsschepenbanken hebben deze kleine banken echter in de loop der eeuwen overvleugeld.

de voogden

Wat was de rol van de kloostermeiers en kloostervoogden in deze ontwikkeling? De meier, aangesteld door de abdij, stelde de straffen vast op de jaargedingen van de abdij. De voogden voerden de lijf- en doodstraffen uit. Arnoud-Jan Bijsterveld toonde aan dat deze machtige mannen, zich nogal eens bezittingen van abdijen toegeëigend hebben. Als de voogden op een gegeven moment de straffen niet alleen uitvoeren, maar ook vast gingen stellen, trokken ze rechtsmacht naar zich toe trokken. Op die manier ontstonden uit de voogdijen heerlijkheden.

Frans Theuws, Arnoud-Jan Bijsterveld en in navolging Peter Dekkers opperden de mogelijkheid dat de familie van Rode haar positie en rechtsmacht ontleende aan een Luiks domein in Sint-Oedenrode. Nu is er voor een dergelijk domein geen enkele aanwijzing, en bovendien moest een edele al (ergens) hoge rechtspraak hebben, wilde hij geschikt zijn als voogd. Er waren verschillende situaties mogelijk:

Als de voogd de hoge rechtspraak bezat in de regio waar hij ook voogd was, kon zijn macht zich -door het uiteenvallen van de domeinorganisatie- uitbreiden tot de pachters, leen- en cijnsmannen van de abdij, en ze zullen deze vergroting van hun macht zeker ook nagestreefd hebben.

Als de abdij zelf de hoge rechtspraak in de omgeving van haar schepenbank had, dan strekte het gezag van de abdij-schepenbank zich zowel uit over de eigen horigen als over de vrije boeren, en deze situatie veranderde niet toen de horigen pachters en dergelijke werden. Die situatie gaf weinig ruimte aan de voogden om hun rechtsmacht uit te breiden. De positie van de abdij van Echternach in Waalre was zo'n geval.

En tenslotte kwam het interessante geval voor, dat een edele voor verschillende schepenbanken van dezelfde abdij als voogd optrad. De heer van Altena was voogd voor Sint-Truiden in het rivierengebied, en vermoedelijk daarom ook in het voor hem verre Woensel. Mogelijk verwierf hij in Woensel vanwege de voogdij bezit waarover hij een eigen rechtspraak voerden, en was dat weer de basis voor het verwerven van het gezag in Woensel.


Naar begin           Naar dorpenlijst