's Hertogs tienduizend bunders

HET CIJNSBOEK VAN DE HERTOG VOOR DE MEIJERIJ
VAN 'S-HERTOGENBOSCH
VAN 1340

Analyse en Bewerking

Martien van Asseldonk

Sri Lanka,
maart 1998

Versie 12 februari 1999
© Copyright : M. van Asseldonk


Naar begin           Naar dorpenlijst

HOOFDSTUK 4

ANALYSE VAN HET PAKKET CIJNZEN

In dit hoofdstuk wordt het pakket cijnzen nader geanalyseerd. Eerst wordt de opvolging in de cijnsgoederen bekeken. Vervolgens bespreken we de norm waartegen percelen uitgegeven werden. Hierna de verlaten erven en vacante cijnzen. Tenslotte proberen we de recognitiecijnzen te onderscheiden, en het uitgegeven oppervlak per cijnsdorp zo nauwkeurig mogelijk te berekenen.

4.1 Opvolging in cijnsgoed

In appendix X wordt ten aanzien van de cijnsheffing vermeld:

1 - in Peelland, Kempenland en in Oisterwijk buiten de vrijheid komt de langstlevende te

boek met de kinderen, en

2 - in Den Bosch, Maasland, Vucht, St. Michielsgestel en binnen de vrijheid Oosterwijk

komt de langstlevende te boek zonder de kinderen. (De vrijheid Oisterwijk koos in 1230 voor het Bossche recht).

Deze rechtshistorische informatie is te vergelijken met de gegevens uit het cijnsboek van 1340.

Er waren verschillende situaties mogelijk:

1- De langstlevende komt te boek met de kinderen:

Een van de ouders overlijdt en laat na:

1a - partner met kinderen te boek: partner met kinderen

1b - partner zonder kinderen partner alleen

1c - alleen kinderen de kinderen

2- De langstlevende komt te boek zonder de kinderen:

Een van de ouders overlijdt en laat na:

2a - partner met kinderen te boek: partner alleen

2b - partner zonder kinderen partner alleen

2c - alleen kinderen de kinderen

'Partner volgt alleen op' en 'kinderen volgen op', zijn in beide gevallen mogelijk. Maar het opvolgen van 'weduwe/weduwnaars met kinderen' is alleen in het eerste geval mogelijk.

Als de informatie van Ferdinand Smulders klopt mogen er in het cijnsboek van de hertog van 1340 in de cijnsdorpen: Vucht, St. Michielsgestel, Oss, Nistelrode, en Heesch geen weduwen/weduwnaars met kinderen als cijnsbetaler opvolgen.

Voor Vucht, Oss, Nistelrode en Heesch blijkt dat inderdaad het geval te zijn. In Sint-Michielsgestel is één opvolging van een weduwe met kinderen, op fol. 31v wordt Albertus, zoon van de persoon van Ghemonden opgevolgd door 'weduwe en kinderen', komt dat omdat Albert niet onder de rechtbank van Sint-Michielsgestel viel? Omstreeks 1300 was de woonplaats van iemand mogelijk nog een factor van belang, voor de vraag welke rechtsregels van toepassing waren.

De cijnzen van den Bosch zijn niet opgenomen in het cijnsboek van 1340. Men kan zich afvragen of de rechtspraktijk in den Bosch haar oorsprong heeft in een traditie van de hertog van Brabant. In dat geval zou men in de cijnsdorpen Orthen, den Dungen, en Heze (Rosmalen) geen opvolgers van weduwen/weduwnaars met kinderen mogen vinden. Die komen echter wel voor in zowel Orthen, den Dungen als in Heze (Rosmalen).

De conclusie is dat in Maasland (Oss, Nistelrode en Heesch), en in Vucht een andere rechtspraktijk gedoogd werd door de hertog. Ook de stad 's-Hertogenbosch had een rechtsopvolging die afweek van de brabantse cijnsopvolging in Orthen, den Dungen en Rosmalen.

Het is opvallend dat ook in het Rooise recht dat voor de meeste cijnsdorpen in Peelland gold eertijds de afwijkende traditie bestond. Maar in 1340 blijkt het Rooise recht in Peelland wat opvolging van cijnsgoederen betreft al vervangen te zijn door het brabantse recht. Het rooise leenrecht was echter nog wel voor een aantal leengoederen van de hertog van kracht. Maar ook dat leenrecht werd geleidelijk brabants gemaakt.

4.2 Grond- en recognitiecijnzen

Voordat we de norm bespreken is het goed om het onderscheid tussen grond- en recognitiecijnzen te verduidelijken. Het betreft in beide gevallen een betaling van een jaarlijks bedrag (met vaak een bedrag ineens) voor bepaalde rechten. Ook als men een grondcijns betaalde bleef aanvankelijk de grondheer, dat is hier de hertog, eigenaar van de grond. Het eigendomsrecht van cijnsgoederen is iets wat zich geleidelijk door de eeuwen heen ontwikkelde. De meeste van de grondcijnzen betreffen kleine percelen uitgegeven tegen de norm. Daarnaast zijn er enkele (vaak grote) gronduitgiften tegen een lagere cijns. Het is daarom wel zinvol om dit soort cijnzen met een aparte term aan te duiden.

In dit hoofdstuk wil ik de hoeveelheid grond berekenen die de hertog in 1340 aan particulieren uitgegeven had voor eigen gebruik. De cijnzen voor dat soort gronden definiëer ik als grondcijnzen. Het probleem is dat er verschillende gradaties zijn lopende van extensief tot intensief gebruik van de gronden. Gemeintes en heiden werden aan geburen en kloosters gegeven, met vaak bepalingen wat wel en niet mocht. Van veel gebuurcijnzen staat niet vast dat het een gemeint betrof. Waarvoor de geburen gezamenlijk percelen in bezit hadden is onduidelijk, men kan denken aan een veld om beesten te schutten en dergelijke. Men zou kunnen veronderstellen dat het bij gebuurcijnzen in alle gevallen gaat om extensief grondgebruik, maar ook dat is niet eens duidelijk. Enkele percelen waren eerst uitgegeven aan particulieren, en waren later in bezit van geburen. Voor het berekenen van het oppervlak uitgegeven grond veronderstel ik dat kleinere percelen waarvoor geburen een cijns betaalden tegen dezelfde norm uitgegeven zijn, en ik heb ze daarom als grondcijnzen gerekend. In Eersel is de puzzel niet helemaal opgelost, en zijn de gebuurcijnzen betaald in nieuwe penningen bij de recognitiecijnzen blijven staan.

Recognitiecijnzen zijn dan verder cijnzen betaald voor:

vaak voorkomend: gemeintes, molens, visrechten, straten, wegen, dijken, stegen, grachten, water, weteringen, vennen

incidenteel voorkomend: brouwerij, lakenhuis, waag, gruit, accijnzen, vorsterij, enkele hoeven met een hoge cijns in payment geld

Een cijns betaald voor een huis, schuur, of hofstede, is in deze definitie geen grondcijns. Maar met het bouwen van een huis was wel altijd een klein stukje grond bemoeid. Opgravingen in den Bosch leverde hele huispercelen met een oppervlak van ongeveer 16 roeden. Als we veronderstellen dat een huisperceel op het platteland twee keer zo groot was, dan zou een cijnsbedrag volgens de norm 1 penning payment opleveren. Nu blijkt dat huizen en hofsteden buiten de vrijheden inderdaad meestal voor 1 of enkele penningen of hoenderen uitgegeven te zijn. Omdat het om relatief lage bedragen en weinig huiserven gaat levert het voor het berekenen van het uitgegeven oppervlak geen bezwaar op om op het platteland de huizen en hofsteden als grondcijnzen te beschouwen. Het is zelfs aannemelijk dat men op het platteland de cijns voor een huis bepaalde aan de hand van de grootte van het uitgegeven perceeltje, en dat men geen onderscheid maakte met de uitgifte van de zogenaamde uitvangen. Dat zijn kleine stukjes woeste gronden voor een huis, erf, of akker gelegen, dat men bij een bestaand goed voegde, en waarop ook vaak gebouwd werd.

4.3 De norm

In appendix III zijn alle gevallen opgesomd waarbij zowel de perceelsgrootte als het cijnsbedrag gegeven zijn. Ook zijn de vermeldingen gegeven uit het cijnsboek van Helmond. Er zijn in het cijnsboek van de hertog 106 vermeldingen waarbij het om een bedrag in nieuwe penningen, en een norm van precies 12 nieuwe penningen per bunder gaat. In het pakket peellandse cijnzen dat de hertog in 1314 aan de heer van Helmond schonk, wordt 28 keer dezelfde norm vermeld (en nog 8 vermeldingen die daar kort bij zitten).

De vermeldingen met oude penningen zijn relatief zeldzaam. Er zijn bij de hertog 20 vermeldingen die een norm geven van 12 oude penningen per bunder, en 1 vermelding geeft 12,3 oude penningen per bunder. Onder de peellandse cijnzen van de heer van Helmond wordt deze norm 5 keer vermeld.

De vermeldingen komen in het cijnsboek van de hertog voor bij de volgende cijnsdorpen:

Oss 1 x

Orthen - Martinus 8 x

Helvoirt 5 x

Oisterwijk 3 x

den Dungen 2 x

Heze (Rosmalen) 2 x

--- +

totaal: 21 vermeldingen.

Cijnsdorpen als Orthen, en den Dungen (cijnzen van buiten de stad 's-Hertogenbosch) bevestigen dat het hier inderdaad om een norm van de hertog gaat.

De conclusie is dat de norm eertijds 12 oude penningen per bunder was, en dat toen de nieuwe penningen in zwang kwamen, de norm 12 penningen per bunder bleef, zij het dat de penning lichter geworden was.

In het cijnsboek van Helmond komt bij Aarle (5 x) en Schijndel (4x) ook de norm 9 oude penningen per bunder voor. 9 oude penningen waren in het cijnsboek van 1340 gelijk in waarde aan 12 nieuwe penningen, en allebei gelijk aan 1 oude groot. Het is opmerkelijk dat deze norm niet gevonden is bij de cijnzen van de hertog in 1340. Een vergelijking van de bedragen in nieuwe penningen te Aarle en Schijndel die in 1314 overgegeven werden, met het aantal cijnzen in 1447 suggereert dat het geen norm van de heer van Helmond was, maar wel degelijk van de hertog. Vermoedelijk betrof het slechts enkele uitgiften van niet lang vóór 1314, uit de tijd dat de meeste gronden uitgegeven tegen een bedrag in nieuwe penningen.

In 1379 bepaalde hertogin Johanna dat de geburen van Veghel percelen van hun gemeint mochten uitgeven tegen een norm van 1 groot per bunder. In 1380-1392 werden in Veghel 18 perceeltjes uitgegeven die nog betaald moesten worden in oude penningen. Het is aannemelijk dat hier niet de oude norm van 12 oude penningen per bunder gebruikt werd, maar dat de norm in oude penningen volgens de reële waarde gerekend werd. Dat verklaart wellicht het gegeven dat vanaf 1445 in de cijnsboeken van de hertog van Veghel vermeld staat dat daar toen met 8 oude penningen per groot gerekend werd.

De conclusie is dat percelen van de woeste gronden uitgegeven werden voor 12 oude penningen per bunder, later voor 12 nieuwe penningen per bunder, maar dat men voor latere (veertiende eeuwse) uitgiften die in oude penningen betaald werden, er rekening mee moet houden dat het cijnsbedrag aangepast kan zijn aan de werkelijke waarde van de oude penningen (9, in Veghel 8 oude penningen per bunder).

de hoenderen

Er zijn slechts twee vermeldingen waar het aantal te betalen hoenderen en de grootte van het cijnsgoed gegeven zijn:

Stratum, cijns nr. 132: 1/2 hoen van een halve bunder bij de molen

Helmond, cijns nr. 102: 2 hoenderen van een halve bunder beemd

De eerste vermelding geeft een norm van 1 hoen per bunder, de tweede vermelding van 4 hoenderen per bunder. Op basis van de lokalisering van veghelse cijnsgoederen concludeerde ik eerder onder enig voorbehoud dat de norm 8 hoenderen per bunder was.

Rentmeester Tielman rekende in 1340 een hoen voor 6 penningen payment, ofwel 3/8 groot. Dat zou een norm van 2,7 hoenderen per bunder opleveren. Omdat geld devalueerde, werden er door de eeuwen heen geleidelijk meer penningen per hoen gerekend. Als we deze trend terug mogen projecteren, dan zal de norm vóór 1340 meer dan 2,7 hoenderen per bunder geweest zijn.

De bestaande gegevens maken het niet mogelijk om de norm voor de hoendercijnzen met zekerheid te bepalen. Voorlopig lijkt op basis van bovenstaande gegevens 4 hoenderen per bunder de beste aanname. De kwestie vraagt nog verdere studie. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat een deel van de hoendercijnzen van oorsprong recognitiecijnzen kunnen zijn.

4.4 De verlaten erven en vacante cijnzen

Appendix IV geeft een tabel met een overzicht van de vacante cijnzen. Op het totaal aantal van 6.656 cijnzen zijn er 191 die in de periode 1340-1351 helemaal niet betaald werden.

Er zijn verschillende redenen voor.

Er is 22 keer sprake van verkeerde inschrijvingen. Een keer wordt dat ook als zodanig vermeld male scriptum (Beers, nr. 87). Bij Orthen, cijns nrs. 114 en 115 staat solv. bis (twee keer betaald), die cijnzen werden per abuis twee keer in het boek opgenomen. Twee keer is bij een verkeerde inschrijving ook vacat bijgeschreven (10 %).

Resterend zijn 169 niet betaalde cijnzen, zonder administratieve oorsprong, ofwel 2,5 % van het totaal aantal cijnzen. De oorzaken. zijn:

22 keer staat er aangetekend dat het perceel is teruggegeven aan de hertog. De cijnsbetaler heeft het goed dus weer verlaten, en hoeft daarom de grondcijns niet langer te betalen. 16 keer (in 73 % van de gevallen) staat er ook vacat bij de cijnspost geschreven. Omgerekend betrof het in totaal 51 bunder grond.

Bij 31 van de resterende147 cijnzen staat 'schuld kwijtgescholden' bijgeschreven (waarvan 20 keer ook vacat bijgeschreven (65 %).)

De resterende 116 percelen betreffen grotendeels onwillige betalers. Hier staat nog 73 keer (63 %) vacat. bijgeschreven.

Het duurde vermoedelijk lang voordat zo'n schuld afgeschreven werd. Vaak verschijnen ze nog in opvolgende cijnsboeken. Als zo'n schuld afgeschreven werd, werd dat vermoedelijk als debet sepe 'schuld kwijtgescholden' in het cijnsboek vermeld. Voor de meeste niet inbare cijnzen werd in de hele periode 1340-1351 niet betaald. waarschijnlijk waren ze ook al vóór 1340 niet inbaar.

Enkele cijnzen werden tussen 1340 en 1351 vacant. In Mierde werd cijns nr. 166 (2 1/2 nieuwe penningen) betaald in 1340, hierna niet meer. Een bijschrift vermeldt: schuld kwijtgescholden. Van Hilvarenbeek, cijns nr. 85 werd een deel kwijtgescholden. Helvoirt cijns nr. 210 en Oisterwijk cijns nr. n1 werden enkele jaren betaald, maar een opschrift vermeldt dat ze in de periode 1340-1351 vacat werden.

4.5 Totaal oppervlak uitgegeven grond en recognitie-cijnzen

In dit hoofdstuk zullen we het oppervlak cijnsgoed in 1340 benaderen. Hiertoe gaan we als volgt ter werk:

De nieuwe uitgiften van de periode 1340-1351 worden apart vermeld.

Van de resterende cijnzen van 1340 worden vervolgens de recognitiecijnzen zo goed mogelijk bepaald.

Wat overblijft zijn de grondcijnzen. Hiervan wordt geschat welke percelen tegen een afwijkende norm uitgegeven zijn.

Wat overblijft wordt beschouwd als het pakket cijnsgoed dat tegen de normale norm uitgegeven werd.

4.5.1 De uitgiften uit de periode 1340-1351

In Appendix V zijn eerst de recognitiecijnzen gegeven die in 1340-1351 uitgegeven zijn, en hierna de gronduitgiften.

Voor deze lijsten geldt enig voorbehoud omdat het moeilijk is om een onderscheid te maken tussen de inschrijvingen als gevolg van nieuwe uitgiften, en inschrijvingen waarvan de oorspronkelijke cijns weggeradeerd is. In paragraaf 1.2 zijn de citera gegeven die ik gebruikte om deze twee mogelijkheden te onderscheiden.

De geschatte hoeveelheid in de periode 1340-1351 uitgegeven grond is:

Vught 4,0 bunder

Aarle 1,7 bunder

Lieshout 0,3 bunder

Bakel 2,3 bunder

Deurne 4,8 bunder

Zomeren 0,4 bunder

Veghel 0,1 bunder

Middelrode 2,2 bunder

Sint Michielsgestel 3,8 bunder

Stratum 2,6 bunder

Eersel 6,0 bunder

Beers 1,8 bunder

Oirschot (Hubertus) 17,3 bunder

Gunterslaer 0,7 bunder

Oss 5,0 bunder

Nistelrode 33,6 bunder

Eindhoven 0,2 bunder

Hilvarenbeek 10,4 bunder

Helvoirt 3,6 bunder

Oisterwijk 33,8 bunder

Tilburg 29,3 bunder

------ +

163,9 bunder

Het totaal uitgegeven oppervlak in de periode 1340-1351 voor alle cijnsdorpen samen wordt geschat op 163,9 bunder. Dat is 13,7 bunder per jaar.

4.5.2 Recognitiecijnzen

Eerder concludeerden we dat de hertog percelen grond uitgaf tegen een norm van 12 oude penningen of 12 nieuwe penningen per bunder. Waar wat betekenen in dit verband de hoendercijnzen, of de cijnzen betaald in andere penningen? Zijn dat grondcijnzen of recognitiecijnzen?

penningen payment

Omdat cijnzen betaald in payment geld bij de cijnzen van de heer van Helmond niet voorkomen is dit geld vermoedelijk pas na 1314 in gebruik gekomen. In het cijnsboek kan onderscheid gemaakt worden tussen:

grote bedragen in payment (1 1/2 tot 40 schelling), dit blijken allemaal recognitiecijnzen te zijn.

de cijnzen van Gunterslaer, dit zijn grondcijnzen uitgegeven tegen een norm van 8 schellingen payment per bunder.

Dan zijn er 67 cijnzen met kleine bedragen in payment (44 keer 1 penning, 15 keer 2 penningen en 8 keer 3 tot 8 penningen). 12 keer wordt het cijnsgoed beschreven. Hiervan blijkt het 7 x om grondcijnzen te gaan (nieuwe uitgifte, stukje grond bij zijn hof, stukje heide, hof (2x), weiland, stukje voor zijn huis), 3 x om een recognitiecijns (gracht, straat, ven), 1 x om een speciale lage cijns (5 penningen van 5 bunder), en 1 x om een nieuwe hofstad.

Bij de kleine bedragen in payment nemen we aan dat het grondcijnzen volgens de normale norm van 1 groot of 16 penningen payment per bunder betreft, behalve als anders aangegeven is.

zwarte penningen

Net als bij de penningen payment gaat het bij de zwarte penningen voornamelijk om kleine bedragen, 98 x 1-6 penningen, (6 keer 1/2 penning, 61 keer 1 penning, 20 keer 2 penningen, 8 keer 3 penningen, 1 keer 4 penningen en 2 keer 6 penningen).

Daarnaast komen slechts 5 grotere bedragen in zwarte penningen voor: 3 keer 12 penningen, 1 keer 17 penningen en 1 keer 10 zwarte schellingen.

Van de 27 keren dat er een beschrijving gegeven wordt is er 19 keer sprake van een grondcijns (uitvang, hornic, beemd, hof), 2 keer sprake van een hofstad, en 6 keer sprake van een recognitiecijns (Bersmans hoeve, visserij plus molen, water, straat (2 keer)), huis) De cijns van 10 zwarte schellingen werd te Middelrode betaald "in de Hautert". Van de 3 keer 12 zwarte penningen, betrof het 2 keer een grondcijns.

We nemen net als bij de penningen payment aan dat het grondcijnzen volgens de normale norm van 1 groot of 16 zwarte penningen per bunder betreft, behalve als anders aangegeven is. Het verschil met de penningen payment is dat de cijnzen betaald in zwarte penningen wel ouder dan 1314 kunnen zijn. Ze komen ook bij de heer van Helmond voor.

keulse penningen

Keulse penningen komen voor:

Orthen Sint Maarten, cijns nr. 31 12 keulse penningen

cijns nr. 175 10 1/2 keulse penningen

cijns nr. 176 1/4 keulse penningen

cijns nr. 276 2 keulse penningen voor een hof

Orthen tweede paasdag, cijns nr. 41 7 1/2 keulse penningen

In Rode Remigius werden aan de heer van Helmond 2 keulse penningen betaald.

Het betreft hier vermoedelijk recognitiecijnzen, omdat van zowel Orthen als het graafschap Rode een leenband met de aartsbisschop van Keulen bekend is.

sterlingen

Cijnzen betaald in Sterlingen zijn zeldzaam.

Bakel, cijns nr. 21 4 sterlingen van heide bij Milheze

Tilburg, cijns nr. 45 2 sterlingen van de straat

Helvoirt, cijns nr. 311 onzeker geval, o.a. 32 sterlingen lijken toegevoegd bij een verdeling

Bij de cijnzen van de heer van Helmond werden te Erp 4 sterlingen betaald. We gaan er van uit dat het hier steeds een recognitiecijns betreft.

vlaamse penningen

Er zijn de volgende 21 cijnsposten met vlaamse penningen.

cijnsdorp cijns nr. cijnsbedrag

Vught 64 5 nieuwe schellingen plus 3 vlaamse penningen

Rode Remigius 1 36 schellingen plus 1 vlaamse penning

Rode Remigius 9 7 1/2 nieuwe schellingen + 1 vlaamse penning

Middelrode 56 4 schellingen min 1 vlaamse penning

Middelrode 89 4 schellingen min 1 vlaamse penning

Sint-Michielsgestel 26 6 1/2 nieuwe schellingen min 1/2 vlaamse penning

Sint-Michielsgestel 77 7 1/2 nieuwe schellingen plus 1 vlaamse penning

Stratum 17 7 1/2 nieuwe schellingen plus 1 vlaamse penning

Oerle 172 10 1/2 nieuwe schellingen + 1 vlaamse penning

Eersel 19 9 penningen plus 1 vlaamse penning

Mierde 81 11 oude penningen + 1 vlaamse penning

Beers 31 15 nieuwe penningen + 1 vlaamse penningen

Beers 67 1 vlaamse penning

Oirschot Hubertus 174 3 1/2 nieuwe schellingen min 1 vlaamse penning

Orthen Martinus 66 18 vlaamse schellingen

Helvoirt 217 6 penningen plus 1 vlaamse penning

Helvoirt 234 5 nieuwe schellingen + 1 vlaamse penning

Helvoirt 272 1/2 vlaamse penning

Helvoirt 311 3 1/2 nieuwe schellingen plus 1 vlaamse penning

Oisterwijk 417 14 nieuwe schel. + 3 n. pen. + 1 vlaamse penning

Heze (Rosmalen) 95 9 oude penningen plus 1 vlaamse penning

beschrijving cijnsgoederen:

6 1/2 nieuwe schellingen min 1/2 vlaamse penning 6 1/2 bunder min 20 roeden

18 vlaamse schellingen broek in Elde

Het is opvallend dat in 18 van de 21 vermeldingen de vlaamse penning in combinatie met nieuwe of oude penningen voorkomt, er worden steeds één of enkele vlaamse penningen bij opgeteld of afgetrokken.

Er is één vermelding van cijnsgoed waarbij er eren halve vlaamse penning afgetrokken is omdat het perceel 20 roeden kleiner is dan de 6 1/2 bunder waarvoor de cijns van 6 1/2 nieuwe schellingen staat. Hier is de vlaamse penning dus te beschouwen als een grondcijns. Ook de cijns van 18 vlaamse penningen voor een broek in Elde is een grondcijns.

We nemen aan dat de vlaamse penningen grondcijnzen betreffen. De waarde was ongeveer, of precies, gelijk aan de nieuwe (brabantse) penning. Waarom er in de administratie vlaamse penningen bijgehaald worden is onduidelijk. Er komen ook enkele vlaamse penningen in het pakket cijnzen van de heer van Helmond voor, die cijnzen zijn ontstaan vóór 1314. De vlaamse penning die aan de hertog betaald werd voor een cijns in Rode Remigius, is in de periode 1314-1340 ontstaan.

hoenderen

De hertog heeft in 1314 de Peellandse hoendercijnzen aan zich gehouden. Aan de markt in Sint-Oedenrode werden erven tegen een cijns van 15 oude penningen plus 2 hoenderen uitgegeven. Na 1314 werden de penningen aan de heer van Helmond betaald, en de hoenderen aan de hertog. Ook het gegeven dat de hertog in 1340 in Helmond alleen hoendercijnzen inde, bevestigt dat de hertog in 1314 de hoendercijnzen voor zichzelf hield. De acte van 1314 vermeldt de cijnzen betaald in oude en nieuwe penningen die de hertog aan de heer van Helmond overgaf, maar vermeldt geen hoenderen.

Het dorp Someren betaalde een cijns van 50 hoenderen, dat is vermoedelijk een recognitiecijns, misschien samenhangend met de gemeint die de hertog vóór 1301 aan de geburen van Someren gaf.

Een aantal hoendercijnzen blijken typerend voor te komen in combinatie met oude penningen in de vrijheden. Zie hiervoor paragraaf 4.5.2.

Er zijn daarnaast 38 vermeldingen van hoendercijnzen die vermoedelijk een grondcijns betreffen (beemd 31 x, akker 4 x, broek 2 x, heide 1 x), daarnaast worden nog twee keer zowel perceelsgrootte als cijnsbedrag vermeld. De meeste hoendergrondcijnzen hadden kennelijk betrekking op beemden. Van de 164 cijnzen waarbij het cijnsgoed als 'beemt' omschreven wordt is echter maar 31 een hoendercijns (19,5 %).

We nemen aan dat hoendercijnzen grondcijnzen zijn (vaak waren het dan beemden), tenzij de hoendercijns voorkomt in vrijheden in combinatie met oude penningen, of tenzij uit de beschrijving van het cijnsgoed blijkt dat het om een recognitiecijns gaat.

omschrijvingen

In Appendix VI zijn alle recognitiecijnzen gegeven. Voor zover voor mij mogelijk was zijn ze gedocumenteerd met informatie uit andere bronnen.

Samengevat, zijn er in 1340 242 recognitiecijnzen. 9 werden daar toe gerekend op basis van het gebruikte geld, en 235 op basis van de beschrijving van het cijnsgoed.

op basis van het gebruikte geld:

keulse penningen 5

sterlingen 3

ventre ance (betekenis onduidelijk) 1

-- +

9

op basis van het cijnsgoed:

gemeint/heide 85

visserij 26

vinarius (betekenis onzeker) 25 (vertaald als 'wijngaard')

molen 9

water:

ven 17 (o.a. turfven, looiven en dergelijke)

rijt 8

put 4

gracht 4

water 3

waterloop 1

wetering 1

meer 1

--

37

wegen:

straat 14

steeg 10

dijk 7

weg 2

--

33

ore cellarij (betekenis onduidelijk) 4

goederen:

hoeve 2

eiland Engelen 2

goed 1

bos 1

-- +

6

lakenhuis 2

brouwerij 2

dijk als waterkering 1

recht om te schutten 1

hecken 1

gruit 1

waag 1

vleesbank 1

---- +

235

4.5.3 De afwijkende norm in de vrijheden

In Eindhoven worden 62 cijnsgoederen omschreven als 'huis', 1 keer als 'kamer, 2 keer als 'schuur', 4 keer als 'huis en hof en 1 keer als 'huis met aangelag'. Als men de bijbehorende bedragen optelt en het bijbehorende cijnsgoed uitrekent met de normale norm dan zou het 80,1 bunder grond betreffen. Het oppervlak binnen de vrijheidsgrenzen van Eindhoven was echter maar 56 hectare, ofwel 41,8 bunder. Huispercelen zijn hier kennelijk tegen een hoger bedrag uitgegeven.

In appendix VII is een analyse van de cijnsbedragen in Eindhoven gegeven.

Het meest voorkomende bedrag bij de cijnsposten waar het cijnsgoed als 'huis' omschreven wordt, is 18 oude penningen. Vermoedelijk was de norm voor een heel huiserf 18 oude penningen.

De 7 vermeldingen met 'hofstad' volgen dit patroon.

Er zijn 30 cijnsgoederen als 'hof' aangeduid, en hier zijn de bedragen lager. Ook komen er zwarte, en nieuwe penningen en penningen payment voor, die komen bij de huizen niet voor.

Er zijn in 6 vermeldingen van percelen:

9 oude penningen akker

3 oude penningen beemd

7 oude schellingen goed in Meyelsfoert

18 penningen payment Goerken

1 zwarte penning van een stukje voor zijn huis

3 hoenderen Bleec

Tenslotte 106 vermeldingen van cijnsgoederen zonder aanduiding. Uit het feit dat ook hier het bedrag 18 oude penningen per bunder het meest voorkomt, mag geconcludeerd worden dat het ook hier veelal om huizen gaat.

Er komen ook hoendercijnzen voor in Eindhoven. De Bossche keur van 1284 noemt een cijns van 12 keulse penningen plus 2 hoenderen voor een heel erf (een keulse penning was omstreeks 1200 gelijk aan een oude brabantse penning).

In Peelland werden na 5 juli 1314 de hoenderen aan de hertog, en de oude penningen aan de heer van Helmond betaald. In Sint Oedenrode lagen cijnsgoederen belast met 15 oude penningen plus 2 hoenderen aan de markt, zodat het hier mogelijk huiserven betreft met een toegevoegde waarde, waarvoor 2 hoenderen betaald werd. Men kan dan denken aan nering.

In Eindhoven komen 11 van die vermeldingen voor.

6 oude penningen en1 hoen 1 keer

15 oude penningen en 1 hoen 1

16 oude penningen en 1 hoen 2

16 1/2 oude penningen en 2 hoenderen 2

18 oude penningen en 2 hoenderen 1

30 oude penningen en 2 hoenderen 3

32 penningen en 2 hoenderen 1

De hoenderen beschouwen we hier als recognitiecijnzen.

Hoe moeten we dit alles begrijpen? We onderzoeken 2 scenario’s op hun plausibiliteit:

scenario 1:

In scenario 1 nemen we voor Eindhoven aan dat alle percelen tegen de norm van een huiserf uitgegeven zijn, tenzij de beschrijving van het cijnsgoed anderszins vermeldt. Een norm van een hof beschouwen als hetzelfde als voor een huis, vanuit de gedachte dat anders de verleiding groot zal zijn geweest om een perceeltje tegen een lage cijns als hof te nemen, om er vervolgens illegaal op te bouwen.

Van de vermeldde percelen nemen we aan dat het perceel gelegen in Meyelsfoert, belast met 7 oude schellingen buiten de vrijheid lag en uitgegeven is tegen de normale norm. Ook voor de beemd, de akker en 'Goerken' rekenen we met de normale norm. De twee laatste vermeldingen (een stukje voor zijn huis, en Bleec) beschouwen we als vrijheidspercelen.

Voor Eindhoven binnen de vrijheid vinden we voor het cijnsgoed van de hertog in 1340:

2.781 oude penningen 154,5 huiserven

30,5 zwarte penningen 1,0 huiserf

4 penningen payment 0,1 huiserf

29,5 nieuwe penningen 1,2 huiserven

------ +

156,8 hele huiserven

Uit de bedragen gegeven in appendix VII blijkt dat veel huiserven in de loop van tijd gesplitst waren. Er werden er ook samengevoegd, maar de splitsingen hadden de overhand. De 2.781 oude penningen betroffen 207 vermeldingen, zodat een gemiddelde cijnsvermelding, en vermoedelijk huis, met 13,4 oude penningen belast was.

Het aantal huizen in 1340 was dan wat hoger, namelijk 211 huizen

Dit getal zal de werkelijkheid inderdaad benaderen, want de haardtelling van 1438 geeft voor Eindhoven 248 huizen, en behalve de hertog waren er in Eindhoven nog enkele percelen die elders hun cijns betaalden.

Wat was het oppervlak dat bij die huizen hoorde? Opgravingen op het Heuvelterrein in Eindhoven hebben oorspronkelijke huiserven blootgelegd met een breedte van ongeveer 40 voet. In 's-Hertogenbosch heeft archeologisch onderzoek ook oorspronkelijke erven met een breedte van 40 voet (en een lengte van 140 voet) opgeleverd, terwijl onderzoek in de cijnsboeken daar een norm van 17 oude penningen per erf opleverde.

Vrijheidserven waren dus (onder enig voorbehoud) pakweg 15 tot 16 roeden groot, ofwel: er gingen 25 hele huiserven in een bunder. Voor onze benadering houden we een norm van 18 oude penningen per 16 roeden aan. (of 24 nieuwe penningen, of 32 zwarte penningen of 32 payment penningen).

In dit scenario bezat de hertog in 1340 in Eindhoven het volgende cijnsgoed:

- binnen de vrijheid: 156,8 hele huiserven, ofwel 211 huizen 6,3 bunder

- buiten de vrijheid 96 oude penningen 8,0 bunder

18 penningen payment 1,3 bunder

------------ +

15,6 bunder

Scenario 2:

De 156,8 huiserven binnen de vrijheid bedroegen dan een oppervlak van 6,3 bunder. Dat is slechts 15 % van het oppervlak binnen de vrijheid. Als de hele huiserven in Eindhoven niet groter waren dan ongeveer 16 roeden was er nog veel ruimte over binnen de stad. Net als in den Bosch zal er echter veel akkerland binnen de vrijheidsmuren gelegen hebben. Het cijnsboek van 1340 vermeldt inderdaad 7 hofsteden, dit zullen boerderijen geweest zijn. Het is het niet onwaarschijnlijk dat er bouwland, uitgegeven tegen de 'plattelandsnorm' tussen de cijnzen verstopt zit. Bij benadering zal 30 tot 35 bunder binnen de vrijheid bouwland geweest zijn.

We rekenen nu tot de landbouwgrond:

Twee van de vermeldingen van percelen als cijnsgoed:

9 oude penningen akker (0,8 bunder)

18 penningen payment Goerken (1,1 bunder)

Alle cijnzen betaald in nieuwe penningen (totaal 29,5), zwarte penningen (30,5) en penningen payment (4) (Samen 4,7 bunder)

300 oude penningen (25 bunder)

In dit scenario blijven er 2.481 oude penningen over voor de huiserven, dat geeft 137,8 hele huiserven, ofwel 185 huizen. Wat ook een redelijk getal is. Er ontstaat het beeld van vrijheid die kort na haar stichting omstreeks 1210 een snelle groei kende. In het begin van de veertiende eeuw stagneerde de groei (met de algehele economie). Het aantal huizen was later:

1438 248 huizen,

1464 231 huizen

1472 209 huizen

1480 202 huizen

In dit meer waarschijnlijke scenario bezat de hertog in 1340 in Eindhoven het volgende cijnsgoed:

- binnen de vrijheid: 137,8 hele huiserven, ofwel 185 huizen 5,5 bunder

landbouwgrond 31,6 bunder

------------ +

37,1 bunder

- buiten de vrijheid 87 oude penningen 7,3 bunder

de afwijkende norm in andere vrijheden

De volgende vraag is nu: kwamen er ook in de andere cijnsdorpen cijnsgoederen uitgegeven volgens de 'vrijheidsnorm' voor? Hiervoor kunnen we twee criteria hanteren.

De plaats moet vóór 1340 bepaalde voorrechten (zoals vrijheidsrechten) gehad hebben, die die hogere norm rechtvaardigen.

We kunnen letten op de bedragen: een vermelding van een huis in combinatie met een bedrag van 6 tot 20 oude penningen is verdacht, evenals de combinatie van 6 tot 20 penningen met 1 tot 2 hoenderen

Omdat combinaties van oude penningen met hoenderen of huizen ook toevallig voor kunnen komen, letten we op de frequentie. Een zoektocht door het cijnsregister leverde de volgende vondsten op:

  % treffers van totaal aantal cijnsposten 6 - 20 oude penningen met hoenderen 6 - 20 oude penningen met huis
Vught 4,0 % 6 -
Stratum 1,4 % 2 -
Oerle 1,1 % 1 2
Eersel 2,9 % 22 -
Lommel 0,5 % 1 -
Mierde 7,8 % 17 -
Beers 2,2 % 1 -
Vessem 3,6 % 3 -
Orthen-Martinus 8,3 % 23 -
Eindhoven 18,3 % 8 40
Hilvarenbeek 0,5 % 2 -
Oisterwijk 0,4 % 1 1
Tilburg 0,5 % 2 -

Tabel 4 Absoluut en relatief aantal cijnsposten die voldoen aan criterea die een cijnspost als ‘mogelijke vrijheidscijns’ klassificeren.

Orthen-Martinus geeft na Eindhoven de hoogste score. Dat is aannemelijk, Orthen was vanouds een eigen bezitting van de hertog.

Mierde geeft met 17 treffers een onverwacht hoge score. Van de historie van Mierde is niet zo veel bekend, de oudste vermelding van de schepenbank dateert uit 1350. Omdat die ten hoofde ging te Antwerpen zal de schepenbank van voor circa 1230 dateren. Mogelijk werd die kort na 1212 ingesteld, toen de hertog in Mierde een voet aan de grond kreeg door een schenking van Dirk van Altena aan de abdij van Averbode, waarover de hertog voogd was. De cijnsdatum van Mierde en Oisterwijk werden aan de reeks van de eninge van de Kempen geplakt. Bestuurlijk werd Mierde bij Oisterwijk gevoegd, welke stad de hertog kort daarvoor stichtte. Oisterwijk geeft in vergelijking met Eindhoven echter een zeer lage score. Misschien zijn er vrijheidscijnzen van Oisterwijk in het cijnsboek van Mierde terechtgekomen.

In Vught, met 6 treffers, en Eersel met 22 treffers zullen percelen tegen een vrijheidscijns uitgegeven zijn. De incidentele treffers in de andere cijnsdorpen beschouw ik als toeval.

De bedragen van die 'vrijheidscijnzen' waren:

Vught

119 1/2 oude penningen circa 7 huiserven

8 1/2 hoenderen

Eersel

225,5 oude penningen circa 12 huiserven

30 hoenderen

Mierde (Oisterwijk?)

206 oude penningen circa 11 huiserven

21 1/2 hoenderen

Orthen Martinus

258 3/4 oude penningen circa 14 huiserven

19 1/4 hoen

Ook Sint-Oedenrode kwamen vrijheids-cijnzen voor, maar die Peellandse cijnzen heeft de hertog in 1314 aan de heer van Helmond gegeven. Ook voor Helmond mogen we een aantal vrijheidscijnzen aannemen.

Het is waarschijnlijk dat er onder de cijnzen van de vrijheden nog meer huizen volgens de hogere norm verstopt zitten. Het cijnsboek van 1340 geeft daar echter geen informatie over.

Het is natuurlijk mogelijk om de frequentie treffers van Eindhoven als norm te nemen, in dat geval zou het aantal huiserven met ongeveer een factor 3 vermenigvuldigd moeten worden. Eindhoven is als geheel echter te a-typisch om dit te rechtvaardigen.

Voor onze berekeningen nemen we daarom aan: Alle percelen in Vught, Orthen, Mierde, en Eersel zijn tegen de normale norm uitgegeven, behalve in bovengenoemde gevallen. Met name voor Orthen is dat overigens nog maar de vraag.

Met deze laatste aanname is de weg vrij om de hoeveelheid cijnsgoed in 1340 te kunnen berekenen.

Rest allen nog om de uitzonderingen te vermelden:

de uitzonderingen

Er zijn enkele vermeldingen van uitgiften tegen een lagere cijns. Vermoedelijk betreft het hier speciale gunsten van de hertog. In een enkel geval kan dat gestaafd worden met gegevens uit andere bronnen,

Zo betalen in Oirschot - Hubertus (cijns nr. 289) de monniken van Tongerlo een cijns van 12 penningen van 19 bunder van heer Denekinus. Het oorkondenboek van Noord Brabant geeft bij nrs. 620 en 621 (18 en 30 augustus 1301)

Daniel van Oirschot, ridder, verkoopt 19 bunder broekland onder Oirschot, die Daniel van de hertog verkreeg, aan Tongerlo. Tongerlo moet 12 penningen cijns betalen op kerstdag.

Andere uitzonderingen zijn:

Orthen, cijns. 172. 3 oude schellingen van 1 bunder tussen Brugghen en Roesmalen

Son, cijns nr. 9. 5 penningen payment, van 5 bunder

Veghel, cijns nr. III 12 nieuwe penningen, van 20 bunder

Eersel, cijns nr. n1 4 penningen, van 1/2 bunder in de Eynderijt

Lommel, cijns nr. 135 18 nieuwe penningen, van 6 bunder

Lommel, cijns nr. 144. 4 nieuwe schellingen en 2 penningen, van 1 bunder

Tilburg, cijns nr. 26 3 groten, van 12 bunders bij Goerle en Lutgoer

Tilburg, cijns nr. 264. 1 1/2 schellingen, van 6 bunder heide

Een ander speciaal geval vormen de cijnzen te Gunterslaer, waar percelen uitgegeven werden voor 6 groten per bunder, dat is zes keer de normale norm. Voor Gunterslaer zie paragraaf 4.4.1.

Tenslotte blijkt uit andere bronnen dat de hertog soms percelen uitgaf die onbelast bleven, en dus niet in het cijnsboek opgenomen staan. Ook die zijn meegenomen in de berekeningen, voor zover informatie beschikbaar was.

4.5.4 De cijnzen van de heer van Helmond

In 1314 gaf de hertog cijnzen in peellandse dorpen over aan de heer van Helmond. De betreffende oorkonden geeft een overzicht van deze cijnzen. De bedragen die in de acte van 1314 genoemd worden wijken af van een telling van het pakket cijnzen die ik in juli 1993 deed aan de hand van microfiches van de legger van 1507. Daar zijn verschillende redenen voor:

Fouten door mij gemaakt:

Om de eerste telling te controleren werd in februari 1998 een tweede telling gedaan aan de hand van fotocopieën van het cijnsboek van 1447. De bedragen van de eerste en tweede bleken over het algemeen minder dan 10 % te verschillen, zodat de bedragen van de eerste telling aangehouden kunnen worden. Wel zijn enkele correcties nodig:

De cijnzen voor de gemeintes:

In de uitgiftebrief van de gemeint van Nuenen en Gerwen staat dat de hertog op 4 december 1300 aan de lieden van Nuenen en Gerwen een gemeint uitgeeft van 60 leuvense schellingen te betalen op Remigius). De acte specificeert niet of het om oude, dan wel nieuwe penningen gaat. Omstreeks 1300 mag men dan nieuwe penningen veronderstellen, maar kennelijk is er onenigheid over geweest. In 1447 werd de cijns aan de heer van Helmond half in oude en half in nieuwe penningen betaald, dat soort half-om-half bedragen komen verder niet voor bij de bedragen voor de gemeintes, zoals die door Camps en Enklaar gegeven worden. Het lijkt op een compromis in een geschil. Vergelijking van de bedragen uit de acte van 1314 met het cijnspakket van Helmond in 1447 leert echter dat de cijns voor de gemeint van Nuenen en Gerwen in 1314 nog in nieuwe penningen gerekend werd.

In de uitgiftebrief voor de Erpse gemeint van 13 september 1300 staat dat de lieden van Erp voor hun gemeint een jaarcijns van 6 leuvense ponden moeten betalen. Ook bij dit bedrag ontbreekt de aanduiding oude of nieuwe penningen. Ik ben geneigd om ook hier nieuwe penningen van te maken, maar een vergelijking met de bedragen uit de acte van 1314 suggereert dat deze cijns in 1314 al half-om-half in oude en nieuwe penningen betaald werd.

De derde gemeint die onze aandacht vraagt is die op 4 december 1300 aan de lieden van Rixtel, Aarle en Beek uitgegeven werd tegen een jaarcijns van 40 leuvense schellingen te betalen aan de hertog, en 20 leuvense schellingen te betalen aan de abdij van Echternach. Ook in deze acte wordt het soort penningen niet gespecificeerd. In het cijnsboek van 1447 wordt het bedrag in nieuwe penningen gegeven. De acte van 1314 lijkt echter met oude penningen te rekenen.

De Veghelse gemeint werd op 5 augustus 1310 uitgegeven voor een cijns van 7 ponden. Het soort geld is niet gespecificeerd, en in latere helmondse cijnsregisters zijn daar oude ponden van gemaakt. Uit de bedragen van de acte van 1314 blijkt echter dat het toen om nieuwe penningen ging.

Tenslotte lijkt de cijns van 40 schellingen voor de gemeint van Lieshout, op 2 augustus 1311 door de hertog uitgegeven aan het hof aldaar, en te betalen op Allerheiligen, niet in de acte van 1314 meegerekend te zijn. De cijns werd in 1447 wel betaald aan Helmond. Is hier de gemeint apart vermeld geweest (zoals ook in 1314 de gemeint van Rode apart vermeld staat) en bij het overschrijven van de acte vergeten?

In de navolgende tabel is de gecorrigeerde telling vergeleken met de gegevens uit de acte van 1314.

  Cijnsboek Helmond van 1507

(gecorrigeerd)

 

acte van 1314
cijnsdorpen oude penning nieuwe penning hoenders oude penning nieuwe

penning

Son 1.435,3 2.018,7 - 1.294,0 1.900,0
Stiphout 219,5 586,6 15,6 226,0 560,0
Lieshout 1.753,2 345,5

gem. 480

- 1.622,0 230,0

(+ 480)

Aarle 3.931,0 545,0 4 4.204,0 446,0
Bakel 1.107,3 1.608,9 88,2 1.048,0 1.284,0
Deurne 287,1 36,5 42,0 738,0 -
Vlierden 851,0 155,4 - 976,0 223,0
Someren 458,5 583,0 - 862,0 605,0
Lierop 1.246,9 47,0 5 1.108,0 -
Rode Rem.+Dyon. 1.842,8 3.3860,0 - 1.683,0 6.135,0
Liempde 186,0 2.350,8 - 226,5 2.280,0
Nuenen 1.646,8 1.459,0 - 1.457,0 1.752,0
Tongelre 570,9 1.290,0   478,0 953,0
Erp 1.589,4 1.507,5   1.672,0 1.802,0
Veghel 1.074,8 4.330,5   1.535,0 4.404,0
Schijndel 1.734,2 4.949,0   1.675,0 5.573,0
Middelrode 3,663,3 -   3.944,0 -
Helmond niet geteld niet geteld niet geteld 2.638,0 1.882,0

Tabel 5 vergelijking tussen de cijnzen van Helmond in 1507 (gecorrigeerd), en de bedragen genoemd in de acte van 1314.

Voor Veghel is een nauwkeurige analyse van het cijnspakket gedaan, waarvoor de hele reeks cijnsboeken gebruikt is. Ook voor Veghel is er een verschil tussen de bedragen van de acte van 1314 en het pakket cijnzen in vijftiende-zestiende eeuw. Door mij gemaakte fouten kunnen de verschillen dus niet helemaal verklaren.

De hoendercijnzen

De heer van Helmond inde hoendercijnzen in Stiphout, Deurne, Aarle, Bakel en Lierop. De hoendercijnzen komen in de helmondse administratie pas voor het eerst voor in het cijnsboek dat in 1447 begint en loopt tot 1464. De hoendercijnzen zijn apart geadministreerd, zodat ze geen onderdeel zullen vormen van het pakket cijnzen dat in 1314 naar de heer van Helmond overging. De hertog heeft de hoendercijnzen in 1314 aan zichzelf gehouden.

Er komen onder de helmondse hoendercijnzen veel breuken en vermeldingen naar eerdere eigenaren voor, zodat het geen nieuwe hoendercijnzen lijken te zijn. De cijnsdata zijn identiek aan de andere cijnzen in die plaatsen. Het een en ander doet vermoeden dat het hoendercijnzen zijn die tussen 1314 en 1464, vermoedelijk alsnog van de hertog gekomen zijn.

De bedragen voor de hoendercijnzen die in het cijnsboek van 1340 van de hertog en in het Helmondse cijnsboek van 1447 genoemd worden zijn:

  Hertog

1340-1351

Helmond

1447-1464

Stiphout 15,2 15,6
Deurne 42,0 42,0
Aerle 4,0 4,0
Bakel 87,0 88,2
Lierop 64,5 5,0


Tabel 6 vergelijking tussen aantal hoendercijnzen geïnd door de hertog en de heer van Helmond

De overeenkomst tussen de bedragen doet vermoeden dat de hertog zijn hoendercijnzen in Stiphout, Deurne, Aarle en Bakel tussen 1340 en 1464 aan Helmond heeft gegeven. Lierop lijkt een geval apart.

Om dit te controleren zijn de beschrijvingen van de cijnsgoederen in het cijnsboek van 1314 vergeleken met die in het cijnsboek van Helmond, waarin ook oudere eigenaren vermeld worden.

Stiphout:

Helmond, fol. 280 1 hoen, van het huis en hof ter Braken, eertijds betaald door Henricus,

zoon van Johannes Ludovicus

Hertog, fol. 10v 1 hoen, van het huis en hof ter Braken, betaald door Joannes, zoon van

Ludovicus, opgevolgd door Henricus, zijn zoon

Helmond, fol. 280 1 hoen, eertijds betaald door Willelmus van den Velden

Hertog, fol. 11 ¼ + ½ + ¼ hoen, eertijds betaald door Willelmus van den Velden

Deurne:

Helmond, fol. 285v 2 hoenderen, eertijds betaald door Wolterus van Bruheze

Hertog, fol. 16 2 hoenderen, betaald door heer Joannes van Bruheze

Helmond, fol. 285v ½ + ½ hoenderen, eertijds betaald door Crispianus Arnoldus van

Helmont, van de Blaect

Hertog, fol. 16 1 ½ hoenderen, betaald door Arnoldus, zoon van Christianus van

Helmont, van Blaeckt

Helmond, fol. 285v 1 hoen, door Johannes Arnoldus van den Hovel

Hertog, fol. 16 1 hoen, door Arnoldus van den Hovel

Aerle:

Helmond, fol. 281v 2 hoenderen, eertijds betaald door de commandeur van Ghemert

Hertog, fol. 12 2 hoenderen, betaald door de commandeur van Ghemert

Bakel:

Helmond, fol. 282v 2 hoenderen, van het erfgoed van wijlen Arnoldus Naelde

Hertog, fol. 14 2 hoenderen, van het erfgoed van wijlen Arnoldus, genaemd Naelde

Helmond, fol. 283v 4 ½ hoenderen, de commandeur van Ghemert

Hertog, fol. 14 4 ½ hoenderen, de commandeur van Ghemert

Helmond, fol. 283v 2 hoenderen, de commandeur van Ghemert, van het erfgoed van

Henricus van de Vorst

Hertog, fol. 14 2 hoenderen, de commandeur van Ghemert, van het erfgoed van

Henricus van de Vorst

Helmond, fol. 283v 2 hoenderen, de commandeur van Ghemert, van het erfgoed van

Moescops

Hertog, fol. 14 2 hoenderen, de commandeur van Ghemert, van het erfgoed van

Moescops

Helmond, fol. 283 2 hoenderen, eertijds betaald door Truda Lemmens

Hertog, fol. 15v 2 hoenderen, betaald door Truda, vrouw van Lemmens

Lierop

Helmond, fol. 287v 5 hoenderen, van een beemd in Heersel

Hertog niet gevonden

Er zijn voldoende overeenkomsten gevonden om aan te mogen nemen dat de Helmondse hoendercijnzen in Stiphout, Deurne, Aerle en Bakel inderdaad van de hertog afkomstig zijn. De hoendercijns van de heer van Helmond van 5 hoenderen in Lierop heeft wellicht een andere oorsprong. Ook de 47 nieuwe penningen die de heer van Helmond in 1447 in Lierop inde is vermoedelijk niet afkomstig van de hertog in 1314. In de acte van 1314 worden geen cijnzen betaald in nieuwe penningen te Lierop vermeld.

In het cijnsboek van de hertog van Deurne van 1380 komen de hoendercijnzen nog wel voor, en in het cijnsboek van 1418 niet meer, zodat de transactie te dateren is tussen 1380 en 1418.

Andere aanwinsten:

Naast de hoendercijnzen zijn er nog andere aanwinsten van de heer van Helmond bekend.

Zo is vanaf 1421 de administratie bewaard van de cijnzen "Dinther in Dorne", en de "gebuurcijnzen van Stiphout".

Bij een eerste inspectie bleek de ‘Dinthercijnzen in Deurne’ te bestaan uit ongeveer 70 cijnsposten, te betalen ‘na Remigius’. De cijnsdatum suggereert afkomst van ofwel Echternach, ofwel van de grondheer (de van Rodes/graaf van Gelre/hertog). Opmerkelijk is dat er geen nieuwe penningen in voorkomen (die vanaf 1214 bekend zijn), alleen maar oude penningen, en ook veel hoenderen en keulse penningen. Hans Vogel uit Helmond heeft de afkomst van deze cijnzen getraceerd, en vermoed dat het uit een deel van het Echternachs goed komt. Opmerkelijk is dat er enkele cijnsposten te betalen uit de ‘gemeint van Loen’ (gelegen nabij Liessel) voorkomen.

In hetzelfde archiefnummer zijn ook de zogenaamde "gebuurcijnzen van Stiphout" ondergebracht, die op Maria Lichtmis (2 februari) moesten worden betaald. Ook deze cijnzen waren dus minstens vanaf 1421 in bezit van de heer van Helmond. Het betreft ongeveer 100 cijnsposten, voornamelijk betaald in oude groten. De uniforme beschrijvingen doen vermoeden dat het pakket in één keer ontstaan is. Ook nieuwe en oude penningen komen voor. Oude groten werden pas vanaf 1266 geslagen, waaruit volgt dat deze cijnzen ontstaan zijn in de periode 1266-1421. De norm was hier 4 oude groten per bunder. Ofwel 1 oude groot voor 1 jurnalibus, ofwel zilla. Opgeteld en uitgerekend volgens de norm betreft het 42,9 bunder cijnsgoed. Norm, cijnsbedragen, de termen jurnalibus, en zilla, en de cijnsdatum wijzen er allemaal op dat dit goed niet afkomstig is van de landsheer (van Rode/graaf van Gelre/hertog.)

Zowel de hoendercijnzen, de Dinthercijnzen in Deurne, als de Gebuurcijnzen in Stiphout zijn in de vijftiende eeuw administratief gescheiden van de cijnskring Peelland. We kunnen ons afvragen, of de heer van Helmond ook nog andere cijnzen verwierf, of eigen bezit tegen een cijns uitgaf. Dit lijkt inderdaad gebeurd te zijn. Zo is er bijvoorbeeld een acte van 4 juni 1383 waarin de heer van Helmond diverse percelen land in Deurne tegen een cijns van 18 lopens rogge en ¾ kapoenen uitgeeft aan Jan, genoemd Hertogensoen. Deze cijns is niet teruggevonden tussen de Deurnese cijnzen van Helmond van 1447 en 1507. De acte toont aan dat de heer van Helmond eigen bezittingen had te Deurne. Op 9-11-1331 verwerft de heer van Helmond een cijns van 10 zwarte ponden op zijn goederen "te Sande" gelegen te Aarle. Ook deze cijns in niet gevonden in het cijnsboek van Aarle van 1447.

We moeten er ook rekening mee houden dat de heer van Helmond eigen goed tegen een cijns uitgaf en die tussen de cijnzen van de cijnskring Peelland administreerde. Tussen de cijnzen in Vlierden bevinden zich drie cijnzen uit percelen "in die Berscot" die uitgegeven zijn tegen een cijns van 1 oude penning plus 1 oort per bunder. Dat is een heel andere norm als die van de landsheren (Rode/Gelre/hertog). Het vermoeden bestaat dan ook dat het hier vercijnsd eigen bezit van de heer van Helmond betreft. Ook in Bakel bij de Schans vinden we enkele percelen uitgegeven tegen een andere norm (12 nieuwe schellingen plus 3 penningen per bunder).

Conclusie:

De conclusie is dat het pakket cijnzen van de cijnskring Peelland niet helemaal statisch was. Vooral in de cijnsdorpen nabij Helmond kunnen latere cijnzen afkomstig van de heer van Helmond toegevoegd zijn. Verder is het ook mogelijk dat cijnzen geruild, of verkocht werden. In het cijnsboek van 1447 komen ook ‘vacant’ geworden cijnzen voor, dat zijn cijnzen die om diverse redenen niet geïnd werden. Het kan een administratieve fouten gaan, het kan ook om onwillige betalers, om kwijtgescholden cijnzen, teruggegeven percelen, of afgeloste cijnzen gaan.

Het pakket cijnzen uit 1447 is, alles meegeteld en verrekend, redelijk goed in overeenstemming met de gegevens uit de acte van 1314. Voor het berekenen voor het oppervlak van het cijnsgoed van de landsheer in Peelland houden we daarom de gegevens uit de acte van 1314 aan. De enige aanpassing die ik maak is het opnemen van een extra bedrag van 40 nieuwe schellingen voor de gemeint van Lieshout.

Cijnsgoed van Helmond en de hertog

De cijnzen die na 1314 ontstonden inde de hertog weer zelf. In de hierna volgende tabel zijn de cijnzen die in 1314 overgingen, en de cijnzen die de hertog in 1340 in de betreffende dorpen inde gegeven. Het bedrag voor Bakel en Deurne in de oorkonde van 1314 is van tshertoghen ghedeile. De hertog deelde de cijnzen daar half-om-half met de abdij van Echternach. Het cijnsboek vermeldt de hele cijnzen, die van de hertog en Echternach samen, en rentmeester Tielman vermeldt bij zijn inkomsten te Deurne en Bakel pro parte ducis, voor het deel van de hertog. Vermoedelijk inde de rentmeester van de hertog alle cijnzen, om daarna de helft aan Echternach af te dragen. Mogelijk gebeurde dat ter plekke op de dag van de cijnsinning zelf. In de tabel zijn voor Bakel en Deurne de hele bedragen gegeven, dus die van de hertog en Echternach samen.

  Cijnsboek van de hertog in 1340

 

naar Helmond in 1314
cijnsdorpen oude penning nieuwe penning hoenders oude penning nieuwe

penning

Son

-

790,5

50,5

1.294,0

1.900,0

Stiphout

-

15,0

15,2

226,0

560,0

Lieshout

-

150,0

-

1.622,0

230,0

(+ 480)

Aarle

-

501,5

4,0

4.204,0

446,0

Bakel

-

632,0

87,0

1.048,0

1.284,0

Deurne

-

3.448,8

42,0

738,0

-

Vlierden

-

378,3

13,0

976,0

223,0

Someren

-

58,8

126,8

862,0

605,0

Lierop

-

453,0

64,5

1.108,0

-

Rode Rem.+Dyon.

-

1.308,0

133,4

1.683,0

6.135,0

Liempde

-

581,0

3,0

226,5

2.280,0

Nuenen

-

157,0

2,0

1.457,0

1.752,0

Tongelre

-

530,3

74,5

478,0

953,0

Erp

-

-

-

1.672,0

1.802,0

Veghel

-

-

45,7

1.535,0

4.404,0

Schijndel

-

39,8

16,0

1.675,0

5.573,0

Middelrode

-

8.452,8

8,0

3.944,0

-

Helmond

-

-

212,3

2.638,0

1.882,0

Tabel 7 vergelijking van de bedragen die de hertog in 1340 inde, en de bedragen van de cijnzen die hij in 1314 overgaf aan Jan II Berthout van Berlaar

Uit de tabel blijkt dat de hertog naast de hoendercijnzen ook de cijnzen betaald in nieuwe penningen te Deurne en te Middelrode zelf gehouden heeft. We zien dit aan het feit dat de heer van Helmond daar geen nieuwe penningen inde, gecombineerd met het hoge aantal nieuwe penningen die de hertog daar in 1340 inde.Ook in Lierop inde de heer van Helmond geen nieuwe penningen, maar het aantal nieuwe penningen dat de hertog in Lierop in 1340 inde is zo laag, dat dat wel nieuwe uitgiften uit de periode 1314-1340 geweest zullen zijn. In Lierop kwamen in 1314 vermoedelijk geen cijnzen betaald in nieuwe penningen voor.

De hertog heeft in 1314 wel een deel van de Peellandse hoendercijnzen gehouden. Aan de markt in Sint-Oedenrode werden erven tegen een cijns van 15 oude penningen plus 2 hoenderen uitgegeven. Na 1314 werden de penningen aan de heer van Helmond betaald, en de hoenderen aan de hertog. Ook het gegeven dat de hertog in 1340 in Helmond alleen hoendercijnzen inde, bevestigt dat de hertog in 1314 de hoendercijnzen voor zichzelf hield. De acte van 1314 vermeld de cijnzen betaald in oude en nieuwe penningen die de hertog overgaf, maar vermeld geen hoenderen. We zagen eerder al dat de hoenderen een klein deel van de cijnzen vormden, en weinig invloed hebben op de berekeningen.

Dat de hertog verder wél alle cijnzen van de cijnskring Peelland over gaf, wordt bevestigd door de cijnzen voor de gemeintes. Alle cijnzen uit gemeintes die vóór de ruil uitgegeven zijn, werden vanaf 1314 aan de heer van Helmond betaald, en de cijnzen van ná de ruil aan de hertog.

 

Betaald in

cijnsdorp:

 

betaald door

geburen van:

betaald aan: jaar van

uitgifte:

Middelrode Berlicum Helmond 1300
Helmond Helmond Helmond 1300
Aarle Rixtel, Aarle

en Beeke

Helmond 2/3

Echtern. 1/3

1300
Nuenen Nuenen & Gerwen Helmond 1300
Erp Erp Helmond 1300
Schijndel Schijndel Helmond 1309
Rode-Dyonisius Rode Helmond 1309
Veghel Veghel Helmond 1310
Rode-Dyonisius Everse Helmond 1311
Lieshout Lieshout en

Floreffe

Helmond 1311
Stiphout Stiphout

 

Helmond vóór 1312
Middelrode Berlicum (Bodem van Elde) Hertog 1314
Rode Dyonisius Olland, en Houthem (Bodem van Elde) Hertog 1314
St. Michiels- gestel Schijndel en St.Michiels-gestel(Bodem van Elde) Hertog 1314
Bakel Bakel en Aarle Hertog ½, en

Echternach ½

1326
Deurne Deurne Hertog ½, en Echternach ½ 1326

 

Vlierden Vlierden Hertog 1326
Lierop Lierop Hertog 1328
Son Son ½ en de abdij van St. Truiden te Leuven ½ Hertog 1314-1340
Liempde

 

Liempde Hertog 1314-1340

Tabel 8, overzicht van gemeintes in de cijnskring Peelland

Middelrode is als cijnsdorp vermoedelijk ontstaan uit eigen bezittingen met een hofgerecht van de van Rodes, niet uitgegroeid tot een plaats met een eigen schepenbank. Middelrode hoorde later onder de schepenbank van Berlicum, en de hertog heeft ook zijn cijnzen te Berlicum te Middelrode ondergebracht. Dit verklaart het relatief hoge bedrag aan cijnzen te Middelrode. Cijnsgoed lag zowel in het kwartier Peelland, als het kwartier Maasland, waartoe Berlicum behoorde. Omdat Middelrode van oorsprong een peellands cijnsdorp was, zijn de cijnzen in de hierna volgende tabellen tot het kwartier Peelland gerekend.De cijnzen van de stad of vrijheid Helmond zelf zijn niet in detail geanalyseerd. De hertog verwierf omstreeks 1220-1222 bezittingen te Helmond. De meeste cijnzen van de stad zullen wel van na 1220-1222 dateren, maar een aantal cijnzen kunnen ook ouder zijn, en dan is de norm niet bekend. Voor het gemak beschouwen we ook deze cijnzen op dezelfde manier als de andere peellandse cijnzen.

Helmondse recognitiecijnzen:Om het oppervlak van het cijnsgoed dat in 1314 naar de heer van Helmond overging te berekenen, verminderen we de genoemde bedragen met de recognitiecijnzen.Lieshout:- geburen voor hun gemeint, 40 nieuwe schellingen- meester van het hof- 3 oude ponden- 5 nieuwe schellingen van de gracht- 12 nieuwe penningen van de visserij- 2 nieuwe schellingen van leem- 5 nieuwe schellingen van de gemeint- 10 nieuwe schellingen van heide achter het hofRode - Dionisius- 18 oude penningen uit een watermolen- geburen van Rode, 3 nieuwe voor een gemeint- geburen van Evershoede, 3 nieuwe ponden, voor een gemeintLiempde- 6 nieuwe penningen, voor de hofmolenSon- 1 nieuwe penning, van enen Torfven- 2 nieuwe penningen, van een erfgoed, genaamd TorfvenneAerle- geburen van Aerle en Beecke, uit de gemeint van Brande, 40 oude schellingenVlierden- 1 oude penning, uit de beek Tongelre- 3 oude schellingen, van de visserijNuenen- de geburen, 3 nieuwe ponden uit de gemeintErp- de geburen, 3 oude ponden en 3 nieuwe ponden voor hun gemeintVeghel- de geburen, 7 nieuwe ponden voor hun gemeint- de geburen, 5 nieuwe ponden voor de weerschapSchijndel- de geburen, voor hun gemeint, 5 nieuwe pondenMiddelrode- de geburen van Berlicum, 46 oude schellingen + 8 oude penningen.Helmond- de geburen van Helmond, 40 (veronderstel: nieuwe) schellingen voor de gemeint.De vrijheidservenVoor Sint-Oedenrode schatten we het aantal vrijheidserven op 25 dat is 1 bunder, en een bedrag van 450 oude penningen.Voor Helmond veronderstellen we hetzelfde aantal.

4.5.5 Het oppervlak uitgegeven grond in 1340

De norm was: een bunder voor 12 nieuwe penningen, 4 hoenderen, 16 zwarte penningen, of 16 penningen payment. De norm in oude penningen was 12 oude penningen (voor omstreeks 1250), en 9 oude penningen per bunder (na omstreeks 1250). Het is voor de cijnsposten in oude penningen onmogelijk te bepalen welke norm gehanteerd is. Omdat 25 % van de vermeldingen van een norm in oude penningen 9 oude penningen per bunder geeft, en 75 % 12 oude penningen, wordt verondersteld dat van alle grondcijnzen in oude penningen 25 % gerekend is tegen 9 en 75 % tegen 12 oude penningen per bunder. Rekenkundig komt dat neer op een norm van 11,25 oude penningen per bunder.

Cijnsgoed in 1314 naar de heer van Helmond

  oppervlakte cijnsgoed van Helmond in 1314 (bunders)

 

cijnsdorpen oude penning nieuwe penning totaal
Son

115,0

158,1

273,1

Stiphout

20,1

46,7

66,8

Lieshout

80,2

-

80,2

Aarle

331,0

37,2

368,2

Bakel

93,2

107,0

200,2

Deurne

65,6

-

65,6

Vlierden

86,7

18,6

105,3

Someren

76,6

50,4

127,0

Lierop

98,5

-

98,5

Rode Rem.+Dion.

108,0

391,3

499,3

vrijheid Rode

1,0

-

1,0

Liempde

20,1

189,5

209,6

Nuenen

129,5

86,0

215,5

Tongelre

39,3

79,4

118,7

Erp

84,6

90,2

174,8

Veghel

136,4

127,0

263,4

Schijndel

148,9

364,4

513,3

Middelrode

300,1

-

300,1

Helmond

194,5

156,8

351,3

vrijheid Helmond

1,0

-

1,0

TOTAAL

2.130,3

1.902,6

4.032,9

Tabel 9, overzicht van het oppervlakte cijnsgoed van de heer van Helmond in 1314.

Appendix VIII geeft een overzicht van het benaderde uitgegeven oppervlak aan cijnsgoed in de Meierij dat in 1340 in bezit was van de hertog. In het cijnsboek van Den Bosch vinden we naast veel recognitiecijnzen alleen cijnzen van huiserven binnen de stad, buiten de stad gelegen goederen werden in het cijnsboek van den Dungen of Orthen Sint-Maarten geadministreerd. In de tabellen hieronder is een samenvatting gegeven.

PEELLAND

Cijnsgoed in bunders

cijnsgoed in 1314 naar Helmond cijnsgoed in 1340 van de hertog totaal cijnsgoed in 1340 1340-1351

(bijschriften)

Son

273,1

54,9

328,0

-

Stiphout

66,8

5,1

71,9

-

Lieshout

80,2

12,5

92,7

0,3

Aarle

368,2

36,9

405,1

1,7

Bakel

200,2

39,2

239,4

2,3

Deurne

65,6

257,3

322,9

4,8

Vlierden

105,3

5,0

110,3

-

Someren

127,0

24,0

151,0

0,4

Lierop

98,5

38,0

136,5

-

Rode Rem.+Dion.

500,3

122,3

622,6

-

Liempde

209,6

12,4

222,0

-

Nuenen

215,5

13,6

229,1

-

Tongelre

118,7

55,8

174,5

-

Erp

174,8

-

174,8

-

Veghel

263,4

11,4

274,8

0,1

Schijndel

513,3

7,2

520,5

-

Middelrode

300,1

705,2

1.005,3

2,2

Helmond

352,3

26,5

378,8

-

TOTAAL

4.032,9

1.427,3

5.460,2

11,8

Tabel 10 Cijnsgoed van de hertog in 1340 en nieuwe uitgften 1340-1351 in het kwartier Peelland

MAASLAND

(Cijnsgoed in bunders)

Totaal vóór 1340

 

1340-1351

(bijschriften)

Oss

85,2

5,0

Nistelrode

68,2

33,6

Heesch

143,2

0,0

Heze (Rosmalen)

267,7

0,0

Berlicum (Middelrode)

zie Peelland

zie Peelland

TOTAAL

564,3

38,6

Tabel 11 Cijnsgoed van de hertog in 1340 en nieuwe uitgften 1340-1351 in het kwartier Maasland

KEMPENLAND

(Cijnsgoed in bunders)

Totaal vóór 1340

 

1340-1351

(bijschriften)

Oirschot (vig. Maria g.)

43,1

0,0

Stratum

127,0

2,6

Strijp

91,2

0,0

Oerle

269,5

0,0

Eersel

1.094,0

6,0

Lommel

184,4

0,0

Mierde

197,7

0,0

Beers

274,2

1,8

Vessem

94,8

0,0

Wintelre

202,2

0,0

Oirschot (Hubertus)

847,9

17,3

Oirschot (Gunterslaer)

116,5

0,7

Eindhoven

53,9

0,2

TOTAAL

3.596,4

28,6

Tabel 12 Cijnsgoed van de hertog in 1340 en nieuwe uitgften 1340-1351 in het kwartier Kempenland

OISTERWIJK

(Cijnsgoed in bunders)

Totaal vóór 1340

 

1340-1351

(bijschriften)

Vught

285,2

4,0

Esch

77,9

0,0

Sint-Michielsgestel

476,6

3,8

Hilvarenbeek

392,4

10,4

Helvoirt

1.152,6

3,6

Oisterwijk

1.555,6

33,8

Tilburg

813,5

29,3

TOTAAL

4.753,8

84,9

Tabel 13 Cijnsgoed van de hertog in 1340 en nieuwe uitgften 1340-1351 in het kwartier Oisterwijk


VRIJDOM VAN

DEN BOSCH

(Cijnsgoed in bunders)

Totaal vóór 1340

 

1340-1351

(bijschriften)

Orthen (Martinus)

380,7

0,0

den Dungen (foraneus)

159,7

0,0

Orthen (2e paasdag)

59,7

0,0

TOTAAL

600,1

0,0

Tabel 14 Cijnsgoed van de hertog in 1340 en nieuwe uitgften 1340-1351 in de Vrijdom van den Bosch, zonder het oppervlak binnen de stadsmuren van Den Bosch

HELE MEIERIJ

(Cijnsgoed in bunders)

Totaal vóór 1340

 

1340-1351

(bijschriften)

Kwartier Peelland

 

1.427,3

11,8

Kwartier Peelland

(in 1314 naar Helmond)

4.032,9

-

Kwartier Maasland

 

564,3

38,6

Kwartier Kempenland

 

3.596,4

28,6

Kwartier Oisterwijk

 

4.753,8

84,9

Vrijdom van en Bosch

(zonder den Bosch)

 

600,1

0,0

TOTAAL

 

14.974,8

163,9

Tabel 15 Cijnsgoed van de hertog in 1340 en nieuwe uitgften 1340-1351 in de Meierij van ‘s-Hertogenbosch

Voor de hele Meierij vinden we tenslotte een totaal van 14.974,8 bunder cijnsgoed, uitgegeven vóór 1340, en 163,9 bunders uitgegeven in de periode 1340-1351. Naar schatting 4.032,9 bunder cijnsgoed had de hertog in 1314 aan de heer van Helmond overgegeven. In 1340 bezat de hertog 10.941,9 bunder cijnsgoed. Dat waren 's hertogs tienduizend bunders.


Naar begin           Naar dorpenlijst