's Hertogs tienduizend bunders

HET CIJNSBOEK VAN DE HERTOG VOOR DE MEIJERIJ
VAN 'S-HERTOGENBOSCH
VAN 1340

Analyse en Bewerking

Martien van Asseldonk

Sri Lanka,
maart 1998

Versie 12 februari 1999 / update 14 april 2008
© Copyright : M. van Asseldonk


Naar begin           Naar dorpenlijst

HOOFDSTUK 1

DE BEWERKING VAN HET CIJNSBOEK

1.1 beschrijving van het cijnsregister

De bewerking werd gedaan aan de hand van fotocopieën gemaakt van een copie van het cijnsboek dat zich bevind in het Algemeen Rijksarchief te 's Hertogenbosch, Collectie Schaduwarchieven, inventaris nummers 17 (fm) en 18 (fm) en 290 (ft). Het cijnsboek is aldaar ook ter inzage op microfilm (nummer toegang 137.01, 1.5). Het originele cijnsregister bevindt zich in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, Archief van de Rekenkamer, inventaris nummer 45038.

Een label op het dekblad vermeldt "Chambre des Comptes 45038". (Rekenkamer 45038)

Ferdinand Smulders verzorgde een index op cijnskringen, waar op mijn copies latere aantekeningen bijgeschreven zijn. Met latere hand genummerd a t/m b. Smulders noemt bij een aantal cijnsdorpen aan de hand van toponiemen verschillende gehuchten die onder die cijnsdorpen zouden horen. Men mag echter alleen concluderen dat de cijnzen van bepaalde percelen in die cijnsdorpen afgedragen werden, en niet dat het hele gehucht onder dat cijnsdorp hoorde.

Hierna volgt een lijst met een vertaling van latijnse persoonsnamen door Ferdinand Smulders. Met latere hand genummerd c t/m e.

Dan volgen de eigenlijke cijnzen. De folio's zijn met het oorspronkelijke handschrift genummerd van 1 tot en met 39. Op de fotocopies is deze nummering herhaald, en zijn ook de 'verso' nummers aangegeven. Vanaf folio 39 is alleen de latere nummering aanwezig. Op fol. 129v staat onderaan een later, maar wel middeleeuws ogend handschrift: "Somt hondert neghen ende twintich beshien blade", waaruit volgt dat er vermoedelijk geen bladen vermist zijn. Het bijschrift dateert vermoedelijk van omstreeks 1340-1341, nadat de cijnzen van Gunterslaer als folio 70-70v tussen de Oirschotse cijnzen gevoegd zijn.

fol. 1 - 2v Oirschot - Vigilie van Maria Geboorte

fol. 2v - 6v Vught

fol. 6v - 7v Es

fol. 8 - 10 Son

fol. 10v - 11 Stiphout

fol. 11 - 11v Lieshout

fol. 11v - 13v Aarle

fol. 14 - 15v Bakel

fol. 16 - 19v Deurne

fol. 19v - 20 Vlierden

fol. 20 - 21 Someren

fol. 22 - 23 Lierop

fol. 23 - 23v Sint-Oedenrode - Remigius

fol. 23v - 24 Liempde

fol. 24v - 25v Sint-Oedenrode - Dionisius

fol. 25v - 26 Nuenen

fol. 26 - 27 Tongelre

fol. 27v Erp

fol. 27v - 28 Veghel

fol. 28v - 29 Schijndel

fol. 29v - 31 Middelrode

fol. 31v - 33v St. Michielsgestel

fol. 34 - 36 Stratum

fol. 36 - 38 Strijp

fol. 38 - 41v Oerle

fol. 41v - 52 Eersel

fol. 52v - 56 Lommel

fol. 56 - 59v Mierde

fol. 59v - 62 Beers

fol. 62v - 63v Vessem

fol. 64 - 65 Winterle

fol. 65v - 72v Oirschot - Hubertus (behalve fol. 70 - 70v)

fol. 70 - 70v Gunterslaer

fol. 73 - 74 Oss

fol. 75 - 76v Nistelrode

fol. 76v - 78 Heesch

fol. 78v - 83v Orthen - Martinus

fol. 83v - 86 Helmond

fol. 86 - 90v Eindhoven

folio 91 tot en met folio 96v bevat een afrekening van rentmeester Tielman.

fol 91 enkele losse aantekeningen

fol. 91v-95 de inkomsten

fol. 95-96 de uitgaven

fol. 96v enkele losse aantekeningen.

Hierna volgen de cijnsdorpen:

fol. 97 - 102v Hilvarenbeek

fol. 103 - 108v Helvoirt

fol. 109 - 116v Oisterwijk

fol. 117 - 122v Tilburg

fol. 123 - 125 den Dungen

fol. 125v - 128 Heze (= Rosmalen)

fol. 128 - 129v Orthen - tweede paasdag

Tenslotte volgen op folio's 130 tot en met 132v nog losse aantekeningen betreffende de inning van cijnzen.

1.2 de bewerking van het cijnsregister

De klerken gingen als volgt te werk: Als een cijnsbedrag, of de hele cijnspost doorgestreept is, is die cijns op een andere plaats ingeschreven. Als het bedrag niet doorgestreept is, maar alleen de naam van de cijnsbetaler, dan werd de naam van de nieuwe cijnsbetaler bij dezelfde cijnspost ingeschreven. Het criterium is dus of het cijnsbedrag al dan niet doorgestreept is.

Ondanks de doorhalingen zijn de cijnsbedragen bijna altijd nog wel leesbaar. Behalve doorhalingen werden soms ook bedragen en cijnsposten weggeradeerd. Die informatie is verloren, en als gevolg zijn er vaak bijgeschreven cijnsposten die niet aan een doorgestreepte cijns te relateren zijn. Deze cijnsposten zijn in deze bewerking genummerd met de letters van het alfabet a, b, enz. Soms is een weggeradeerde tekst nog (deels) leesbaar, bijvoorbeeld op folio 39, cijnsdorp Oerle, cijns nr. 71.

Daarnaast werden er ook nieuwe uitgiften bijgeschreven. Deze hebben Romeinse nummers gekregen: I, II, enz. Het bleek bijzonder moeilijk om een onderscheid te maken tussen deze nieuwe uitgiften, en de bijschrijvingen waarvan de oorspronkelijke tekst weggeradeerd was. Enkele vuistregels die ik hanteerde waren:

bijschriften werden tot nieuwe uitgiften gerekend als:

het volgens het handschrift een serie tegelijk ingeschreven teksten zijn (Bakel geeft een mooi voorbeeld)

de cijns betaald werd in penningen payment zijn, omdat die nog niet voorkomen bij de cijnzen die de heer van Helmond in 1314 van de hertog kreeg

het bijschrijvingen zijn waarin de ligging van het cijnsgoed uitvoerig beschreven wordt

bijschriften werden niet tot nieuwe uitgiften gerekend als:

een bijschrift een vorige cijnsbetaler noemt

een bijschrift een samengesteld bedrag heeft, bijvoorbeeld te betalen in oude en

nieuwe penningen

als een bijgeschreven cijns in oude penningen betaald werd, was dat een overweging om die cijns niet als een nieuwe uitgifte te beschouwen.

In principe werd er naar gestreefd om alle cijnsdorpen helemaal op te lossen, dus om alle doorhalingen aan bijschriften te relateren. Bij de meeste cijnzen gaf dat een zekere oplossing, omdat de naam van de volgende cijnsbetaler soms bij de doorgestreepte cijns staat, het bedrag overeenkomt, en/of in het bijschrift aan de doorgestreepte cijns gerefereerd wordt. In enkele gevallen was de reconstructie minder zeker. Bij deze cijnzen wordt steeds vermeld dat er een voorbehoud geldt. In totaal werd 115 keer een voorbehoud gemaakt, dat is in 10 % van de gevallen, voor 90 % van de gelegde verbanden werd het niet nodig geacht een voorbehoud te maken.

In het cijnsregister wordt met het volgende rekensysteem gewerkt.

lib. = libra = pond 1 pond = 20 schellingen

s. = solidius = schelling 1 schelling = 12 penningen

d. = denarius = penning 1 penning = 2 obolen

ob. = obolus = obool, of mijt 1 obool = 2 oort

ort = ortus = oort

In de bewerking van het cijnsregister zijn de inschrijvingen in het Nederlands vertaald. Veel latijnse namen en termen zijn tussen haakjes ook weergegeven. Afkortingen zijn meestal opgelost: Ar. = Arnoldus, Th. = Theodoricus etc. Een naamval uitgang -o werd in de regel vervangen door -en, bijvoorbeeld Ghibo wordt Ghiben etc.

1.3 de betaal-aantekeningen in de marge

Elk jaar dat een cijns betaald werd tekende de rentmeester dat bij de betreffende cijnsposten aan met een tekentje in de marge. Hieruit blijkt dat het cijnsregister twaalf jaar in gebruik is geweest. In de volgende paragraaf zullen we aantonen dat vermoedelijk de periode was van 1340 tot en met 1351. Als er een tekentje staat veronderstel ik dat de cijns in 1340 betaald is, twee tekentjes in 1340 en 1341 enz. Ook de gebruikte jaarstijl is van belang.

De volgorde van de aantekeningen was als volgt:

1340              
1341               +
1342             +
1343             Ø +
1344           Ø +
1345           + Ø +
1346         O + Ø +
1347       O + Ø +
1348       + O + Ø +
1349     O + O + Ø +
1350   | O + O + Ø +
1351 f | O + O + Ø +

Enkele cijnsdorpen geven aanvullende tekentjes. Wat deze aanvullende tekentjes betekenen is onduidelijk.

- Oirschot - Vigilie van Maria geboorte: dubbele puntjes rechts

- Rode Dionysus, een + tekentje achter de namen van de meeste cijnsbetalers

- Veghel, links nog een 'a' tekentje.

- Helmond, links nog twee tekentjes, '-' en 'd', en rechts tussen '+' en 'Ø' nog een '+' .

- Heze (Rosmalen), hier is het rondje van de 'Ø' vervangen door een verticaal streepje.

Als het bedrag van een cijnsgoed doorgestreept werd, werd het bedrag (soms in verdeelde vorm) elders bijgeschreven. Bij zo'n bijschrift werden altijd alle eerdere betaaltekentjes overgenomen. Een mooie illustratie is te zien op folio 33v, (Theodoricus, zoon van Hadewigis etc.) waar de rentmeester zelfs teveel streepjes en rondjes zet.

1.4 de datering van het cijnsregister

De aanhef bij het eerste cijnsdorp op folio 1 zegt:

"cijnzen van de heer hertog ...ontvangen in het jaar des heren 1340..."

Dit gegeven krijgt steun van enkele andere vermeldingen. Zo komt op fol. 70v, onder de cijnzen van Gunterslaer als cijnsbetaler voor: 70v: heer Willelmus van den Bossche, ridder. Uit de betaaltekentjes blijkt dat de cijns slechts in der periode 1340 t/m 1343 betaald is. Uit andere bronnen is bekend dat Willem van den Bossche in 1344 overleden is.

Op fol. 52 staat bovenaan een bijschrift: "Petrus Lodder, uit het deel van de geburen van Eyke, van Boyfaes Waer, 10 schellingen, voor het eerste jaar in 1343." Het eerste betaaltekentje in de marge is inderdaad het rondje van 1343.

Verder blijken bij 106 cijnzen de betalingen op te houden in 1350, terwijl er de aantekening 'Mortis', of 'M' bij staat. Mogelijk hebben we hier te maken met de slachtoffers van de pestepidemie, die in 1349 woedde.

Op fol. 90v staat het bijschrift: "Dit sijn de Wleesbanc in Endoven in anno 1339." Waarna een aantal namen volgen van personen die een deel van de cijns van de vleesbank betaalden. Het handschrift is van het type gebruikt voor bijschrijvingen in de periode 1340-1341. Vermoedelijk zijn de namen bij de eerste aanleg van het register vergeten, en later overgenomen uit het vorige register dat in 1339 eindigde.

Op fol. 96v staat een losse aantekening: Totaal Philippus van Hersel van resterende onbetaalde cijnzen in de Kempen (in Campinia), in het jaar (13)48 in totaal .... (volgt bedrag). Dit betreft het mogelijk een schuld van enkele jaren terug.

De conclusie is dat het cijnsregister is gebruikt voor de betalingen van cijnzen vanaf 1340. Uit het eenduidige en nette afschrift dat bovendien afwijkt van het handschrift van de klerk die in 1340 en 1341 en misschien ook in 1342 de bijschriften deed, volgt dat het register niet is opgemaakt tijdens de rondrit, maar vooraf. Dat moet gebeurd zijn nadat de cijnsheffing die liep september 1339 tot april 1340 (volgens de oude jaarstijl april 1339) afgerond was, en voordat de cijnsheffing in september 1340 weer begon. De inkomsten en uitgaven van Tielman zijn in hetzelfde handschrift en moeten dan ook de inkomsten en uitgaven van de voorgaande periode (september 1339 tot april 1340) betreffen. Bij de inkomsten van rentmeester Tielman staat op fol. 92 een doorgestreepte en verdeelde cijns van 7 pond, die bijgeschreven is op fol. 91. in het handschrift waarmee de bijschrijvingen in de jaren 1340-1341 zijn geschreven.

1.5 de overschrijvingen

In het cijnsboek worden voor verschillende jaren de volgende aantallen cijnsposten doorgestreept en overgeschreven naar een volgende cijnsbetaler.

geen betaaltekentjes 239
betaaltekentjes tot en met 1340 125
betaaltekentjes tot en met 1341 96
betaaltekentjes tot en met 1342 54
betaaltekentjes tot en met 1343 57
betaaltekentjes tot en met 1344 29
betaaltekentjes tot en met 1345 91
betaaltekentjes tot en met 1346 67
betaaltekentjes tot en met 1347 78
betaaltekentjes tot en met 1348 63
betaaltekentjes tot en met 1349 34
betaaltekentjes tot en met 1350 109
betaaltekentjes tot en met 1351 69
Totaal 1.111

Het totaal aantal van 6.656 cijnzen werd in de loop van 12 jaar 1.111 keer overgeschreven naar een andere plaats in het cijnsboek (16.7 %). Dit zijn niet alle wisselingen van cijnsbetalers, omdat vaak ook de volgende cijnsbetaler bij dezelfde cijns bijgeschreven wordt.

Voor het totaal aantal wisselingen van eigenaars zijn enkele steekproeven genomen:

Oirschot (vig. Maria Geb.) 20 keer op 55 cijnzen 36,4 %

Vught 51 keer op 175 cijnzen 29,1 %

Stratum 50 keer op 152 cijnzen 32,9 %

Oss 18 keer op 45 cijnzen 40,0 %

Heze (Rosmalen) 60 keer op 175 cijnzen 34,3 %

----------------------------------------

Totaal steekproef 199 keer op 602 cijnzen 33,1 %

Soms wisselden cijnzen twee keer van eigenaar. Omgerekend naar het totaal waren er in 12 jaar tijd 2.203 verwisselingen van eigenaar (33,1 %), waarvan bij ongeveer de helft (50,4 %) de cijns de bedragen/cijnzen doorgestreept en opnieuw ingeschreven werden, en bij de rest de naam van de nieuwe cijnsbetaler bij dezelfde cijnspost ingeschreven werd zonder dat het bedrag doorgestreept werd.

Er zijn opvallend veel doorgestreepte cijnsposten zonder een betaaltekentje in de marge. Uit de datering van het handschrift van de bijschriften blijkt dat de rentmeester regelmatig de betaaltekentjes wegradeerde. Maar ook dat zeker driekwart inderdaad cijnzen zijn die al in het eerste jaar naar een andere cijnsbetaler gingen. Bij die cijnsposten is het handschrift van de bijbehorende bijschriften identiek aan dat van de bijschrijvingen van de doorgestreepte cijnzen met een of twee betaaltekentjes in de marge. Mogelijk zijn daarom de oorspronkelijk ingeschreven namen in het cijnsregister enkele jaren ouder dan 1340.

Van de cijnsposten met betaaltekentjes tot en met 1344 en tot en met 1349 zijn er erg weinig overschrijvingen geweest. De fluctuaties over de jaren heen zijn groter als bij een zo groot pakket cijnzen verwacht mag worden. Kennelijk speelden ook andere factoren een rol. Men kan dan denken aan verschil in mentaliteit van verschillende klerken. Uit de verschillende handschriften van de bijschriften blijkt dat er verschillende mensen verantwoordelijk zijn geweest voor de inningen.

Tielman vermeldt bij de uitgaven :

Voor de kleding van de ontvanger in den Bosch, 8 ponden

Voor de uitgaven van de klerk met bediende en paard die de genoemde cijnzen van de heer hertog in alle dorpen inzamelde, van het feest van de Sint- Remigius, aan een stuk door tot aan het feest van Kerstmis en daarna gedurende een jaar met de betaaldagen, 24 pond. Voor de kleding van die klerk, 6 pond

Uit een voorlopige analyse van de handschriften van de bijschriften blijkt dat in 1340 en 1341 eenzelfde klerk in alle cijnsdorpen de cijnzen inde. De handschriften uit latere jaren zijn minder eenduidig. Er zijn een tiental verschillende typen handschriften te onderscheiden, en in sommige jaren lijken verschillende klerken verschillende delen van de cijnzen geïnd te hebben.

1.6 overboekingen van het ene cijnsdorp naar het andere

In veel cijnsdorpen werden cijnzen betaald voor goederen die elders gelegen waren. Mijn inziens komt dat doordat de betreffende cijnsbetaler ook voor elders gelegen goed in het eigen cijnsdorp betaalde. Dit is een aspect van een maatschappij die voor pakweg 1300 als geheel meer rondom mensen en minder rondom zaken georganiseerd was. Dit verklaart ook waarom in het cijnsboek van 1340 een aantal cijnzen van het ene naar het andere cijnsdorp verhuisden.

Een doorgestreepte cijns in het cijnsdorp Eersel, op fol. 45, (cijns nr. 69) betaald door Henricus Kemerlinc heeft als bijschrift: betaald in Oerle. Inderdaad is deze cijns bijgeschreven onder Oerle op fol. 39v.

Oisterwijk, cijns nr. 300 verhuist naar Tilburg. Tilburg, cijns nr. 185, wordt bijgeschreven in twee delen onder Oisterwijk. Tilburg cijnzen nrs. 95, h, 96 en 97 worden bijgeschreven onder Oisterwijk. Helvoirt, cijns nr. 114 verhuist deels naar Tilburg. Helvoirt cijns nr. 105 verhuist onder voorbehoud naar Oisterwijk.

Bij een bijschrift op fol 30v van een cijns betaald in oude penningen, in het cijnsdorp Middelrode, wordt vermeld dat deze cijns eerder in Ghestel betaald werd. Het is niet duidelijk van welke cijns in Ghestel dit bijschrift afkomstig is, maar toch zal deze cijns wel uit Ghestel afkomstig zijn, want in Middelrode komen verder geen cijnzen betaald in oude penningen voor. Deze cijns is als laatste cijns onder Ghestel opgenomen (nr. h).

1.7 enkele latijnse termen

Veel latijnse termen komen voornamelijk als afkortingen voor. Enkele voorbeelden zijn:

he-des = heredes = erfgenamen

heredit. = hereditarium = erfgoed

M. = mortis = overleden

h-t. = habet = heeft het

d-z. sepe = debet sepe = schuld kwijtgescholden

resig. = resignavit = teruggegeven

restat. = restatus = teruggegeven

relev. = relevarit = gewonnen

bon. = bonis = goed

bonnar. = bonnarium = bunder

verder:

- statera = waag

- nemore = bos

- scamnis carnificum = vleesbank

- assisia = accijnzen

- precone = vorsterij

- forestarius = vorster

- nundius = markttol

- domo pannoris = gewandhuis

- maheria = gruit

- brasius = mout

Een lastig probleem is de aanduiding van de cijnzen van den Dungen als de foraneus cijnzen van den Bosch. Foraneus zal hier betekenen, 'van buiten de stad'.

Melssen vermeldt dat in Eindhoven achter verschillende posten staat dicit quia scabinus, oftewel "hij zegt dat hij schepen is". En dat dit kan betekenen dat hij in dat jaar vrijspraak pretendeert van de cijns als lid van de bank.

De betreffende vermeldingen zijn:

fol. 86, Aleydis Willelmi Vinitatoris, 11 1/2 oude penningen. Scab.

alle jaren betaald.

fol. 87 Didden genaamd Stockelmans, 30 penningen van het huis van zijn vader. debet q-z. cab. De cijns is 1340 t/m 1344 niet betaald.

fol. 87 Everardus Smit, van zijn huis, 18 penningen debet q-a. scab. Niet betaald in 1342

fol. 87v: Giben van den Winde, 5 nieuwe penningen, 16 oude penningen, 1 hoen scab. Niet betaald in 1351

fol. 88: Henricus genaamd Kyst, van het huis van Copkinus Babel, 18 penningen scab. debet Niet betaald in 1343, 1344, 1351

fol. 89, Katherina Beghina van Diest, van het huis van Joannes Vos, 18 penningen

debet scab. Niet betaald in 1345, 1351

fol. 89: Ludovicus Sartor, in qua domo manet, 33 oude penningen scab.

Niet betaald in 12340 t/m 1343, en 1345

fol. 89v: Meeus, zoon van Stockelmans, 12 oude penningen en 1 zwarte penning, scab. niet betaald in 1347, 1349 t/m 1351

fol. 90, Selen, zoon van Heilwigis, 18 oude penningen scab.

Alle jaren betaald

Scab. zal inderdaad staan voor 'schepenen'. Melssen heeft het d-t gelezen als dicit, maar in dit cijnsregister staat het steeds voor debet, ofwel schuld. Dat het schepenen betreft is onwaarschijnlijk, omdat twee van hen een vrouw zijn, en ook blijkt dat er geen vrijstelling van betaling was. Enkelen betaalden elk jaar.

Wat het bijschrift dan wel betekent, is onduidelijk.

1.8 mortis

Zie opmerking onderaan deze paragraaf!

Bij een aantal cijnsdorpen komen cijnsposten voor waarbij met dezelfde hand een M teken geschreven staat. Op folio 3v staat het woord volledig Mortis, ofwel overleden. Dat rijmt met het gegeven dat bij 94 % van deze cijnsposten de betaling op een gegeven moment ophoudt. De tekens komen alleen op fol. 1 tot en met 65 voor, en hierna niet meer. Hieronder volgen het aantal cijnsposten waar de aantekening Mortis bijgeschreven staat, en het percentage dat die cijnsposten zijn van het totaal aantal cijnzen in de betreffende cijnsdorpen.

cijnsdata cijnzen met Mortis % van totaal

Oirscot 7 september 0 0 %
Vught 17 september 17 9,7 %
Esch 24 september 2 4,6 %
St. Michielsgestel 29 september 16 12,0 %
Rode-Remigius 1 oktober 6 31,6 %
Liempde 2 oktober 1 2,8 %
Son 2 oktober 4 4,9 %
Stiphout 3 oktober 0 0 %
Lieshout 3 oktober 0 0 %
Aarle 3 oktober 11 18,0 %
Bakel 4 oktober 0 0 %
Dorne 4 oktober 0 0 %
Vlierden 5 oktober 1 7,1 %
Zomeren 5 oktober 2 2,9 %
Lierop 5 oktober 0 0 %
Nuenen 6 oktober 2 13,3 %
Tongelre 6 oktober 6 8,1 %
Erp 7 oktober 0 0 %
Veghel 7 oktober 1 3,5 %
Schijndel 8 oktober 1 3,9 %
Middelrode 8 oktober 23 15,7 %
Rode-Dionisius 9 oktober 28 56,0 %
Stratum maandags na St. Denijs 8 4,9 %
Strijp maandags na St. Denijs 1 0,9 %
Oerle dinsdags na St. Denijs 21 7,6 %
Eersel/Bergeijk woensdags na St. Denijs 15 2,0 %
Lommel zaterdags na St. Denijs 5 2,5 %
Mierde 2e dinsdag na St. Denijs 8 3,7 %
Beers 2e maandag na St. Denijs 9 6,0 %
Vessem zondags na St. Denijs 0 0 %
Winterle 2e maandag na St. Denijs 1 1,8 %
Totaal 189

Het laatste jaar waarin bij de Mortis cijnsposten nog betaald werd is hieronder weergegeven:

1343 1
1344 6
1345 4
1346 4
1347 12
1348 11
1349 33
1350 106
1351 12
Totaal 189

Op fol. 24v (Rode Dionisius) ging de rentmeester de fout in. Hij begon op die folio de Mortis tekentjes te zetten bij de cijnsbetalers die in 1351 wel betaalden in plaats van niet. Deze bijschrijvingen zijn hierna deels weggeveegd, terwijl de inkt nog nat was. Voor Rode Dionysus hebben we voor het aantal Mortis cijnsposten die cijnsposten genomen, waarvan de betaling in 1348, 1349, of 1350 stopte.

De tekentjes zijn zozeer hetzelfde dat ze in hetzelfde jaar ingeschreven zijn, en waarschijnlijk is dat in 1351. De weggeveegde tekentjes op folio 24v bevestigen dit. Die wijzen er op dat de tekentjes op die folio in een keer ingeschreven werden, en niet telkens als er een cijns betaald of niet betaald werd. De inkt van alle Mortis tekentjes was immers nog nat toen die weggeveegd werden.

Is er een opgave geweest van doden van de pestepidemie van 1349, en zijn die getroffenen (voor een jaar of langer) vrijgesteld van betaling van de cijnzen en is dit in een keer in het cijnsboek aangetekend?

Opmerking:
Het bovenstaande is de oorspronkelijke interpretatie door Martien van Asseldonk. Na enige discussies werd duidelijk dat de "M" anders begrepen moet worden. Cijnspercelen gaan niet dood en de cijnsbetaling (hoe sterk het menselijk component ook was) betrof niet personen maar percelen. In zijn artikel "Census domini ducis. De cijnzen van de hertog van Brabant in de Meierij van 's-Hertogenbosch." in het Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999) 33 - 95 stelt Van Asseldonk op blz 44 dat de "M" staat voor "memorie", een herinnering dat er een jaar niet betaald was en dat de rentmeester daar op moest letten. Zie aldaar voor de verdere interpretatie van het fenomeen: verslechterende economische situatie.


Naar begin           Naar dorpenlijst

update 14 april 2008