NAAR ROME, FIETSTOCHT
DOOR 10 LANDEN.
 
DEEL 4   PARRANO - ROME.

Maandag 30 juni 1997

Parrano - Bagnorégio

Afstand		:   2039 km
Dagtrip		:     49 km
Tijd			:   4.11 uur
Gem. snelheid	:   11,8 km/u
Max. snelheid	:   41,7 km/u

Il Colombaio - de duif - we hadden het niet beter kunnen treffen. Eerste
klas accommodatie, vriendelijke mensen, vanmorgen een lekker ontbijt met
warme broodjes en een prijs om van te schrikken, zo goedkoop. Dat hebben we
vast aan een flink stuk EU-subsidie te danken. Een hotelgast, die ook al aan
het ontbijt zit, is razend nieuwsgierig naar onze route, het boekje van Paul
Benjaminse en wat niet al. Hij heeft een baan in Rome, aan de universiteit
schat ik in, en een tweede huis in Parrano. Als we vertellen, dat we van
plan zijn een camping in Bracciano te zoeken en dan met de trein naar Rome,
weet hij te vertellen dat dat de langzaamste trein van Italië is. Anderhalf
uur van Bracciano naar Rome, je kunt nog sneller fietsen!

Het is heerlijk fris zomerweer als we op de fiets stappen. We moeten nu de
route door de vlakte verlaten. Van oudsher loopt de enige geasfalteerde weg
naar Orvieto, de oude Strada Statale 71, waar vroeger een groot deel van het
verkeer tussen Rome en Florence over reed, over een heuvelkam langs Ficulle.
De klim naar Ficulle valt best mee en van de top een eindje verder van 576
meter hoogte hebben we een prachtig uitzicht. Dan volgt een schitterende
afdaling naar Orvieto. Het oude kasteel van Sala zien we niet maar wel een
"kasteeltje" uit de negentiger jaren. Orvieto ligt op een hoog plateau van
tufsteen met steile wanden hoog boven het dal. Geen wonder dat de Etrusken
deze plek uitzochten voor een religieuze nederzetting; dicht bij de goden en
onneembaar voor mogelijke vijanden.

Het is een behoorlijk zware klim vanuit het dal naar de hoogvlakte waarop
onze eindbestemming voor vandaag, Bagnorégio ligt. Voor we een hotelletje
zoeken fietsen we eerst even door naar het eind van het dorp. Bagnorégio ligt
op een uitloper van tufsteen die vroeger veel verder uitstak naar het oosten. 
Op de punt van die "landtong" lag vroeger het stadje Civita maar door een 
aardbeving werd een deel van de "landtong" weggeslagen. Sindsdien ligt Civita 
als een verloren dorp eenzaam op een hoge heuvel boven het omringende landschap. 
Het is alleen over een loopbrug te bereiken, als was het een eiland.
In ristorante-albergo Al Boschetto vinden we een geschikte kamer en "opa"
vindt het best interessant, dat we helemaal uit Holland zijn komen fietsen.
Hij begrijpt meteen dat onze eerste zorg een geschikt plekje voor onze
fietsen is. De deur van het souterrain wordt open gemaakt, daar kunnen onze
fietsen prima staan. Hij troont ons meteen mee naar de ruimte ernaast waar
grote vaten met wijn liggen en grote containers met vino rosso en vino bianco
Eerst onder de douche en dan op het terras wat schrijven en wat lezen. Opa
wil ons meteen maar aan de wijn hebben maar we kunnen hem duidelijk maken
dat we maar een klein beetje willen. We hebben meer behoefte aan water, dus
krijgen we er een aqua della casa (uit de kraan) bij. Hij komt er gezellig
bijzitten want hij wil alles weten over onze tocht. Jammer dat ons Italiaans
nog niet echt vloeiend is maar zo nu en dan het boekje erbij dan lukt het
aardig.

Dinsdag 1 juli 1997 Bagnorégio - Ronciglione Afstand : 2112 km Dagtrip : 73 km Tijd : 6.07 uur Gem. snelheid : 11,9 km/u Max. snelheid : 43,7 km/u Na het gebruikelijke ontbijt van niks weer op stap gegaan. Eerst een stuk omhoog weer naar de hoogvlakte. In de verte tekenen de contouren van de Monte Cimino zich af. De Monte Cimino is de scherpst afgetekende vulkaan in de omgeving. Vlak voor het spoor slaan wij links af en dalen over een comfortabele weg naar Grotte San Stefano. Dat schiet lekker op. Maar dan komt een heel stuk dalen en klimmen en dat schiet níet op. Als we het dal van de Vezza zijn uitgeklommen worden we beloond met een prachtig uitzicht op Vitorchiano, gebouwd tot op de rand van tufstenen rotsen. Het is een middeleeuws dorp met sfeervolle straatjes. Bij ons zou het al lang in het programma van de tour-operator opgenomen zijn met busladingen toeristen. Dat is hier gelukkig nog niet het geval. Afwisselend stijgend en dalend fietsen we met een wijde boog om de Monte Cimino. De route gaat hier door uitgestrekte boomgaarden met hazelnootbomen. Vignanello is een langgerekt sfeervol dorp, maar met een gemene klim tot onder de hoofdpoort door. Voorbij Vignanello volgt een mooi en rustig weggetje naar Carbognano. Typerend zijn hier de bergruimten uitgehakt in de bergwand. In Caprarola slaan we rechts af en zien aan het eind van de steil oplopende hoofdstraat het Palazzo Farnese boven het stadje uittorenen. Hier merkt men hoe sterk de invloed van de Pauselijke Staat is geweest op de wereldlijke omgeving. Uiterlijke pracht en praal kenmerkten de status van de Romeinse kardinalen, die zich meer met wereldlijke zaken inlieten dan met spirituele. In onze reisgids lazen we dat de grondslag van het landgoed van Villa Farnese werd gelegd door Giulia Farnese Orsini, de favoriete minnares van de toenmalige paus Alexander VI. Onder haar invloed werd haar broer Alessandro tot kardi-naal benoemd. Later werd deze Alessandro paus Paulus III en benoemde op zijn beurt zijn veertienjarige kleinzoon Alessandro II tot kardinaal. Het was deze kardinaal Alessandro II Farnese die de architect Vignola opdracht heeft gegeven tot de bouw van Villa Farnese. De bouw kostte een vermogen waardoor San Carlo Borromeo, belast met de controle op de uitgaven van de kardinalen in die tijd, bij Alessandro II protesteerde en opperde dat hij het geld beter aan de armen kon geven. Daarop zei Alessandro: "Maar ik geef het ze ook, beetje bij beetje, en ik laat ze ervoor werken ook." Het achter het palazzo gelegen Casino met de daar omheen liggende tuinen is verreweg het mooiste deel van de Villa. Als men een kaartje koopt moet men wel vertellen dat men de tuinen bij het Casino wil bezichtigen, aldus de tekst van ons boekje. Het spreekt vanzelf, dat deze beschrijving onze nieuwsgierigheid had opgewekt Dus als wij een kaartje kopen geven we te kennen dat we ook de "giardino" rond het Casino willen bekijken. Helaas, de tuinen zijn in verband met restauratiewerkzaamheden niet toegankelijk. Dus wij samen met de vrouwelijke gids het palazzo door. Via de Scala Regia van Vignola, een enorme wenteltrap belanden we op de tweede verdieping. De zalen zijn rijk versierd en voorzien van fresco's met scènes uit het leven van Alessandro Farnese. Eén grote zaal bevat schilderingen uit 1576 met alle toen bekende werelddelen. Op de afbeelding van Europa is Frisia stukken groter dan Hollanda. Onze gids vraagt ons even te wachten, ze zal even andere schoenen aantrekken want ze zal ons meenemen naar de tuinen rond het Casino, we zijn zo'n eind komen fietsen. Vanuit de Sala dei Giudizi komen we over een brug over een droge diepe gracht in de wintertuin. Een lang pad tussen de pijnbomen langs de helling voert ons naar het Casino. Hier leidt een rijk versierde opgang met in het midden een reeks schitterende fonteinen naar een prachtig buiten- verblijf waar de kardinaal zijn feesten gaf en waar muziek gemaakt werd. Rond dit rustieke gebouw een schitterend tuincomplex met waar je ook kijkt fonteinen. We citeren ons boekje maar weer: "Hier vindt men een uitgewogen opstelling van dolfijnen langs de trappen, waaruit het water in perfecte symmetrie van boven naar de schelpvorm beneden loopt. Rondom de tuin dragen reusachtige humoristische stenen figuren vazen en manden. Alles grijpt perfect ineen. Denkend aan de feesten die men in dit decor gaf, had ik toen wel kardinaal willen zijn." Zelfs zonder het klaterend water zijn we het hartgrondig met de auteur eens. Onze gids vertelt, dat als Prins Charles in Rome vertoeft, hij altijd in dit Casino slaapt. Onder de indruk van al dat moois en nadat we hartelijk afscheid hebben genomen van onze allervriendelijkste gids beginnen we aan het laatste stuk van 7 kilometer naar Ronciglione. We zijn daar redelijk vlot maar het enige betaalbare hotel uit ons boekje weet niemand te wijzen. We worden de halve stad doorgestuurd en met die steile straten hebben we daar gauw schoon genoeg van. Dan ziet mamma een verwijzing naar "I 2 pini", weer zo'n agriturismo, gelegen op het hoogste punt van de kraterrand hoog boven de stad. De kamer is wat op z'n boerenfluitjes maar we kunnen er ook eten. De gastheer wil ons van alles laten proeven, pasti met champignons in het zuur, rundvlees met aardappelen. Ik krijg ook nog konijnenvlees. Bij de kersentaart krijgen we een glaasje kersen op brandewijn, een straf drankje. Daar kunnen we vast goed op slapen. Woensdag 2 juli 1997 Ronciglione - Bracciano Afstand : 2142 km Dagtrip : 30 km Tijd : 1.59 uur Gem. snelheid : 15,0 km/u Max. snelheid : 53,2 km/u Alles is nog in diepe rust op "Il due pini" als we wegfietsen. De eigenaar was wel wat een praatjesmaker. Als boer vast geen succes maar of het in de "agriturismo" veel beter zal gaan?, ik heb er een hard hoofd in. Het voordeel van veel klimmen naar je overnachtingsadres is dat je 's ochtends d'r mooi vanaf gaat, ook nu weer. De weg daalt mooi af langs Ronciglione en als we in het volgende plaatsje de weg naar Sutri zo gauw niet kunnen vinden, blijken we er al te zijn. Een paar honderd meter voorbij Sutri - we fietsen nu op de Via Cassia, één van de oude heerwegen uit de antieke Romeinse tijd - zien we onverwacht aan onze rechter hand een Romeins amphitheater, volgens ons boekje uit de eerste eeuw. Nog eens een halve kilometer verder fietsen we langs een necropolis, een dodenstad van Etruskisch/Ro-meinse oorsprong. Het is mooi fris weer met een stralend blauwe lucht. Door de afdaling heeft mamma kippevel op de be-nen, ze is blij dat de weg nu weer omhoog gaat. Ze wordt op haar wenken bediend want bij de berg op betekent weer naar hartelust transpireren. Dat betekent weer drinken geblazen. De hellingen van wat ooit een vulkaan is geweest zijn net als de afgelopen dagen begroeid met hazel- nootbomen. Het hogere gedeelte van de vroegere kraterrand is dicht bebost. De bermen zijn weer een voortdurende bron van verwondering. Eén bonte bloemenpracht, als was het een uitstalling van een een bloemenzaak. En als je er langs fietst hoor je constant geritsel van wegschietende meestal fel geel en groen gekleurde hagedissen, die bij hun zonnebad worden gestoord. Een enkele keer zagen we zelfs een slang. Na de verplichte klim volgt een steile afdaling naar het kratermeer, het Lago di Bracciano. In Trevignano Romano tracteren we onszelf op een gebakje, een soort roomhoorn. Aangenaam vlak met een enkele onderbreking als de weg een slinger maakt iets verder van de oever af fietsen we tegen de wijzers van de klok in rond het meer naar Bracciano. De eerste camping biedt een wat merkwaardige aanblik: lange rechte rijen kale caravans met een paar rode-kruis-tenten en een politieauto. Mamma lijkt het niks maar we kunnen allicht even verder kijken. Verderop aan de oever is het een ruime rustige camping met veel schaduw, de voorzieningen zijn voortreffelijk, in de receptie zit een allervriendelijkste mevrouw en je kunt elk uur met de trein naar Rome, in drie kwartier naar stazione San Petri. We besluiten ons tentje hier op te zetten. Donderdag 3 juli 1997 Rome Onze camping blijkt een prima keus. Het gedeelte vooraan bij de weg blijkt door de regering gevorderd te zijn en wordt bevolkt door Albanese vluchte- lingen. Op ons gedeelte merken we daar verder niets van. Het merendeel van de campinggasten bestaat uit Nederlanders, de camping had in de ANWB-kampioen gestaan, vandaar. Met een echtpaar uit de omgeving van Rotterdam kunnen we meerijden naar het station, zo zijn we mooi vroeg in Rome. Het station ligt vlak bij Vaticaanstad, de soevereine staat van de paus. Dit is het tiende land dat we op onze tocht aandoen: Nederland, België, Duitsland Luxemburg, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk, Liechtenstein, Italië en Vaticaanstad! Aan het aantal mensen in kerkelijk gewaad is te zien dat dit het centrum van de katholieke wereld is. We steken het ronde plein voor de Sint-Pieter over en werpen een eerste blik op de machtige basiliek. Het is al warm in de stad, het is zaak in de schaduw te blijven. Gelukkig staat de rij voor het Vaticaan-museum in de schaduw van de vesting- muur rond het Vaticaan. Via een schitterende spiraalvormige opgang komen we in het het museum. We kunnen kiezen uit vier routes, die in tijdsduur variëren, wij besluiten de paarse route van anderhalf uur te nemen. We komen ogen te kort, zo'n pracht, zo'n rijkdom. Het bezoek aan de Sixtijnse kapel is een belevenis. Het is hier zwart van de mensen die in stille bewondering naar het plafond turen. Wachters proberen tevergeefs de fluisterende gonzende massa tot stilte te manen. Wij veroveren een plaatsje op een bank langs de kant en nemen op ons gemak al het moois van Michelangelo in ons op. De kapel is één groot mozaïek van fresco's. Het gewelf is beschilderd met voorstellingen uit het scheppingsverhaal. Centraal de schepping van de mens waarop God Adam los laat. Ik had mij deze schildering altijd veel groter voorgesteld als voorstelling over het hele gewelf en het blijkt nu een afbeelding in een lange serie fresco's. Maar het blijft adembenemend mooi. In 1535 heeft Michelangelo met zijn leerlingen op de westelijke muur een gigantisch "Laatste Oordeel" geschapen. Linksonder verrijzen de doden uit het graf om op te stijgen terwijl rechts de verdoemden naar de hel afdalen. In het midden de oordelende Christus omgeven door een groot gezelschap heiligen. De vele naakte figuren werden op bevel van latere pausen, die in een wat preutsere tijd leefden, van sluiers voorzien maar bij de meest recente restauratie is de helft van de lendendoeken weer verwijderd. Ook zijn de oorspronkelijk vrij felle kleuren weer tevoorschijn gehaald. Dan gaan we de Sint-Pieter bekijken. Wat afmetingen en rijkdom betreft stelt dit godsgebouw alle kathedralen en kerken, die we tot nu toe hebbe bezocht in de schaduw. De eerste basiliek werd in de vierde eeuw in opdracht van keizer Constantijn gebouwd boven het graf van de gekruisigde apostel Petrus. Begin 16e eeuw werd, onder paus Julius II, de huidige basiliek met de enorme koepel (132 meter hoog, ontworpen door Michelangelo) gebouwd. Het enorme plein voor de Sint-Pieter wordt omzoomd door twee cirkelvormige colonnaden bestaande uit een koele zuilengalerij waarop 140 heiligenbeelden staan. Via de voorhal, waar streng op de kleding van de bezoekers wordt toegezien, betreden we het middenschip. De altaren, preekstoelen, beelden, fresco's, mozaïeken, engelen, heiligen, groeven, nissen, koepels, kapellen en biechthokjes (in vele talen maar niet in het Nederlands, ontdekt mamma) wedijveren met elkaar wat decoratieve expressie betreft. Op het kruispunt van middenschip en transept ligt het graf van Petrus. Het licht van de ontelbare olielampjes zorgt hier voor een apart effect. Buitengekomen bezoeken we eerst de kerk van de Friezen vlak bij het uiteinde van de rechter colonnade. Uit het bord op de muur naast de toegangstrappen blijkt dat in de kerk, gewijd aan de heiligen Michaël en Magnus, het Willibrordcentrum is gevestigd. Helaas blijkt het toegangshek gesloten zodat we niet eens een blik op de kerk kunnen werpen. De foto, die ik op goed geluk door de spijlen van het hek maakt, blijkt naderhand inderdaad een beeld van de ingang te geven.