NAAR ROME, FIETSTOCHT
DOOR 10 LANDEN.
DEEL 2 WALDSHUT - SABBIONETA.
Maandag 16 juni 1997
Waldshut - Frauenfeld
Afstand : 1031 km
Dagtrip : 92 km
Tijd : 6.22 uur
Gem. snelheid : 14,5 km/u
Max. snelheid : 50,6 km/u
Vanmorgen stralend weer als ons wekkertje ons wakker maakt. De zon schijnt
al op onze tent. Om half negen fietsen we al weer. Een eindje over de grote
weg en dan fietsen we bij Koblenz Zwitserland weer binnen. Ik ben de tel
kwijt hoevaak we inmiddels een grens zijn gepasserd. Overigens stelt de
grens hier anders dan elders in Europa nog wel wat voor. Overal bewaakt en
de auto's worden steekproefsgewijs gecontroleerd. Zwitserland moet zeer
welvarend zijn, ruime huizen met fraai aangelegde tuinen. En je ziet de
meest luxueuze auto's rijden. Alles in Zwitserland is zo netjes en schoon!
In Koblenz volgen we de SRB-bordjes naar Zurzach. We volgen wat hoger in het
dal de Rijn, stille weggetjes maar soms aardig op en neer. We passeren
prachtig versierde boerderijen. Kaizerstuhl is weer zo'n prachtig stadje met
een stijl aflopende straat door het oude stadscentrum naar de brug over de
Rijn. Voordat we de brug oversteken drinken we koffie in een leuk restaurant.
Na de brug is er weer een stijle klim naar boven om het laatste stukje Duits-
land door te rijden. Als we - we zijn inmiddels weer in Zwitserland terugge-
keerd - rechts langs een steenfabriek willen rijden loopt de weg dood langs
een gigantische steengroeve. Uiteindelijk belanden we in Rüdlingen waar we
na een lange afdaling van het plateau weer in het dal van de Rijn belanden.
De brug over en dan een vlak stuk naar Flaach.
Daar verlaten we de route om de waterval bij Schaffhausen te bezoeken. De 15
kilometer daarnaar toe blijken 15 lange kilometers te zijn maar de omweg is
meer dan de moeite waard. Een fascinerende ervaring dit natuurgeweld waar
elke seconde 415 kubs water de diepte instorten. Weer terug naar de route.
In Andelfingen fietsen we door een antieke overkapte houten brug de Thur
over. Over de brug volgen we meteen het SRB-bordje links af richting Frauen-
feld. Eerst een eindje langs de rivier en dan volgt een pittige klim naar
Dätwil. Voor het grootste gedeelte over kleine Landwirtschaftswegen bereiken
we uiteindelijk Frauenfeld. We hadden besloten hier de jeugdherberg op te
zoeken. Na verscheidene keren vragen - de Jugendherberch "Rüeger-holz" is
niet algemeen bekend - komen we bij ons nachtadres aan. Het ligt wat onop-
vallend weggedoken tussen een grote tennisaccommodatie en een minigolfbaan.
We zijn de enige gasten, dus de hele slaapzaal is voor ons alleen. En in het
restaurantje bij de minigolfbaan hebben ze lekker eten. Mamma kiest lasagna
en mijn kibbelingen smaken prima.
Dinsdag 17 juni 1997
Frauenfeld - Feldkirch
Afstand : 1142 km
Dagtrip : 111 km!
Tijd : 6.48 uur
Gem. snelheid : 16,2 km/u
Max. snelheid : 40,1 km/u
Zo maar klaar, we hoeven geen korvee te doen in de jeugdherberg. Na een kop
thee en wat harde koekjes leveren we ons (ongebruikt) linnengoed weer in. We
zijn mooi vlot Frauenfeld uit, meteen op de goeie route. Voorbij Eschikofen
kiezen we het weggetje langs de Thur. We fietsen over het erf van een
boerderij, die als thuisbasis dient voor het circus Stey. Volgens ons
boekje lopen hier twee herders, die niets doen. In werkelijkheid blijken
het een herder en een boxer te zijn en we zijn maar wat blij dat ze achter
een hek zitten.......
In Schönenberg drinken we koffie in een dorpscafé annex kapperzaak. De
mevrouw met mooie oranje nagels die ons bedient heeft maar één koek, die
we dan maar delen. Een paar dorpstypen nemen al hun eerste neutje. Als je
in het toilet komt waan je je in het Hilton. Bij de bakker kopen we een
bruin brood. "Of we naar Rome gaan", vraagt de bakkersvrouw. Het blijkt,
dat hier regelmatig Hollandse fietsers op weg naar Rome in de winkel komen
met allemaal datzelfde routekaartje voor op de fiets. Voor Bischofszell
steken we via een eeuwenoude smalle stenen brug de Thur over. Het is een
pittige klim naar het overigens fraaie stadscentrum. Onze inspanning wordt
begeleid door beierende kerkklokken, het is elf uur.
Voorbij een prachtig gelegen camping volgen we een klein weggetje langs de
Sitter richting Sitterfähre. Aan het eind van het weggetje is een boerderij
met op het erf een overdekt terras. Van de boerin kopen we een glas thee.
Dan roept ze haar man om ons met de boot over te zetten. We zijn kennelijk
de eersten vandaag die overgezet worden want de boot moet eerst nog met een
plastic emmer leeg gehoosd worden. "Hollandse fietsen zijn het zwaarst",
constateert de vriendelijke veerman als hij mijn fiets met bagage en al in
de roeiboot sjouwt. Aan de overkant gaat het langs een bijzonder mooi
kapelletje tegen de dalwand omhoog rechts af om eerst nog een eind de
bovenrand van het dal te volgen. Dan laten we het dal van de Thur achter
ons en dalen geleidelijk af naar de Bodensee. Het Thurdal was in hoofdzaak
een vruchtbaar landbouwgebied met een grote variatie aan akker- en tuinbouw-
gewassen. Ook fruitbomen komen hier voor. De meeste bedrijven zijn gemengd
met opvallend veel gewassen op in onze ogen kleine percelen. Ook de
veehouderij is vrij kleinschalig. De koeien gaan overigens op den duur
op je zenuwen werken, of liever gezegd niet de koeien maar hun bellen. Een
enkele koe met zo'n grote voortdurende klingende bel is best leuk. Maar de
hele dag hele kudden koeien met allemaal zo'n bel is teveel van het goede.
Het klinkt als een vals carillon.
In de buurt van Winden gaat het plotseling verschrikkelijk hard regenen.
Als we voor de tweede keer schuilen, nu onder het afdak van een kaasmakerij,
werken we meteen onze lunch - dikke hompen bruin brood met jam - maar naar
binnen. Als het weer droog is vervolgen we onze weg. Doordat we voortdurend
dalen zijn we mooi vlot bij de Boden-see. Typisch touristisch en in de
inmiddels weer zachtjes neerkomende regen wat mistroostig. In St. Margareten
kunnen de regenkleren weer uit. We laten de Bodensee achter ons en er volgt
een comfortabel traject door het dal van ...... de Rijn. De bergen komen nu
wel dreigend dichterbij.
In Oberriet bij een bank weer geld gewisseld want we gaan nu Oostenrijk
binnen. Over de brug over de Rijn nog vóór de grenspost slaan we een
grindweg langs de rivier in. Na een paar kilometer komen we dan bij de
woest stromende Ill, die we over een smalle loopbrug oversteken. Een
onverhard pad door het bosrijke natuurgebied langs de Ill brengt ons in
Feldkirchen. Het is even zoeken om hier de jeugdherberg te vinden maar het is
wel de moeite waard. De jeugdherberg is ondergebracht in een 700 jaar oud
gebouw, van binnen helemaal van hout met indrukwekkende spantconstructies.
Men is overigens wel met de Tijd meegegaan want wij krijgen een comfortabele
kamer met twee stapelbedden toegewezen.
We hebben ons nog maar nauwelijks geďnstalleerd of de regen plenst weer uit
de lucht, de zoveelste keer dat aan het eind van de middag een onweersbui
losbarst. Ik moet dravende naar het afdak waar onze fietsen zijn gestald.
De kettingen schoongemaakt, wat olie erop en de bandenspanning gecontroleerd.
De fietsen houden zich prima, ik heb alleen een beetje een slag in mijn
achterwiel. Na het eten - een snitzel in het café tegenover de jeugdherberg -
bekijken we in de televisiekamer wat ons de komende dagen te wachten staat.
Als het een beetje meezit overmorgen de Splügenpas over, dan zijn we al in
Italië!
Woensdag 18 juni 1997
Feldkirch - Andeer
Afstand : 1240 km
Dagtrip : 99 km
Tijd : 6.47 uur
Gem. snelheid : 14,6 km/u
Lekker geslapen in het stapelbed in deze schitterende jeugdherberg. Geen
wonder dat er niet gerookt mag worden in dit houten gebouw, alleen in de
televisiekamer. Het beheerdersechtpaar zit daar kennelijk regelmatig
fanatiek te roken. Zij was zeer belangstellend naar het hoe en waarom van
onze fietstocht.
Langs dezelfde drukke verkeersweg Feldkirch weer door en de stad uit. Het
duurt niet lang of we zijn bij de grensovergang met Lichtenstein. De route
door dit ministaatje begint gelijk met een slopende klim. Dan ben je meteen
helemaal wakker. Vanaf Eschenz moet er een prachtig weggetje binnendoor naar
Schaan zijn. Als we dit zo gauw niet kunnen vinden rijdt een vriendelijk
mannetje met zijn bestelwagen ons voor. Overal onderweg ontmoet je trouwens
mensen, die uiterst vriendelijk en behulpzaam zijn. Na Schaan volgen we weer
het mooie pad op de dijk langs de Rijn. Het fietst lekker met een vriendelijk
zonnetje en een lekkere bries in de rug. We passeren een paar keer een oude
houten overkapte brug over de rivier. Bij Trübbach gaat de route weer over
de Zwitserse oever. Even verder begrijpen we waarom. De Rijn scheert hier
met een reeks stroomversnellingen om een steile rotswand aan de Lichten-
steinse kant.
In Bad Ragaz drinken we koffie. Ze hebben geen appelgebak, dan maar een
sandwich met ham. Dat is meteen ons middagmaal. Vanaf Landquart is de route
prima aangegeven met SRB-bordjes. Na Chur houden we dezelfde bordjes maar
aan richting Thusis. Het onverharde pad loopt eerst boven een golfbaan langs,
dan stijgt het eerst geleidelijk maar dan volgt een verschrikkelijk steil
stuk. Hier kom je alleen met een mountainbike bij op. Dat betekent dus de
fietsen naar boven duwen. Nu begrijpen we wat die veerman gisteren bedoelde
met zware Hollandse fietsen. Maar eenmaal boven volgt een hele lange afdaling
over een van de meest spectaculaire stukken van de fietsroute. De weg is hier
half uitgehouwen in de rotswand die hoog boven de Hinterrhein loopt. Als je
over de rand naar beneden kijkt zie je in de diepte het water kolken. De
snelweg is verdwenen in een lange tunnel zodat je het idee hebt dat we de
enigen op de wereld zijn. Aan de overkant bewaken kastelen de toegang van
de Domleschg. Vroeger werden door de kasteelheren hoge tolgelden geëist van
de reizigers. Pas bij Rothenbrunnen zijn we weer beneden.
Bij Thusis gaat het pas echt beginnen. Om in het stadje te komen gaat het
al steil omhoog. Op het terrasje voor de station drinken we een milkshake,
héérlijk. Doordat we door het stadje zijn gefietst belanden we per ongeluk
op de Autobahn, dat betekent eerst door een korte tunnel en dan door de
Rongellentunnel, meer dan een halve kilometer lang. Het geluid van de auto's
weerkaatst van alle kanten zodat het lijkt of er een trein komt aandenderen.
Voorbij deze tunnel zitten we gelukkig weer op de goeie route. De Mala-kloof
vernauwt zich hier tot een spleet waarin diep onder ons het water zich een
weg naar beneden baant. Verderop wijken de bergen verder uiteen en dan zijn
we al gauw in Zillis. We besluiten nog vier kilometer verder te fietsen tot
aan het begin van de klim over de Splügenpas. Deze laatste loodjes wegen niet
zo zwaar meer en al spoedig zijn we in Andeer. Het in onze gids als enige
vermelde hotel Fravi is een chique accommodatie, niet geschikt voor fietsers.
Er zijn in Andeer geneeskrachtige bronnen, dit is dan ook zo'n typisch
Kurorthotel. Van de VVV krijgen we een lijstje met nog meer slaapgelegenheden.
Hotel Post is een prima gelegenheid met uitnodigende bedden, een heerlijke
douche en een prima keuken.
Donderdag 19 juni 1997
Andeer - Chiavenna
Afstand : 1296 km
Dagtrip : 55 km
Tijd : 4.55 uur
Gem. snelheid : 11,3 km/u
Max. snelheid : 37,3 km/u
Als we vamorgen naar buiten kijken miezert het. Mamma was er vannacht nog uit
geweest, toen stonden de sterren nog flonkerend aan de hemel. De eigenaresse
van Hotel Post weet te vertellen dat de weersverwachtingen slecht zijn. Er
zit niks anders op dan de regenjacks aan, de regenhoezen om de fietstassen
en welgemoed op weg. Zoals de auteur van ons boekje, Paul Benjaminse al had
beloofd begint het meteen fors te stijgen. We hebben niet eens even gelegen-
heid de spieren warm te trappen. De weg slingert tussen de bergwanden door,
de ene keer hebben we de autoweg aan onze linkerhand dan weer aan de rechter-
hand. We passeren een klein dorpje Bärenburg. Met een reeks haarspeldbochten
volgt een steile beklimming door de Rafflaschlucht. Na deze nauwe kloof komen
we bij het meer bij Sufers. Het regent nog zachtjes, mamma vindt het wel
lekker weer om te klimmen, niet zo warm, geen zon en wat spettertjes voor
de verkoeling. Tot aan Splügen gaat het redelijk vlak.
In Splügen drinken we een kop hete chocolademelk met een groot stuk taart,
energie opdoen voor de grote krachtproef: de klim naar de pas. Inmiddels is
het hard gaan regenen, de regenbroek moet nu ook aan. Voortdurend zigzaggend
gaat het eerst de steile helling boven het dorpje op. Ook als de weg een meer
gestrekt verloop vertoont blijft de stijging steeds fors. Maar het echte werk
komt nog. Als we hoog boven ons de pas vermoeden klimmen we heel langzaam
maar zeker, haarspelbocht na haarspelbocht, omhoog. Er ligt nog volop sneeuw.
We komen hier maar een enkele auto tegen. De koude wind, die hier boven
steeds harder blaast, helpt ons de ene keer door te proberen ons omhoog te
waaien, de andere keer probeert hij ons tegen te houden en blaast hij ons
pal in het gezicht. Na een eindeloos aantal slingers bereiken we eindelijk
de Zwitserse grenspost. Naast de grenspost is een uitspanning waar een "pake"
en een "beppe" de scepter zwaaien. De kachel is aan, het is hier behaaglijk
warm. We trekken droge sokken aan. De hete goulashsoep met brood laten we
ons lekker smaken. Na zo'n klim is het zoet rusten......
Als we allebij weer lekker warm zijn trekken we de trui en de joggingbroek
aan. Het is inmiddels zowaar droog geworden maar het regenpak trekken we er
wel over aan, dat zullen we straks bij de afdeling nodig hebben tegen de kou.
Na nog eens 800 meter klimmen zijn we op de Splügenpas, 2113 meter hoog! Als
we ons na de Italiaanse grenspost verheugen op de afdaling begint het prompt
weer te regenen en niet zo'n beetje ook. Het is oppassen geblazen met zo'n
nat wegdek. Het eerste dorpje waar we langs komen is Monte Spluga, een
mistroostig gehucht. Dan fietsen we langs het stuwmeer, een fijn vlak stuk.
Maar direct na de stuwdam duikt de weg de diepte weer in. Je kunt geen moment
je remmen even loslaten. Op een gegeven moment doemt een muur van mist voor
ons op, we fietsen einden door de laaghangende wolken. Als we plotseling
sterk moeten remmen voor overstekende koeien - nu zijn die bellen toch wel
nuttig - besluiten we even te schuilen onder het overhellend dak van een
stal. Ook de koeienherder en een stuk of wat boeren hebben hier een droge
plek opgezocht. We verbeelden ons dat er zelfs hagelstenen naar beneden
komen. We begrijpen nu ook best waarom deze Splügenpas tot juni gesloten is.
Met regen is het al gevaarlijk, laat staan met sneeuw op de weg. Omdat het
er niet op lijkt dat het beter zal worden besluiten we maar weer verder te
fietsen, alles wat nat kan worden is toch al nat. De boeren gebaren van:
"prudente, lentamente!".
Jammer van de soms duizelingwekkende afdaling. Constant met beide remmen
voluit aangeknepen de volgende haarspelbocht in. Regelmatig moeten we even
pauzeren om weer gevoel in onze vingers te krijgen. Je kunt geen moment je
ogen van de weg afhalen, geen oog voor de omgeving dus. Ik waag nog een foto
aan een aan de overkant van het dal naar beneden kletterende waterval.
Voorbij Pianozza is een wegomleiding in verband met wegwerkzaamheden. Wij
besluiten ons er niks van aan te trekken. Kennelijk hebben ze pas een nieuwe
asfaltlaag aangebracht want de belijning ontbreekt nog. Het voordeel is dat
er helemaal geen verkeer is. En dat komt goed uit want we passeren
verscheidene tunnels met hele stukken in het donker. Allebei onze voorlichten
blijken niet te functioneren. Dus blijft er niks anders over dan zoveel
mogelijk midden op de weg te fietsen. In een wat groter dorp wissel ik bij
een bank mijn overgebleven Zwitserse franks en een paar travelercheques om
in lires. Ik ben in één keer een halve miljonair. Met kramp in de handen van
het voortdurend remmen, halverwege afgesleten remblokjes en fietstassen zwart
van het koolstof van diezelfde remblokjes komen we eindelijk in Chiavenna aan.
In hotel Flora doen ze niet moeilijk om een paar "verzopen" fietsers een
kamer te geven. 's Avonds zoeken we onder een van de hotelier geleende
paraplui een aardige gelegenheid om wat te eten.
Vrijdag 20 juni 1997
Chiavenna - Lago di Annone
Afstand : 1372 km
Dagtrip : 76 km
Tijd : 4.39 uur
Gem. snelheid : 16,5 km/u
Max. snelheid : 44,3 km/u
De zon schijnt in Chiavenna als we de luiken open doen! Met toiletpapier
proberen we zo goed en zo kwaad het gaat het koolstof van de tassen af te
vegen, alles wat je beetpakt is zwart. Na het ontbijt - twee deegballen met
een korstje - worden de fietsen uit het gangetje gehaald, de boel opgepakt
en op weg naar San Vittore. We verbazen ons erover dat we totaal geen last
van onze knieën of de kuiten hebben, kennelijk topconditie!
Het is vandaag gelukkig lang zo steil niet meer dan gister, alleen wat
vriendelijke hellingen op en neer. Dat is maar goed ook want als het maar
even omlaag gaat merken we, dat onze remmen nauwelijks meer functioneren. De
tunnels in Campo en Vercéla Fedele fietsen we omheen en in Curcio ziet mamma
gelukkig een fietsenmaker. Eerst nieuwe remblikjes laten monteren. De velg
van mijn achterwiel blijkt een puinhoop, hij slingert zowel van links naar
rechts als op en neer. De fietsenmaker maakt zich er niet met een Jantje van
Leiden van af. Alles wordt uitgelijnd, een stuk of wat spaken vervangen,
nieuwe remblokjes gemonteerd en alles draait weer als nieuw. Bij de fiets
van mamma gaat het aardig vlotter. Gelukkig maar want onze fietsenmaker
moet nodig naar een wielerwedstrijd, zijn dochter is wielrenster en hij is
mecanicain bij haar wielerploeg.
Mooi vlot zijn we nu bij het Comomeer, Lago di Como. Achter ons zien we de
imposante Alpen langzamerhand vager worden. We volgen de oostelijke oever.
Van Dório, net als Dervio en Bellano een prachtig plaatsje boven het water
tegen de berghelling geplakt, maak ik een foto. We moeten een paar keer door
een tunnel, voor een deel in het pikkedonker, je rijdt dan maar zo'n beetje
op goed geluk.
In Varenna steken we met de veerboot over, eerst dwars over naar Menaggio,
dan naar Bellágio. Bellágio is een aantrekkelijke plaats, terrasgewijs
gelegen op het uiteinde van een landtong tussen twee takken van het Comomeer.
We worden hier aangesproken in onze "memmetaal", het Friese vlaggetje aan de
fiets van mamma heeft weer gewerkt. Een meneer uit Drachten is daar met
vakantie, zijn vrouw - een Huitema van Davelaer - kwam uit St. Anne. In
Bellágio is het eerst zwoegen naar boven en dan fietsen we langs de
oostelijke rotswand van het schiereiland richting Lecco. De kronkelende
weg is hier erg smal. Verschillende keren is de route versperd doordat twee
auto's elkaar niet kunnen passeren. En maar claxoneren. Vóór Valmadrera
komen we twee keer door een tunnel, allebei wel anderhalve kilometer lang.
Gelukkig zijn ze goed verlicht maar voor je plezier zou je nooit zo'n tunnel
uitkiezen.
Na Valmadrera zijn we gauw aan het Lago di Annone. Volgens het kaartje moet
hier een camping zijn, maar nergens een verwijzingsbordje te bekennen. Een
oud mannetje weet ons te vertellen dat we een paar honderd meter terug moeten
en dan een zijweg in, we zijn er vlak bij. Geen wonder, dat we het niet
konden vinden, het is zo'n geval met zoveel mogelijk vaste bouwsel op de
vierkante meter. Wij mogen het tentje opzetten bij een kennelijk verlaten
caravan vlak bij het meer. Het sanitair stelt niet veel voor en we krijgen
een kaartje voor drie minuten douchen. 's Avonds heerlijk paella gegeten in
een ristoranta-pizzeria in de buurt. Het is een heerlijk stille avond.
Zaterdag 21 juni 1997
Lago di Annone - Crema
Afstand : 1447 km
Dagtrip : 75 km
Tijd : 4.45 uur
Gem. snelheid : 15,8 km/u
Max. snelheid : 39,1 km/u
Mamma heeft vannacht geen oog dicht gedaan. Een eindje verderop was een disco
die tot drie uur doorging. En heel vroeg vanmorgen liepen er mensen langs
het meer, zullen wel vissers zijn geweest.Wassen en scheren is behelpen op
de "camping". De lucht is dreigend en de broodjes, die we gisteravond in het
restaurant hebben gebietst zijn bijna niet door te krijgen. Al met al niet
de meest voorspoedige start van de dag.
Nu we de meren achter ons hebben gelaten en de bergen inmiddels heuvels zijn
geworden gaat de route meest over binnenweggetjes. Dat betekent meer klimmen
en dalen, slechtere wegen en lastiger de weg zoeken. Naar San Maria Hoë is
het een hele klim en in Pagnano staat een fraaie, voor dit gehucht reus-
achtige kerk. In Merate drinken we op een een terrasje een cappucino met een
heerlijk broodje, de lucht is inmiddels ook opgeklaard. Na Cornate d' Adda
volgen we het plateau, hoog boven de rivier Adda. We passeren een prachtige
Lombardische boerderij op de open vlakte. Zo belanden we in Váprio d' Adda
waar we de rivier oversteken.
We zijn nu in de Po-vlakte. Over een mooie landelijke weg fietsen we naar
Trevíglio, daar duiken we op de verkeerde plaats onder het spoor door en
fietsen daarom over Caravággio naar Misano. Dat heeft twee voordelen: we
hebben een heel eind een fietspad en dat mag wel in de krant hoewel de
kwaliteit niet om over naar huis te schrijven is én we passeren de Santuario
di Caravaggio, een gigantische bedevaartskerk "in the middle of nowhere".
In 1432 is de Heilige Maagd hier verschenen aan een boerin.
De route vervolgt over een mooie rechte en vlakke weg naar Crema waar we
eerst een cappucino drinken op het centrale plein. Bij gebrek aan beter
nemen we onze intrek in een modern viersterren hotel. Het ligt trouwens
heerlijk in het bad. Mamma kan uitbundig haar haar föhnen, wat een luxe.
Verkwikt gaan we de stad in. Bij een indrukwekkende fietsenwinkel -
racefietsen is erg populair in Italië - haal ik een nieuw ventieldopje voor
mamma haar fiets. Crema is een mooie stad met aan het plein niet alleen de
Dom en het Palazzo del Comune in Venetiaanse stijl maar ook de Torrazzo waar
we onderdoor gefietst zijn. Aan weerszijden van het plein loopt een gezellige
hoofdstraat met veel flanerend publiek. In een pizzaria zitten we nu lekker
te eten, mamma heeft een pizza met brie en spek en ik heb spagetti met zo'n
grote kreeft. Dat betekent met een knijptang het vlees er uit peuteren,
heerlijk!
Zondag 22 juni 1997
Crema - Sabbioneta
Afstand : 1548 km
Dagtrip : 100 km!
Tijd : 5.45 uur
Gem. snelheid : 17,4 km/u
Max. snelheid : 30,5 km/u
Heerlijk, heerlijk geslapen. Mamma had al voor tien uur haar luikjes dicht en
vanmorgen om zeven uur met de wekker heeft ze ze pas weer opengedaan en
snurken! Onbestemd, is de conclusie als we tussen de gordijnen door naar de
lucht kijken. De ober van het ontbijt voorspelt "strong rain". Dus meteen de
regenhoezen over de fietstassen en de slaapzak en matje in vuilniszakken. De
temperatuur is overigens prima, we kunnen meteen in ons hemdje fietsen.
Tot Castelleone gaat het mooi vlot maar het stuk naar Pizzighettone blaast
de stijve wind schuin van voren en als de route in oostelijk buigt hebben we
pal in de wind. Maar de wegen zijn mooi vlak, dat het schiet lekker op. We
zijn hier letterlijk en figuurlijk in de Po-vlakte. In Crumello Cremonese
drinken we een kopje koffie. Het café zit al vol met mannen, die hier
kennelijk elke (zondag)ochtend de krant lezen en een borreltje drinken.
Men is zeer belangstellend waar we vandaan komen en waar de reis naar toe
gaat.
Vlak voor Cremona fietsen we langs een verlaten hereboerderij met een
spiraalvormige toren. "Kon de boer zijn arbeiders in de gaten houden",
concludeert mamma. Cremona blijkt een prachtige, gezellige stad. We horen
hier voor het eerst sinds dagen een echtpaar Nederlands spreken. Het Piazza
del Comune, met zijn schaduwrijke portici, moet volgens ons reisboekje tot
één van de mooiste middeleeuwse pleinen van Italië worden gerekend. De
Torrazzo uit 1267 is met zijn 111 meter de hoogste kerktoren van het land
en hét symbool van Cremona. Op het Piazza speelt een muziekkorps swingende
muziek en het is er een drukte van belang. Cremona, geboortestad van
componist Monteverdi, is vooral bekend als de stad van beroemde vioolbouwers.
Stradivarius is wel de beroemdste.
Na Cremona fietsen we verder in oostelijke richting, twintig kilometer op
een kaarsrechte weg langs een kanaal. Ons boekje zegt: "toch is twintig
kilometer met wind mee een fluitje van een cent en onderweg ziet men steeds
meer oude hereboerderijen die u kent uit films als Novecento." Dat laatste
klopt maar heteerste niet, wij hebben de harde wind pal tegen. De Po-vlakte
is een vruchtbaar grootschalig akkerbouw- en veeteeltgebied. Er staan
kolossale boerderijen. Vroeger woonden ook de meeste landarbeiders met
hun gezinnen op de boerderijen. Bij sommige dorpjes - een grote kerk, een
paar boerderijen en rijen gedeeltelijk verlaten huizen - druipt de feodale
historie eraf. De hereboeren en de pastoor hadden het hier voor het zeggen.
Nu zie je grote welvarende "azienda's" en vervallen glorie. In Casteldidone
staat een lieflijk kasteeltje. We rijden door tot Sabbioneta, ooit het
schitterende hof van het kleine hertogdom Mantova. Vooral zondags is het
in dit toeristische stadje een drukte van belang waar vooral de vele grote
antiekzaken van profiteren. We hebben nog nooit zoveel antiek bij elkaar
gezien! Overigens, het stadje kan zelf ook zo bij het antiek.