Leeuwarden, 3 november 2007

Ziek, scherp en soms verdrietig

Anita Andriesen: 'It is wreed en hurd, mar ik bin der noait lilk om west.' Foto: Wietze Landman

Ze krijgt een kaal hoofd, en zal de komende tijd vaker moeten verzuimen. Gedeputeerde Anita Andriesen liet vorige week een persbericht versturen waarin staat dat de kanker in haar lijf verder is uitgezaaid.

Door Jantien de Boer en Atze Jan de Vries

Met het persbericht wilde Anita Andriesen indianenverhalen voorkomen. Ja, de ziekte is uitgezaaid naar haar lever en mogelijk ook naar haar heup, zegt ze. "En dat is it." Ze wil er zakelijk mee omgaan. Door het officiële bericht weet iedereen nu van de chemobehandelingen die haar te wachten staan, en daarmee is de kous af. Aan het begin van een vergadering mogen mensen haar best even sterkte wensen, maar daarna wil ze aan de slag.

Ze is er nog, bedoelt ze. Vroeger was je zo vertrokken als je kanker kreeg, maar tegenwoordig niet meer. Ze weet alleen dat ze niet oud wordt, en dat is het verdriet van haar leven. "It is wreed en hurd mar ik ha der noait lilk om west."

Ze gaat dood ja, "mar ik leef safolle bewuster no." Ze geniet van een mooi gesprek, een kopje koffie in de zon, van de hartelijkheid die ze ontmoet en van haar werk.

Een enkeling zou nog kunnen denken dat ze het persbericht verstuurde uit politiek eigenbelang, zegt ze. "Mar der doch ik it net om. Dit is myn paad." Bovendien, ze zou ontploffen als ze haar ziekte voor zich hield. "Ik kin net oars."

Ze weet niet hoe lang ze nog heeft. "Ik ha gelokkich gjin prognoses." Ooit vroeg ze er een keer naar in het ziekenhuis, maar meteen al dacht ze; "Anita sukkel, dat wolst net wite." Haar arts wist het trouwens niet eens, een mensenleven is lang niet altijd in een statistiek te vangen. En ze wil niet weten hoe lang ze nog heeft. Ook al kreeg ze tien jaar. "Dan noch tinkst by elke simmerfakansje, der is der wer ien foarbij".

DROOMBAAN

Ze leeft. En ze heeft het gevoel dat alles in deze periode samenkomt. Tot vijf jaar geleden werkte ze vooral achter de schermen, maar in 2002 werd ze gedeputeerde. Het is haar droombaan. Ze wil niet hoogmoedig overkomen, maar ze heeft een andere wijze van politiek bedrijven, vindt ze. "Ik kin goed harkje, stean ticht bij de minsken."

Haar stem stokt als ze zegt: "Ik kin it dwaan, ik mei it dwaan, mar it is wol tragysk dat it net sa lang duorje sil. Tagelyk tink ik ek: Andriesen doch net sa arrogant. Do bist net mear as in oar, of better as in oar." Ze haat zelfmedelijden, zegt ze. Ze is vooral verdrietig als het over haar kinderen gaat, of over haar man.

Eind vorig jaar klaagden statenleden dat ze tegen zichzelf beschermd moest worden. Ze hadden het gevoel dat ze te emotioneel was geworden, waardoor ze niet meer hard en eerlijk met haar konden debatteren. Anita nam zich voor om minder open te worden over haar ziekte. Om te zwijgen over de voortgang ervan.

Maar ze kan het niet. Nu ze opnieuw een piketpaal moet slaan omdat er nieuwe kankercellen zijn gevonden, heeft ze toch besloten om ermee naar buiten te treden. Het is zoals het is, vindt ze. En ze doet het op haar eigen manier. "In oar docht it miskyn oars, ek goed, mar dit bin ik."

Ze vond alle kritiek op haar emoties trouwens flauwekul. Pijnlijke flauwekul, dat wel. Haar professionele functioneren werd aan de orde gesteld, zo voelde dat, "mar ik bin gjin emosjoneel wrak. Myn wurk hat kwaliteit."



Na alle ophef, slikte ze vorig jaar voor de eerstvolgende statenvergadering een paar kalmeringstabletjes. Omdat ze niet opnieuw emotioneel wilde worden. Nu doet ze dat niet meer. Je mag emoties hebben in de politiek, vindt ze. Al was ze in het begin misschien te rauw over haar ziekte. Als iemand haar in die tijd vroeg hoe het ging, antwoordde ze: "Net sa goed, ik gean hartstikkene dea."

Nu is ze zachter, al vertelt ze wel dat ze straks met een "keale harses" bij de vergaderingen zit. En ook dan wil ze op argumenten discussiëren. "Ik doch echt wol in leuk doekje om, sadat it net te konfrontearjend is, mar it giet om it wurk." Als mensen het moeilijk met haar houding hebben, dan hoort ze het graag, maar ze bepaalt haar eigen koers.

.......

Ze krijgt brieven van anden kankerpatiënten die haar als een voorbeeld beschouwen. "Mar der doch ik it net om. Myn ferhaal is net wichtiger as dat fan in oar." Al is het natuurlijk mooi als ze anderen met haar houding helpt. "Ek al wol ik gjin 'kanker-excuus-Truus' foar hiel Fryslân wèze."

Ze wil ook geen medelijden, van de weeromstuit gaat ze er Bildts van praten. "Luster, ik bin fyftig jaar. Ik hèw al 'n mooi leven had. Ik waar een onseker skoalkyn, maar ik hew kansen kregen. Ons hait en ons mem hewwe my sien laten wat ik kin en soa leef ik nog telkens. Ik weet wie 't ik bin."

Anita blijft dezelfde. Ook in het Anthonie van Leeuwenhoekziekenhuis, een "gribus fan in gebou" met een kantine waar je het lekkerste eten kunt krijgen omdat ze er nou eenmaal vinden dat de patiënten het lekkerste eten verdienen. Maar als je er in de hal zit te wachten, kijk je uit op een stiltecentrum waarop in grote letters staat: 'Licht dat niet dooft, liefde die blijft'. Het is een tekst van Huub Oosterhuis, best mooi hoor, vindt Anita, maar behoorlijk somber als je er op een consult met je oncoloog zit te wachten. "Mear wat foar yn in krematoarium." Ze heeft er al iets van gezegd, zoals ze overal iets van zegt. "Ja, mei dat asjebleaft?"

PSALMEN

Afgelopen maandag begon ze met haar eerste chemokuur. Ze gaat knokken, zegt ze. Maar bang? Bang is ze niet. Ze wist van jongsaf aan dat het leven eindig is, zo is ze groot gebracht al neuriet ze ineens wel weer de psalmen die ze vroeger op school leerde. Die geven haar uitzicht op het leven na de dood, want daar rekent ze op: "Deagean is net allinnich ferlies."

Ze denkt soms aan de hereniging met haar vader, na dit leven. Ze wil weten hoe haar hait, als pootaardappelboer, vindt dat zij het heeft gedaan "as minister fan lanbou fan Fryslan". Want hoe volwassen je ook bent, je zoekt toch altijd weer het oordeel van heit of mem, zegt ze. Even schiet ze vol, maar daarna vertelt ze weer enthousiast over haar missie, over de ruimtelijke kwaliteit van Friesland die beschermd moet worden, maar die ook zoveel mogelijkheden biedt.

Ze houdt van het landschap. Ze hoeft niet ver weg. De caravan is alweer schoongemaakt voor volgend jaar, voor de zoveelste kampeervakantie aan de Blikvaart. Alweer in het Bildts: "Mien geheim is dat ik de moed niet opgeef. Ik bin een levend mîns. Ik kin nag'n heel soad doen, foor thús en foor 't werk. Ik bin niet afgeschreven, mien leven is alle dagen een feest."

Dit is een deel van het interview
Bron: Leeuwarder Courant
Foto Wietze Landman