.
En dan is er nog het volgende: in het werk van A.W. Dek wordt er al gesproken over Clara van Sparwoude. Hierna volgt echter een meer volledige uitleg over wie zij was en waar het, na haar vernoemde, fonds voor stond.

Clara van Sparwoude
1530 - 1615
In de gegevens over de Familie Molier komt u op een gegeven moment de vermelding van deze dame tegen. Een fonds liet deze dame na haar dood achter. Wat dit fonds inhield, waar het voor stond , hoe het functioneerde en hoe het uit eindelijk tot een einde kwam leest u in onderstaand stuk.
Clara Jansdr. van Spaerwoude is vermoedelijk
rond 1530 te Delft geboren en zal bij haar overlijden te Delft op 4 augustus
1615 circa 85 jaar oud zijn geweest. Haar ouders waren Jan Heynrickxz., waarschijnlijk
geboren in Haarlem of omgeving omstreeks het jaar 1477. Hij was goudsmid in
Delft, overleden te Delft en aldaar begraven in de Nieuwe kerk op 17 augustus
1552. Haar moeder was Willemtgen Willemsdr., geboren te Schiedam circa 1490/1495
en overleden na 24 oktober 1564. De ouders van Jan Heinricxz. waren: Heynric
Jansz., geboren circa 1440, goudsmid te Haarlem en later te Delft, overleden
waarschijnlijk te Delft 1512/1513 (na 13 maart 1512) en begraven in de Oude
kerk. Hij huwde voor 1477 met Claertgen Gerrytsdr. van SPAERWOUDE (SPARWOUDE).
Blijkens een transportakte uit oktober 1487 bezat grootmoeder Claertgen Gerrytsdr.
van Spaerwoude een huis en land in de ban van Spaernewoude bij de kerk. Het
is duidelijk dat Clara Jansdr. van Spaerwoude haar voor- en achternaam aan
haar grootmoeder Claertgen Gerrytsdr. van Spaerwoude heeft te danken. De achtste
rentmeestersrekening van Adriaen Groenlant van 19 decembris 1623 fol. 2, behorende
bij het archief van de Stichting Clara Jansdr. van Sparwoude (in bewaring
bij de gemeentelijke archiefdienst van Delft) vermeldt de eigendom van "
de woninge met vijff ende twintich maden lants gelegen tot Spaerwoude bijde
kerck enz. ", alsmede van nog enig land daar ter plaatse nagalaten door
Clara Jansdr. van Spaerwoude. Vermoedelijk gaat het hier om hetzelfde huis
en land als uit het jaar 1487. Clara Jansdr. van Spaerwoude heeft het huis
en land via haar vader geërfd.
Clara trouwde op huwelijksvoorwaarden te Delft op 13 oktober 1556 met Mr.
Arent Vranckensz. van der Meer, (weduwenaar van Clementia Cachiopijn(s), overleden
tussen 1547 en 1556, dochter van Thomas Cachiopijn en Marie Domasdr.) Mr.
Arent van der Meer in 1559 regent van het Meisjeshuis te Delft, 1560 veertig
raad, 1570 curator van het Fratershuis, 1574 secretaris. Op 31 oktober van
dat jaar ging Mr. Arent over tot de hervormden, 1578 visitator van de grote
school, 1581 commissaris van de huwelijkszaken te Delft, hoogheemraad van
Delftland. Mr. Arent overleed in Delft op 23 december 1596 en werd begraven
in de Oude kerk op 26 december 1596 in het familiegraf van " van der
Meer ", hij was de zoon van Vranck Pietersz. van der Meer, schout, baljuw
en burgemeester van Delft, overleden op 16 februari 1554 en Clara Jansdr.
van Berendrecht, overleden op 27 januari 1558. Beiden zijn begraven in het
familiegraf.
1 Clara en haar man Arent gingen na hun huwelijk wonen te Delft in het huis,
de voormalige grafelijke herberg, tegenover de Kraen aan de kapel (de tegenwoordige
Sint Hyppolytuskapel, eigenlijk de Heilige Geestkapel) aan de Oude Delft.
Haar woongedeelte is nog te zien in het rechtse deel van het gebouw, waarin
thans de ABN - AMRO bank op nummer 141 gevestigd is. Het echtpaar verwierf
zich groot aanzien in de stad en Mr. Arent van der Meer bekleedde, zoals hiervoor
is beschreven, de hoogste posten van de stad.
Clara wijdde zich aan vele vormen van liefdadigheid.
Zij was in 1578-1579 moeder van de Arme Fraters, in 1578 en van 1581 tot 1590
moeder van het Meisjeshuis. In 1578, vier jaar na haar man Arent, was ook
Clara overgegaan naar de hervormden, een stap die wellicht voor Clara niet
makkelijk geweest zal zijn. Een schaduw over het gelukkige huwelijk van Clara
en haar man zal ongetwijfeld geweest zijn, dat er geen kinderen uit hun huwelijk
zijn geboren. Haar veel besproken testament uit 1598 zal wellicht hiermee
te maken hebben gehad.
Na de reformatie werden er jonge mannen tot predikant opgeleid en reeds tijdens
hun leven schonken Clara en Arent aan dit doel 300 gulden per jaar om van
dat geld twee jongens - boven het gewone aantal - in staat te stellen theologie
te studeren, een geweldig bedrag in die tijd. Ruim een jaar na het overlijden
van haar man Mr. Arent van der Meer liet Clara op 28 januari 1598 haar veel
besproken testament opmaken. De verzegeling van het testament is op 12 juni
1598 in tegenwoordigheid van Willem Jacobsz. van Voorburch en Borgher Jansz.,
schepenen van Delft en Mr. Johan de Groot, Raet en Secretaris van de stad
Delft. De registratie van het testament was eveneens op 12 juni 1598.
Huwelijksgift
Uit de bepalingen van het testament uit 1598 is wel
het meest bekend de huwelijksgift. 'Uit te delen aan vrome en eerlijke jongens
en dochters van mijn geslacht, als die het nodig mochten hebben'. Er werden
legaten aan diverse familieleden toebedeeld. De bedragen werden herzien met
de codicillen uit 1602 en 1610. Bedragen van 36 gulden tot 3000 gulden werden
beschikbaar gesteld.
De nazaten van haar halfbroer ontvingen per jaar de hoogste toelage. Uit de
huwelijksgiftpot werden in het begin bedragen van 100 gulden tot 300 gulden
uitgekeerd. Clara Jansdr. van Spaerwoude stierf in Delft op de hoge leeftijd
van omstreeks 85 jaar (haar leeftijd is geschat via een schilderij van haar
uit 1565) op 4 augustus 1615. Ze is vier dagen later op 8 augustus 1615 begraven
in de Oude kerk.
2 Het thans herstelde epitaaf, op initiatief van mevrouw. B.A.M. de Ruyter
uit Heiloo, dat voor een deel is bekostigd door verwanten, de grafzerk van
de familie van der Meer, die helaas zwaar is beschadigd ten tijde van de Franse
revolutie en haar portret uit 1565 in de consistoriekamer allen aanwezig in
de Oude kerk van Delft, dragen er toe bij dat wij deze bijzondere vrouw tante
Clara nimmer zullen vergeten. Op de epitaaf staat vermeld: VAN HERTEN CLAER.
De weesmeesters van Delft voerden het testament en
de codicillen (huwelijksgift - legaten enz.) aanvankelijk uit. Na allerlei
verwikkelingen werd het beheer van de Stichting rond 1860 overgedragen aan
de minister van financiën. Alles is nu weer samengebracht bij de gemeentelijke
archiefdienst van Delft.
Sedert 1813, na de Franse overheersing, ontvingen alle afstammelingen van
haar halfbroer, halfzuster, halfoom moederszijde en zuster moederszijde, als
zij zich na hun huwelijk hadden aangemeld met een bewijs van hun afstamming,
een bedrag van 25 gulden. Tussen 1913 en 1920 werd nog aan ongeveer 500 verwanten
een huwelijksgift uitgekeerd van 20 gulden. De aanvragingen namen in die jaren
veel tijd in beslag en kostte de Nederlandse Staat handen vol geld. Op 3 april
1922 besloot de minister het Fonds van Clara op te heffen.
Het restkapitaal van 528.000 gulden werd in 1927 uitgekeerd aan ongeveer 4800
nakomelingen: de meest behoeftige verwanten. Na de verdeling werd het Fonds
opgeheven. Ruim driehonderd jaar heeft Clara Jansdr. van Spaerwoude met de
bijzondere bepaling in haar testament vele bruiden en bruidegommen gelukkig
gemaakt met een huwelijksgift. Een andere bepaling uit haar testament was:
Een jaarlegaat van 36 gulden, die later werd afgerond tot 50 gulden aan het
Oude Mannen- en Vrouwenhuis Sint Christoffel in de Papestraat te Delft, bestemd
voor een jaarlijkse blijde maaltijd. Deze blijde maaltijd wordt nog steeds
te Delft gehouden en werd vroeger altijd genuttigd op de zondag voor aller
heiligen.
Ambtenaar heeft dagtaak aan beheer Sparwoudefonds
Oud-minister van buitenlandse zaken, J.W. Beyen, doet in zijn mémoires over het begin van z`n loopbaan op het departement financiën een boekje open over de bureaucratie op z`n werk: Ambtenaren moesten bijvoorbeeld een enorme hoeveelheid stichtingen beheren.
Tot 1852 zorgden weeskamers voor steun aan de armen, daarna de staat der Nederlanden. Het grootste fonds dat financiën moest beheren was het Fonds van Clara van Sparwoude. Een bijna bejaard ambtenaar hield de geslachtsregister bij. Dat was z`n enige taak.
De nazaten stuurden hem een briefje met bewijs van een huwelijk of geboorte en een aardig geldbedrag werd overgemaakt. `Hij kwam iedere ochtend op het Departement, trok zijn jas uit ter verwisseling tegen een luster-jasje, beschermde zijn manchetten met celluloid kapjes, ontsloot zijn rolbureau, vulde zijn pijp, stak hem op en opende de twee à drie brieven die dagelijks binnenkwamen.`
`Vervolgens nam hij de boeken met het geslachtsregister van Sparwoude uit de kast en vulde zorgvuldig met zijn fraaie handschrift in wat er toegevoegd moest worden. Daarna maakte hij de minute voor de bevestigingsbrief. Zijn gewichtigste taak was de opdracht aan de Rijksbetaalmeester tot uitbetaling van, huwelijksgeld aan een echtpaar Smit in Krimpen aan de Lek.
Z`n werkdag was gevuld. Hij had met niemand anders
op de Thesaurie te maken dan zo nu en dan met de Thesaurier of de waarnemend
Thesaurier. Ik moet aannemen, dat hij een gelukkig, deugdzaam en evenwichtig
mens was; totdat op een kwade dag de Thesaurier op de revolutionaire gedachte
kwam, dat zijn werk toch eigenlijk geen zin meer had.
Er kwam een nieuwe wet door de kamer. ``...liquidatie van deze stichtingen
over te gaan...``
Er waren wel oudere juristen, in en buiten het Parlement, die hun wenkbrauwen
fronsten over deze rechtsverkrachting, maar de wet kwam tot stand. (...) We
lieten de Minister besluiten dat aan de rechthebbenden op het huwelijksgeld
van het Sparwoudefonds uitkeringen van f 25,- per hoofd zouden worden gegeven
en dat wel op grond van door de Burgemeester van de woonplaats gecertificeerde
armlastigheid. Een oproep werd geplaatst in de Staatscourant.``
``Toen enige dagen daarna de Chef van het Bureau Stichtingen op zijn kamer kwam, lagen er niet de gebruikelijke drie, maar enige duizenden brieven. Hij deed het enige verstandige wat hij doen kon. Hij zette zijn hoed niet af, trok zijn jas niet uit, maakte zijn bureau niet open.
Maar hij draaide zich om, ging naar huis, vroeg voortijdige pensionering en verscheen zelfs niet om afscheid te nemen. De wereld die hij begreep, waarin hij thuishoorde, was vernietigd, zij bestond niet meer``
Velen kregen slechts een eenmalig legaat, zoals een zilveren schaal en niet iedereen die iets ontving was familie. Het huwelijksgeld bedroeg in de zeventiende eeuw f 300, een echte bruidschat, in de achttiende eeuw f 100 en aan het einde f 20.
Clara van Sparwoude had behalve een volle broer en
een halfbroer die priesters waren, nog een halfbroer, Adriaen Jansz. Hij was
kind uit het eerste huwelijk van haar vader Jan Heynricxz, met Maritgen Bartholomeusdr
van Tetrode.
De nakomelingen van deze Adriaen Jansz. woonden in Leiden en voerden de naam
Van Tetrode omdat de moeder van Maritgen Bartholomeusdr. een Van Tetrode was
uit Leiden, een geslacht van rijke brouwers. (bron: ds Eduard Gortzak - Zweden)
Clara deed veel sociaal werk. Ze werkte in een wees- en fraterhuis en trouwde
met de gemeentesecretaris van Delft, Van der Meer, in 1556. Claes Pietersz.
de Bont is haar neef.
Het testament van 28 januari 1598 is een omvangrijk stuk en ook de twee codicillen
van1602 en 1610 bevatten veel beschikkingen en namen. Het originele testament
en de grossen van de codicillen liggen in het archief van het Sparwoudefonds
in het Delftse gemeentearchief.
De omvang van Clara's vermogen - in 1922 nog een half miljoen gulden - blijkt uit de jaarrekeningen van de rentmeesters die het vermogen na haar dood beheerden. Van deze rekeningen zijn er helaas maar elf bewaard gebleven: de oudste is van 1623, de volgende van 1677, dan 1731, '36, '38, '41, '75 t.m. '77 en 1805/06.
Hoe is Clara aan het omvangrijke vermogen gekomen?
Vermoedelijk heeft zij van haar ouders en haar broer, mr. Willem Jansz. (priester)
een vermogen geërfd. Dat vermogen heeft ze goed belegd. In haar testament
geeft zij ook aanwijzingen, hoe het kapitaal moet blijven groeien. Het oude
mannen- en vrouwenhuis in Delft krijgt tot op de dag van vandaag jaarlijks
een gezamenlijke maaltijd. De theologische faculteit van de universiteit Leiden
krijgt voor twee studenten jaarlijks 300 gulden.
Naast inkomsten uit gronden en huizen in twintig ambachten, waaronder Spaarnwoude,
had ze inkomsten uit losrenten (39 stuks), uit lijfrenten op personen (12
maal) en uit obligaties (20). Binnen deze onderdelen heeft zij aan verdere
risicospreiding gedaan; de obligaties b.v, zijn niet van een instelling, maar
van o.a. de Verenigde Oostindische Compagnie, het gewest Holland en de stad
Delft.
Bronvermelding:
Voor zowel de foto als de tekst over Clara van Sparwoude: dhr. E.J. Rollema.
E-mail adres van dhr.
Rollema
Van de familie Molier is veel meer bekend. Een deel van de stamboom staat op deze site. Een deel,
er wordt gewerkt
aan de volledige versie. Natuurlijk is het makkelijker om alles in boekvorm
te lezen. En dus kunt u ook de nu bekende
gegevens in een soort van boekvorm downloaden. Het is dan wel in PDF formaat
De geneanolgiesche gegevens zijn in vier talen te lezen
| Nederlands | Deutsch | English | France | Spaans | Italiaans | Portugees |
|---|
Daarnaast zijn er in het Nederlandss vier pagina's met statistieken , stamgegevens , huwelijken en namen.
Het gedeelte van de stamboom dat u hier kunt lezen is voor een deel gebaseerd op gegevens zoals deze zijn uitgezocht door dr. A.W.E. Dek in 1971. In opdacht van de familie zocht hij de familie geschiedenis uit teneinde dit als in boekvorm als cadeau aan te bieden bij het huwelijk van Arnoldus Molier en A. Bindenls te Maastricht in 1971. Hij werd hierbij geholpen door A.H.C. Molier die in zijn spaarzame vrije tijd al veel had uitgezocht. Er zijn echter in de loop der tijd een aantal mutaties geweest en voor een deel zijn deze op deze gegevens uigevoerd. Een deel, iets verder leest u dat er nog veel uitgezocht moet worden.
De stamboomgegevens komen uit de fichescollectie van
de Waalse kerken welke bij het CBG in Den Haag
terug te vinden zijn.
In de zeventiende eeuw zijn verschillende leden van
het geslacht Molier van uit Frankrijk naar Nederland getrokken
en hebben zich daar gevestigd. Terug te vinden zijn:
Onbekend is of deze personen verwanten zijn. De gegevens
die in de stamboom te vinden zijn, zijn afstammelingen van Lodewijk
Molier, die na 1655 te Wijk bij Duurstede als soldaat wordt
genoemd. Van het voorgeslacht is nog niets bekend. Wel is bekend dat hij uit
Frankrijk komt. Gelijk treed dan dan de vraag op waar uit Frankrijk? En zijn
ze niet terug te vinden in België? Over het laatste is het volgende terug
gevonden: In 1552 zijn Hendrik II, de koning van Frankrijk, en Karel V in
oorlog met elkaar. De stad Antwerpen bepaald op dat moment dat alle personen
die geboren zijn in Frankrijk en in Antwerpen wonen op het stadhuis moeten
verschijnen om zich te laten registreren. Zo staan op 12-7-1552 in de boeken
vermeld: Alexius Molier, Nicolaes Sonne, van Rouaen, caertspelmaker, gehuwd
met Marie Backqueville, van Atrecht. Is deze Molier familie van Lodewijk of
van van een van de andere 9 personen? En mag je hier lezen dat deze Alexius
uit Rouen kwam en dat zijn vader Nicolaes was?
Verder is bekend dat er in Franse achieven nog vele dossiers liggen die de naam Molier dragen. Daarvan is echter nog niets uitgezocht en dus is het ook niet duidelijk of dit wel familie is. Ook is bekend dat er gegevens van personen met de naam Molier voorkomen in Nederlandse archieven die nog niet onderzocht zijn:
Maar ook gegevens uit het Amsterdams Archief moeten nog worden na getrokken. Ook daar is nog het een en ander te vinden.
En dan zijn er nog de personen die Molier als achternaam hebben maar met een tussen voegsel:
Verder kom ik in vele sporten Molieren tegen: ruitersport (in militair verband), schieten, voetbal, korfbal en worstelen, Alles in de omgeving van Den Haag. Mocht u hier iets over weten laat het mij dan weten.
Op basis van de gegevens van Dek is een stamboomoverzicht gemaakt.
In de familie wordt soms grappen de opmerking gemaakt : misschien stammen wij wel af van Molière. Zo heel erg raar is die opmerking niet getuigen het onderstaande stukje.
Molière (1622-1673) franse schrijver
"Ik wil me met de belachelijke trekjes van de mensheid bezighouden en de tekortkomingen van de wereld theatraal aangenaam verbeelden."
De regeringsperiode van Lodewijk XIV gold als een bloeitijd van Het Franse Theater. Kardinaal Richelieu, Eerste Minister van Staat en invloedrijkste raadgever van Lodewijk XIV, bleek een belangrijk pleitbezorger van het publieke theater. Omstreeks 1641 kreeg het Beroep van Acteur dankzij hem een legale status. Richelieu kende twee reeds bestaande Gezelschappen Extra middelen en bovendien een eigen theater toe. Parijs kreeg daardoor twee gesubsidieerde gezelschappen, een voor de Komedie en een voor de tragedie. Beide gezelschappen werden voorzien van vormgevers en Franse toneelschrijvers.
De invloed van de Italiaanse Cultuur Was Groot, Maar de Franse Kunstenaars wisten zich daar gaandeweg aan te ontworstelen. Een Groep Franse schrijvers bestudeerde de klassieke literaire werken en ging zich daarna bezighouden met stelregels en Grammatica van het Drama. Hiermee werd de basis gelegd voor de Franse tragedie. Dit Genre bereikte zijn hoogtepunt in het Werk van Corneille en Racine. Molière ontwikkelde de Franse komedie.
Molière werd in Januari 1622 geboren als Jean-Baptiste Poquelin. Op 15 januari 1622 wordt Molière in de Saint-Eustachekerk in Parijs gedoopt.
Hij was de zoon van een rijke Parijse koopman en hofstoffeerder
Als Kind leerde hij het theater kennen door zijn Grootvader, die hem wekelijks meenam Naar allerlei voorstellingen.
Alles wijst erop dat Molière in de voetsporen van zijn vader zal treden. Aan het befaamde Jezuïetencollege van Clermont, in het gezelschap van zonen uit de hogere Burgerij en de Adel en vele latere libertijnse geesten, bestudeert hij de Griekse en Latijnse Literatuur.
Tijdens zijn rechtenstudies in Orléans (1640) ontmoet Molière de 23-jarige Madeleine Béjart, telg uit een vermaard acteursgeslacht en zelf een bekende actrice.
Terug in Parijs wordt Molière een Trouw bezoeker
van de twee theaters van het ogenblik, het Théâtre Du Marais
van Mondory en het gezelschap van Belleroze in het Hotel de Bourgogne.
waarschijnlijk neemt hij rond die Tijd ook Lessen bij de beroemde Italiaanse
Pantomime Tiberio Fiorelli, bijgenaamd Scaramouche, die in 1640 naar Parijs
gekomen is.
In 1642 begeleidt Molière zijn vader op een reis naar de Languedoc. Het vermoeden is groot dat hij Madeleine Béjart hier opnieuw ontmoet, een ontmoeting die aanleiding geeft voor de gissing dat Molière de vader zou zijn van het kind dat Madeleine Béjart het Jaar daarop zou baren. Dat kind is Armande Béjart, waarmee Molière in 1662 in het Huwelijk treedt.
Na het Afronden van zijn rechtenstudie in 1642 richt hij, in plaats van een voor hem weggelegde Functie aan het Hof te aanvaarden, zijn eigen theatergezelschap op. Op 30 juni 1643 Zetten Molière, Madeleine en enkele andere Béjarts Hun Handtekening onder het stichtingsverdrag van het Illustre-Théâtre. Vanaf 1644 speelt de groep in Parijs. Ook Moliere acteert en heeft de Leiding. Zijn Talent bleek echter nog onvoldoende gerijpt Om tegen de Concurrentie van de gevestigde gezelschappen op te kunnen. Hij neemt de toneelnaam Molier aan, want het theater loopt slecht en hij wil de Naam van zijn Familie hoog houden. Uiteindelijk doen de financiële problemen van het gezelschap hem zelfs in de Gevangenis belanden.
Na zijn vrijlating sluiten Molière en de zijnen zich aan bij een rondreizend gezelschap en trok hij met zijn geliefde, de actrice Madeleine Béjart en andere leden van zijn 'toneelfamilie' Dertien jaar rond door het zuiden van Frankrijk. Molières leerschool binnen dit rondtrekkend theatergezelschap (hij was acteur, schrijver en tevens directeur) was Hard maar grondig. Bij de kapper pikte hij het plaatselijke Nieuws op en verwerkte dat in zijn teksten.
In 1653 richt Molière opnieuw een eigen gezelschap op. Op het einde van de jaren '50 begint hij zelf komische éénakters te schrijven. In 1653 Schreef hij zijn eerste klucht, De verliefde dokter, die meteen veel Succes had.
Gestimuleerd door het succes van het gezelschap, zoekt Molière een zaal in Parijs. In 1658 wordt het Théâtre du Mariais gehuurd en komt het gezelschap onder de hoge bescherming te staan van Monsieur, de broer van Lodewijk XIV.
In Parijs mochten alleen toneelgroepen optreden als de Koning dat goedkeurde. In 1658 kon de groep van Molière terugkeren naar Parijs, omdat Philippe D'Orléans, de broer van Lodewijk XIV, het gezelschap had uitgenodigd voor een optreden. In Oktober 1658 was het zover. Molières gezelschap speelde in Paleis het Louvre de tragedie Nicomède van Pierre Corneille, gevolgd door een kluchtig Naspel. Dit optreden was niet alleen een primeur voor het Parijse Publiek, maar tevens voor de Koning, die speciaal voor deze gelegenheid was uitgenodigd. Lodewijk vond het kluchtig naspel zeer vermakelijk.
Koning Lodewijk XIV gaf hen een theater en Molière
legde zich naast acteren toe op toneelschrijven
De carrosseriefabriek Molier - Muller
Gedurende het onderzoek stuit ik op steeds meer gegevens. Een van de meest aparte gegevens is dat er een firma Molier in Den Haag is geweest die samen met ene Muller autobussen maakte. Er is een samenwerking geweest met de firma's Enkes en Minerva op het gebied van chassis.
De geschiedenis van deze firma is (voor zo ver nu bekend) als volgt:
Op 29-9-1922 werd de carrosseriefabriek opgericht.
Een van de oprichters is Carel Jacobus Hendrik Molier, geboren op 06-11-1884
in Tandjongpandan (Billiton Nederlands Indië). De fabriek was gevestigd
aan de Kockstraat 14-16 en 32.
In het handels register van de Kamer van koophandel te s-Gravenhage (Haaglanden)
was het volgende bekend:
A. Eerste opgaaf 29-09-1922 Carrosseriefabriek Molier N.V. Het vervaardigen
en herstellen van autokoetswerken en zijspanwagens, alles in den ruimsten
zin des woords. Aanvang der vennootschap 10-10-1923, einde 30-09-1924. Gevestigd:
Kockstraat 14, 16 en 32. Er zijn 3 vennoten, allen gehuwd in algemene gemeenschap
van goederen.
1. Fortuné Maxmilien Fransen van der Putten, geboren te 's-Gravenhage
11-08-1879, woont te voorburg, Weverslaan 7.
2. Carel Jacobus Hendrik Molier, geboren te Tandjon Pandan, 06-11-1884, woont
te Scheveningen, Rorstraat 21.
3. Gerardus Petrus Johannes Muller, geboren Amsterdam 23-10-1885, woont te
's-Gravenhage, Reitzstraat 79.
B. Opgaaf 19-04-1923, de handelszaak is verplaats naar Reitzstraat 118, 44 en 35. Het kantoor adres is Reitzstraat 118.
C. Opgaaf 07-12-1923, de vennootschap is bij onderhandse akte van 05-10-1923 ontbonden, zij wordt vanaf die datum onder dezelfde naam tijdelijk voortgezet door den vroegeren vennoot F.M. Fransen van de Putte.
D. Opgaaf 07-12-1923, het uitgegoefend bedrijf is het bouwen van autokoetswerk, gevestigd aan de Reitzstraat 118.
E. Opgaaf 07-04-1924, de handelsnaam is gewijzigd in Carrosseriefabriek Molier.
F. Opgaaf 03-10-1925, de vennootschap is omgezet in N.V. Carroseriefabriek Molier (staatscourant 15-09-1925 no. 178).
G. Opgaaf 03-10-1925, de vennootschap telt 2 directeuren, F.M. Fransen van der Putte en C.J.H. Molier, alsmede 2 commisarissen. Maatschappelijk kapitaal Fl. 75.000,== geplaatst. 2 maal Fl. 15.000,==, procuratiehouder Johan Willem Hendrik van Gelder, geboren Amsterdam 26-08-1876. C.J.H. Molier woont aan de Egmontstraat 96 (opgaaf staatscourant)
H. Opgaaf 15-10-1926, adreswijziging der zaak Zuid West Buitensingel 38 (kantoor en fabriek).
I. Opgaaf 08-10-1927, idem Jacobastraat 266.
J. Opgaaf 05-04-1928, wijziging statuten (aandelen).
K. Opgaaf 02-06-1928, adreswijziging C.J.H. Molier, Valkenboschkade 66.
L. Faillietverklaring bij vonnis A.R. 's-Gravenhage d.d. 06-07-1928, door slotuitdelingslijst 19-06-1929 geeindigd. De opheffing 06-12-1929 ingeschreven in het Handelsregister.
Op 14-11-1923 wordt het nieuws bekend gemaakt omtrent een zes wielige autobus.
Deze werd vervaardigd door Molier en Muller N.V. De bus was 8 meter en 35
centimter lang en had een gewicht van 3500 kilo zwaar. De bus bood plaats
aan 27 passagiers. Er was een deel voor rokers en een deel voor niet rokers.
Op 10 februari 1926 verlenen Burgemeester en Wethouders van 's-Gravenhage
vergunning tot het oprichten van en inrichting bestemd tot het bewaren van
benzine op open terrein aan de firma Molier. Dit behoort tot het perceel van
de Reitzstraat nr. 118.
8 januari 1927 verschijn er in Het Vaderland een artikel van een verslagever
die de eerste rit met een bus van de Z.H.A.M. van Den Haag naar Rotterdam
beschrijft. De bus is afkomstig van de firma Molier. De bus is gebouwd op
een Parlor Coach carosserie. Ze waren voorzien van een zandstrooi inrichting
waardoor de bus in de winterdag ook over gladde wegen kon rijden. De kleur
van de bus is geel. De letters en strepen zijn rood. Naast de chauffeur is
er ruimte vrij gehouden voor bagage. De bus is binnen afgewerkt met roodbruin
houtwerk. De banken zijn in grijs leder en de handvaten zijn in het wit. In
het midden zitten in de bus roosters. Daardoor wordt warme lucht naar binnen
geblazen. De verslaggever: "toch is het, dankzij een flinke ventilatie,
niet benauwd. De nieuwe wagens rijden heerlijk. Vooral voorin merkt men niets
van schokken en de verlichting is zo dat men er gemakkelijk zijn courant bij
kan lezen". De bus vertok om 4 uur s-ochtens voor het voormalige Bristol
Hotel in Den Haag. Van Scheveningen, Den Haag, Rijswik, de Zwet en Overschie
ging het nsar Rtterdam. Dwars door Rotterdam was het eindpunt het Wagenveer.
Om dat op dat moment s-morgens het veer nog niet in de vaart is is dit het
eindpunt, anders was de Waalhaven het eindpunt geweest. Volgens de dienstregeling
starte op de busdienst om 5 uur s-morgens. Om de 3 kwartier vertrok er een
bus. Het grootste deel van de chauffeurs waren Quick personeel. Zij droegen
een uniform met een witte pet.
Op zaterdag augustus 1927 wordt een hospitaal auto, vervaardigd door de carrosseriefabriek
Molier en Muller N.V., aan boord van het vrachtschip de Menado van de Rotterdamschen
Loyd gehesen. Deze auto is besteld door de Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij
te Billiton (een eiland in de Indonesische archipel). Het eiland ligt tussen
Sumatra en Borneo, Vrijwel loodrecht boven Djarkarta. De levering is in meerdere
opzichten bijzonder. In de eerste plaats omdat Carel geboren is in Tandjong
Padan op Billiton, daar waar de auto naar toe verscheept wordt. De auto is
bestemd als hulpmiddel om op een snelle wijze de geneeskundige verzorging
van de inheemse bevolking te voorzien.De auto is gebouwd op een Minerva omnibus
chassis.
Op dat moment bestaat de Gemeenschappelijke Mijnbouwmaatschappij 75 en heeft
een fonds opgericht en daar fl. 500.000,== in gedeponeerd. De stichting had
tot doel de economische en hygiënische belangen van de lokale bevolking
op Billiton te bevorderen. De bevolking kan op dat moment al terecht in klinieken
in Tandjong Padan en Manggar. De grote afstanden en de gebrekkige transportmiddelen
zijn er de oorzaak van dat veel zieken zich niet in de klinieken melden.
Eerder is er in Bandoeng (Djakarta) een hygiënische tentoonstelling geweest.
Daar exposeerde de firma Molier en Muller N.V. met hun hospitaal auto. Het
is dan de bedoeling dat een Indonesische geneesheer rond gaat reizen met deze
auto. De auto is uitgerust met alle mogelijke voorzieningen die op dat moment
voorhanden zijn. Tevens is het de bedoeling dat tropische ziekten kunnen worden
bestudeerd. In de wagen is er ruimte om te wonen. Er is een opklapbare bank
aanwezig waarop de zieken vervoerd kunnen worden naar een ziekenhuis. Er is
een opklapbare tafel en een opklapbare wastafel. Er zijn diverse kasten en
er is een onderzoekstafel die in hoogte verstelbaar is. De laatste kan achter
de auto opgesteld worden. Om buiten de felle zon te blijven zijn er zeilen
aanwezig. Naast beschutting zijn de zeilen ook bedoel om privacy te waarborgen.
Er is een opvouwbare brancard aanwezig, een watertank en twee reserve accu's
voor de binnenverlichting en de elektrische fan. Om de warmte buiten te houden
werd er gebruik gemaakt van celotex welke is aangebracht tussen wanden, het
dak en de watertank.
In februari 1928 laat de firma Molier wijzigingen aanbrengen in de statuten
van de maatschappij. Welke deze zijn is niet bekend.
Op 20 juni 1929 werd door de Arrondissements Rechtbank te 's-Gravenhage het
faillissement uitgesproken van C.J.H. Molier, van beroep autoschilder. Tot
curator werd benoemd Mr. J. Th. H. E. van Lier Anna Paulownastraat 71 te 's-Gravenhage.
Rechter-commissaris was Mr. J. H. van Laer.
Op 6 juni 1929 laat curator Mr. Ir. A. W. Quint in Het Vaderland weten dat
hij per 5 juni 1929 de slotuitdelingslijst bij de griffie van de Arrondissements-Rechtbank
van 's-Gravenhage heeft gedeponeerd. Deze lag daar 10 dagen kosteloos ter
inzage van de crediteuren.
Op 20 juni 1929 wordt door de rechtbank in 's-Gravenhage het faillissement
van C.J.H, autoschilder te Den Haag, Valkenboschkade 66, uitgesproken. Rechter
commissaris is J.H. van Laer.
Op 6-7-1929 werd C.J.H. Molier opgeheven. Dit stond vermeld in het N.R.C.
van 7-7-1929. de informatie werd gegeven door v.d. Graaf & Co., afdeling
handelsinformatie.
Ik kan tot nog toe niets terug vinden van deze bussen en ook niets van de firma's Enkes en Minerva. Mocht u iets weten, laat het mij even weten.
De familie heeft drie wapens. De eerste is het orginele,
de tweede en derde zijn later, op
verzoek van een familielid, gemaakt
.
Het eerste wapen zijn drie, in het sabel (zwart) liggende,
zeisijzers. Het is afkomstig van de wapenkaart van: Zeeland
veredelt. Wapenen der edele en aensienlyke geslachten in het souvetain greafschap
van Zeeland.
Het tweede wapen: in rood die gouden molenijzers, in
het hart vergezeld van een vuurslag. Het helmteken:
drie rode struisveren, waaiersgewijs geplaats. Het dekkleed: rood, gevoerd
van goud.
Het derde wapen: in rood een opengeslagen boek van
natuurlijke kleur, goud op snee, vergezeld van drie
gouden molenijzers. Het helmteken: drie struisveren, waaiersgewijs geplaats,
goud, rood en goud.
Het dekkleed: rood, gevoerd van goud.
De familie heeft ook een wapenspreuk: tandem erit messis (eindelijk hebben wij oogst).
Wat betekent de naam Molier eigenlijk. Per toeval kwam ik op het volgende:
Molier: Tireur et tailleur de meules a moulin; molitor.
Vrij vertaald is dit:
Molier: Trekker en slijper van molenstenen van de molen. Kijk hiervoor ook op de site van het Meertens instituut.
Alleen het laatste woord blijft nog even onbekend voor mij. Kan dit de betekenis zijn van de naam Molier?